Na de slag bij Dyrrhachion

Caesar (British Museum, Londen)

Als ik begin te zeggen dat het 17 quintilis was, dan hoef ik niet toe te voegen dat u bent beland in een nieuwe aflevering van de reeks “Wat deed Julius Caesar gisteravond 2069 jaar geleden?” In mijn vorige blogje vertelde ik over de nederlaag die Gaius Julius Caesar bij Dyrrhachion leed tegen de troepen van de Senaat, gecommandeerd door Pompeius. Die avond

ging Caesar naar zijn tent, legde zich neer en bracht de vreselijkste nacht van zijn leven radeloos door, zichzelf verwijtend dat hij zich een slecht strateeg had getoond. (Caesar 39)

Aldus Caesars biograaf Ploutarchos, hier geciteerd in de vertaling van Hetty van Rooijen. Ploutarchos heeft het even later nog over “een slapeloze nacht vol rusteloze gedachten over de onmogelijke en lastige situatie”. Ook Appianus vermeldt dat Caesar zichzelf verwijten maakte.

Hij erkende dat hij er spijt van had zijn kamp bij Dyrrhachion te hebben opgeslagen, waar voor Pompeius alles wat hij nodig had voorhanden was; hij had hem moeten weglokken naar een andere plek waar hij te kampen zou hebben met eenzelfde gebrek aan middelen als zij. (Burgeroorlogen 2.64; vert. John Nagelkerken)

 

Caesars toespraak

In zijn eigen verslag vat Caesar samen wat hij na de nederlaag zijn soldaten zou hebben voorgehouden. Je weet nooit of hij het werkelijk zo heeft gezegd. De rede is echter niet excessief lang en bevat de gemeenplaatsen die je op een moment als dit zou verwachten. Het valt allemaal wel mee. Niet ik heb het verkeerd gedaan. We proberen het nog eens. Het is in het verleden (na Caesars nederlaag bij Gergovia in Gallië) ook al eens ten goede gekeerd.

Hij spoorde ze aan de gebeurtenissen niet te zwaar op te nemen of zich erdoor te laten afschrikken, en deze ene vrij onbelangrijke nederlaag niet te laten opwegen tegen hun vele overwinningen.

Ze moesten het Lot dankbaar zijn, zei hij, dat ze Italië zonder bloedvergieten hadden ingenomen, dat ze de twee Spaanse provincies met hun oorlogszuchtige bewoners en uiterst deskundige en ervaren bevelhebbers hadden onderworpen, dat ze de naburige graanrijke provincies in hun macht hadden gebracht. En tenslotte moesten ze er aan denken met hoeveel geluk ze tussen de vijandelijke vloten door allemaal behouden waren overgezet, ofschoon niet alleen de havens maar ook de kusten vol vijanden waren. Als niet alles gunstig verliep, moest men het Lot door eigen inzet een handje helpen.

De geleden schade was aan ieder ander eerder te wijten dan aan hemzelf. Hij had ze een gunstige plaats gegeven om te strijden, hij had zich meester gemaakt van het legerkamp van de vijanden, hij had ze in een gevecht verslagen en overwonnen.

Maar of nu hun eigen verwarring of een fout of het Lot hun de reeds behaalde en aanwezige overwinning had  ontnomen, ze moesten hun best doen om het geleden nadeel door hun moed te herstellen. Als dat eenmaal gebeurd was, zou de tegenslag zich ten goede keren, zoals dat bij Gergovia was gebeurd. (Burgeroorlog 2.73; vert. Hetty van Rooijen)

Straffen

Appianus vertelt wat deze woorden teweeg brachten:

Toen Caesar hun slechts milde verwijten maakte en zich vergevingsgezind toonde, waren ze geërgerd over hun eigen gedrag en drongen er na een onverwachte stemmingswisseling op aan hun troepen volgens oude traditie door loting te decimeren. Daaraan wilde Caesar geen gehoor geven, waardoor ze nog grotere schaamte voelden en toonden dat ze zich er bewust van waren dat ze zich ten onrechte tegenover hem schandelijk gedragen hadden. Ze riepen dat hij dan de mannen die de veldtekens droegen moest doden, omdat ze zelf nooit op de vlucht waren geslagen als de veldtekens niet eerst omgedraaid waren. Zelfs daartoe was Caesar niet bereid, maar wel strafte hij met tegenzin enkele manschappen. Door zijn terughoudende reactie wekte hij bij allen een zo grote strijdlust op dat ze hem vroegen hen onmiddellijk naar de vijand te leiden. (Burgeroorlogen 2.63; vert. John Nagelkerken)

Caesar lijkt niet teveel waarde te hebben gehecht aan de stemmingswisseling van zijn troepen. Hij schrijft dat hij enige tijd wilde inlassen om het moreel te herstellen. Ook maakte hij zich zorgen om de voedselvoorziening. Nu hij zijn versterkte stellingen had moeten opgeven, konden Pompeius’ troepen uitzwermen en al Caesars foerageurs overal aanvallen. Het werd tijd het contact met de vijand te verbreken. Die nacht, gisteravond 2069 jaar geleden, begon de aftocht. Daarover donderdag meer.

[Een overzicht van de reeks #RealTimeCaesar is hier.]

Een gedachte over “Na de slag bij Dyrrhachion

Reacties zijn gesloten.