Na de slag bij Thapsus

Victoria (Museo Nazionale, Rome)

Het was de dag na de slag bij Thapsus. De overwinnaar, Julius Caesar, was met Marcus Aemilius Lepidus consul en het was 7 april. Wij zouden zeggen dat het 8 februari 46 v.Chr. was. En we zeggen ook dat we zijn beland in een nieuwe aflevering in de reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?”

Offers bij Thapsus

Hij besloot zijn soldaten, ook al hadden ze verslagen tegenstanders gedood, te prijzen. De reden was heel simpel dat Gaius Vergilius, de garnizoenscommandant van Thapsus, zich nog niet had overgegeven. Een demonstratie met de buitgemaakte olifanten na de slag had niet geholpen. Dus koos Caesar voor een tweede demonstratie om de belegerden diets te maken dat de oorlog voor hen was afgelopen.

Caesar bracht offers en riep de soldaten bijeen in het zicht van de stadsbewoners. Hij prees ze uitbundig, beloonde het hele veteranenleger en deelde voor zijn podium onderscheidingen uit voor opvallende moed en verdiensten. Meteen daarna vertrok hij, liet Gaius Caninius Rebilus met drie legioenen achter bij Thapsus en Gnaeus Domitius Calvinus met twee bij Thysdrus, om die steden te belegeren, en ging snel op weg naar Utica, waarheen hij Marcus Valerius Messalla al met de ruiterij vooruit had gestuurd. (Afrikaanse Oorlog 86; vert. Hetty van Rooijen)

Dat moet op 8 of  9 april zijn geweest, onze 9 of 10 februari. Caesar bereikte die dag Uzitta, dat zich aan hem overgaf. Hij nam er een grote hoeveelheid graan, wapens en geschut in beslag. Die had Metellus Scipio daar ondergebracht toen Caesar de belegering had afgebroken en Scipio de achtervolging inzette van Caesars foeragerende leger. De volgende halte was Hadrumetum, dat op uiterlijk 11 april (12 februari) capituleerde, waardoor Caesar nog meer wapens, graan en geld verwierf. Nog diezelfde dag trok hij verder, richting Utica.

De anderen

Wat deden de anderen? Drie legioenen bleven bij Thapsus, twee gingen naar Thysdrus, één bezette Hadrumetum en een ander deel van het leger moet in vliegende haast met Caesar richting Utica zijn gegaan. Weer andere soldaten zullen naar andere bestemmingen zijn gedirigeerd, maar we hebben er geen informatie over.

In elk geval zijn er mensen op het slagveld achtergebleven om massagraven te delven voor de doden. Van hen moet de schatting zijn gekomen dat Caesar slechts vijftig man had verloren. Die zullen netjes zijn gecremeerd. Men beweert dat niet minder dan tienduizend van Caesars vijanden zijn omgekomen. Die zullen in een massagraf zijn beland of een prooi zijn geweest voor de honden en vogels. Van sommige antieke slagvelden – Marathon, het Trasimeense Meer, Kalkriese – zijn de putten bekend waarin de gesneuvelden hun laatste rustplaats vonden, maar Thapsus behoort er niet toe.

Utica

Volgens Appianus bereikte het nieuws van de nederlaag van Metellus Scipio de stad Utica na ongeveer drie dagen. De stedelijke bevolking, die in 59 v.Chr. had geprofiteerd van een door Julius Caesar ingediende landhervormingswet, sympathiseerde met Caesar, maar het door Cato de Jongere gecommandeerde garnizoen stond aan de zijde van Scipio. Diens cavalerie, ontkomen aan de slachting bij Thapsus, bereikte Utica als eerste. De commandant was de Lucius Afranius die in Ilerda tegen Caesar had gevochten, die Pompeius bij Farsalos had geadviseerd en die ook nu vervuld was van haat tegen iedereen die Caesar steunde.

Marcus Porcius Cato had in de voorafgaande tijd de ongewapende volksmassa uit de stad verwijderd, want hij verwachtte van de bevolking van Utica weinig steun voor zijn partij, omdat ze van de Julische Wet hadden geprofiteerd. Voor de Oorlogspoort had hij een versterkt kamp aangelegd met slechts een kleine gracht eromheen, en ze gedwongen daar te wonen, omringd door wachtposten. De senaat van de stad liet hij bewaken.

Scipio’s ruiters vielen dit kamp aan en begonnen het te bestormen, omdat ze wisten dat ze aan Caesars kant hadden gestaan. Ze wilden hen doden en met hun ondergang wraak nemen voor hun eigen teleurstelling. Maar de bewoners van Utica, bemoedigd door Caesars overwinning, verdreven de ruiters met stenen en knuppels.

Toen ze het kamp niet in handen konden krijgen, stormden de ruiters de stad Utica binnen, doodden er veel bewoners en veroverden en plunderden hun huizen. Cato kon ze op geen enkele manier overhalen om samen met hem de stad te verdedigen en op te houden met moorden en plunderen. Omdat hij wist wat ze van plan waren, gaf hij ze per man honderd sestertiën om een eind te maken aan hun bandeloze optreden. (Afrikaanse Oorlog 87; vert. Hetty van Rooijen)

Kortom, Africa was ten prooi aan rondes van wraak en weerwraak. Daarin was het mogelijk voor mannen als Metellus Scipio en zijn officieren om te ontkomen. De plaats waar ze hun toevlucht vonden, was Andalusië. Al eerder noemde ik Gnaeus Pompeius Junior, die naar de Balearen was gevaren na een mislukte operatie in het huidige Marokko. Die ving in Andalusië Titus Labienus en zijn broer Sextus Pompeius op. Samen garandeerden ze dat de Tweede Burgeroorlog nog een extra ronde zou hebben.

[Een overzicht van de reeks #RealTimeCaesar is hier.]


I Germanica

november 15, 2023

Messias (2)

november 29, 2020

Bloedbad in Gomfoi

juni 18, 2022
Deel dit: