Kalhu ofwel Nimrud

Twee lamassu’s uit het paleis van Aššurnasirpal (Nationaal Museum van Irak, Bagdad)

De afgelopen dagen had ik het over het oude Babylonië. Assyrië, het noorden van het huidige Irak, maakte deel uit van het Oud-Babylonische Rijk. Later herwon Mât Aššur, “het land van de god Aššur”, echter zijn zelfstandigheid en begon het aan een gestage expansie. Die is uitzonderlijk goed gedocumenteerd in vele duizenden kleitabletten. Het koninkrijk breidde zich in alle richtingen uit. Eén koning voor alle volken, was de ideologie, zo mooi beschreven door Daan Nijssen in Het wereldrijk van het Tweestromenland.

Het was daarbij een beetje – al moeten we voorzichtig zijn met vergelijkingen – zoals met de Spaanse conquistadores in Mexico: het succes van de vele veldtochten bewees dat de god Aššur het imperialisme steunde, de veroveraars deden dus godgevallig werk, en het was daarom niet vreemd dat ze veel buit binnenhaalden, want Aššur was een goede god die zijn vrome dienaars beloonde. En dus kwamen het goud, het zilver, het ivoor, de slaven, het koper, het edelsmeedwerk, het textiel, de paarden in grote aantallen en hoeveelheden naar de hoofdstad Aššur.

Beeldje van een Nubiër uit Nimrud (Metropolitan Museum of Art, New York)

Misschien werd het in Aššur te klein, misschien lag die stad niet optimaal voor een voortdurend reizend koninklijk hof, maar de Assyriërs gaven de stad op als voornaamste koninklijke residentie. Het bleef wel een belangrijk religieus centrum, maar koning Aššurnasirpal II (r.883-859) verplaatste de koninklijke residentie naar Kalhu. De moderne naam is Nimrud. De mensen in het Nabije Oosten hebben wel meer ruïnes vernoemd naar deze legendarische koning.

Residentie

Kalhu was, toen het promotie maakte tot Assyrische hoofdstad, al drie of vier eeuwen oud. De stad was namelijk in de dertiende eeuw v.Chr. gesticht door koning Šalmaneser I. Aššurnasirpal bracht nu niet minder dan 47.000 mensen over naar Kalhu, ambachtslieden die de stad verfraaiden en uitbreiden tot ze zes keer groter was dan het aloude Aššur. Daarna telde Kalhu, zoals Aššurnasirpal in een van zijn inscripties beweert, 16.000 inwoners. Hun voedsel zijn aangevoerd uit gebieden die stroomopwaarts langs de Tigris lagen. In het paleis waren reliëfs van een leeuwenjacht die later de kunstenaars inspireerden die de Leeuwenjacht van Aššurbanipal vervaardigden.

Dit paleis was ook de residentie van al zijn opvolgers, zoals de veroveraars Šalmaneser III en Tiglath-Pileser III. We mogen ons voorstellen dat de diplomaten die uit de koninkrijkjes uit het westen kwamen, zoals Israël en Juda, hier hun opwachting maakten en zich neerwierpen voor de koning van Assyrië. Het is geen toeval dat de Bijbel de stad eveneens vermeldt (als Kalah).

Koning Jehu van Israël onderwerpt zich aan Šalmaneser van Assyrië (British Museum, Londen)

Maar ook deze stad bleek niet helemaal geschikt. In 706 v.Chr. verplaatste koning Sargon II zijn residentie naar Dur-Šarukkin (het huidige Khorsabad), dat op zijn beurt plaats moest maken voor Nineveh, tegenover het huidige Mosul.

Latere geschiedenis

Dat betekende niet dat alle bewoners van Kalhu verhuisden. De stad bleef bewoond. Nog in 401 v.Chr. verbleef de Griekse huurling Xenofon in deze stad, die op dat moment Larissa heette. Hij vermeldt ook dat de inwoners waren gevlucht naar de ziggurat. Dat zullen er niet veel zijn geweest; de meeste bewoners zullen zich, bij de nadering van de westerse barbaren, uit de voeten hebben gemaakt richting platteland.

De ziggurat van de Assyrische stad Nimrud in beter dagen.

Meer barbaren waren er in de afgelopen jaren. Ik begrijp dat de zogenaamd Islamitische Staat de complete ziggurat van Nimrud een eind in de richting van de Tigris heeft gebulldozerd. Hier is de situatie tijdens mijn bezoek, een paar dagen geleden.

De ziggurat nu

De bevrijding van de stad is alweer vijf jaar geleden. Er is al veel restauratiewerk gedaan maar het is schokkend toen en nu te vergelijken. Hier is de façade van het paleis van Aššurnasirpal voor de plundering…

De façade van het paleis van Aššurnasirpal toen

… en hier erna.

De façade van het paleis van Aššurnasirpal nu

Nimrud/Kalhu is overigens ook de stad waar Layard in 1845 zijn onderzoek begon; hij wijdde er het Geliefde Boek van Marjon Verburg aan.

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Naschrift 16 november 2021

In oktober bezochten we Nimrud.