Arie Zwiep, Tussen tekst en lezer

Hermeneutiek is de kunst om elkaar goed te begrijpen. Daarbij kun je in de eerste plaats denken aan teksten. Het gaat nooit alleen om de woorden, maar ook om de context. “Er wordt niet gestrooid” heeft een andere betekenis als bij Rijkswaterstaat eind januari de pekel op is dan op het heerlijk avondje. Als we het hebben over antieke teksten, is die context verloren en dat stelt speciale eisen aan de uitleg.

Historici gebruiken “het hermeneutische verklaringsmodel” bij het duiden van menselijk gedrag. De geschiedkundige die, om eens iets te noemen, de Romeins-Parthische oorlogen om Armenië wil doorgronden, probeert zich in te leven in de antieke actoren. Met hen heeft hij, welke verschillen er tussen toen en nu ook zijn, in elk geval het mens-zijn gemeen. Dat maakt het mogelijk je ein zu fühlen. Vervolgens is er de hermeneutiek van de archeologen. Daarbij kunt u denken aan postprocessuele benaderingen van auteurs als Ian Hodder.

Wat ik met deze voorbeelden duidelijk wil maken: hermeneutiek of hermeneuse is het nadenken over de wijze waarop we cultuuruitingen (het beste kunnen) begrijpen. Deze reflectie is wat de geesteswetenschappen maakt tot wetenschap.

Specialistische inleidingen

Het nadenken over de wijze waarop we elkaar begrijpen, heeft raakvlakken met de psychologie, met de communicatieleer, met de filosofie en met de sociale wetenschappen. Het is dus fascinerende stof. Alleen, zo schrijft Arie Zwiep in de inleiding van het eerste deel van zijn Tussen tekst en lezer, is er “in het Nederlandse taalgebied een duidelijke leemte waar te nemen op historisch-hermeneutisch gebied”. Dat is waar. Een systematische uiteenzetting van het gedeelde fundament van de geesteswetenschappen bestaat niet. Tegelijk is het een tikje overdreven. Toen Zwiep deze woorden in 2009 publiceerde, had hij kunnen verwijzen naar boeken waarin de hermeneutiek voor speciale deelgebieden werd uitgelegd, zoals Literatuur en context van Peter Zeeman (voor neerlandici) of De constructie van het verleden van Chris Lorenz (voor historici). Allebei fijne boeken.

Een algemene inleiding voor de oudheidkunde bestaat bij mijn weten niet. Als mensen willen weten hoe oudheidkundigen het historisch proces duiden, verwijs ik naar Lorenz. Vragen over postprocessuele archeologie heb ik nog nooit gehad. En als mensen me vragen hoe oudheidkundigen omgaan met teksten, moet ik zeggen: “kijk maar bij de theologen”. En dan noem ik het tweeluik van Zwiep.

Elkaar goed begrijpen

Voor wie wil weten wat oudheidkundigen met teksten doen, is Zwieps inleidng momenteel de beste inleiding. Denk ik dan. Ik heb voor dit stukje enkele classici gevraagd naar het handboek waarmee ze het wetenschappelijke aspect van hun bezigheden uitleggen, maar het schijnt niet te bestaan.

Zwieps Tussen tekst en lezer is weliswaar geschreven voor theologen en niet voor oudheidkundigen, maar de lectuur is bepaald geen straf. Het eerste deel begint in de Oudheid en legt aan de hand van de allegorese het probleem uit. Je leest een tekst uit een andere tijd die dingen noemt waar je weinig mee kunt, maar je denkt ook dat die mensen destijds nog steeds iets te zeggen hebben. De allegorische uitleg vormde voor veel antieke auteurs de oplossing.

Ook in de Oudheid bestond daarover onvrede en men zocht alternatieven. De toegestane interpretatievormen van Hillel, waarover ik al eens blogde, en het principe “Homeros uit Homeros verduidelijken” zijn twee manieren om teksten met minder fantasie en meer systematiek uit te leggen. Modern geformuleerd: er waren antieke denkers die streefden naar transparantie en controleerbaarheid.

In feite zijn de tien hoofdstukken die in het eerste deel volgen op de allegorese en de elf hoofdstukken van het tweede deel, samen te vatten als even zovele pogingen elkaar goed te begrijpen. Het zijn niet de geringste namen die de revue passeren: Augustinus, Erasmus, Spinoza, Wettstein en Schleiermacher in het eerste deel, en in het tweede Marx, Nietzsche, Freud, Dilthey, Gadamer, Habermas, de structuralisten, Wittgenstein, Ricoeur en de poststructuralisten.

Theologie en oudheidkunde

Met de bovenstaande opsomming doe ik Arie Zwiep geen recht. Hij is tevens geïnteresseerd in denkers als Barth, Bultmann en andere theologisch georiënteerde wetenschappers. Tussen tekst en lezer gaat vooral over de uitleg van de Bijbel. Natuurlijk is dat een fascinerend onderwerp – ik blog er elke week over – maar ik ben oudheidkundige en geen theoloog. Ik stel andere vragen.

Ze zijn enerzijds breder en anderzijds platvloerser. Breder, want ik houd me niet alleen bezig met taaluitingen, maar ook met het historisch proces en met de materiële cultuur. Ik zoek iets algemeners dan een bijbelse hermeneutiek, al was het maar een hermeneutiek voor niet-bijbelse antieke teksten. Platvloerser, omdat ik niet méér hoef te weten dan wat in een bepaalde oude tekst staat, waarom deze of gene antieke persoon iets deed en hoe ik dit of dat aspect van de materiële cultuur kan duiden. Als ik dat soort dingen eenmaal weet, ben ik tevreden. Ik hoef over de conclusies geen oordeel te vellen en hoef er ook geen inspiratie aan te ontlenen. Dat is bij Zwieps theologen anders. Vaak zijn het christenen die met de gereconstrueerde boodschap van hun antieke tekst ook iets willen doen.

Anders geformuleerd: ik beperk me tot de antieke betekenis an sich en zoek niet naar een betekenis für mich. Althans, zo zou ik het willen, maar zo simpel is het niet. De oudheidkundige anno 2022 is immers een andere dan in 2017 of 2012 en heeft andere interesses, waardoor de betekenis an sich anders wordt gereconstrueerd. Die subjectieve component is er nu eenmaal. We mogen gelukkig hopen dat we, door extra data mee te nemen in de analyse, de ruimte voor subjectiviteit verkleinen.

Relevantie

Het is trouwens ook weer niet zo dat het verboden is na te denken over de Oudheid für mich. Ik ben een fan van het gymnasiaal onderricht, waarin de leerling zijn eigen ideeën leert doorgronden door kennismaking met antieke denkbeelden. Het is misschien niet wetenschappelijk, maar daarom niet minder waardevol.

Kortom, ik kan Tussen tekst en lezer aanraden aan iedereen met belangstelling voor de oude wereld. Een overzicht van de hermeneutiek in het algemeen, die toch de basis vormt van álle geesteswetenschappen, biedt Zwiep echter niet. De oudheidkundige zou iets meer hebben willen lezen over bijvoorbeeld een Gustav Droysen. Arie Zwiep toont echter wel alle hoeken en gaten van de kunst om elkaar (of beter: geschreven cultuuruitingen uit het verleden) goed te begrijpen. Hij bewijst bovendien dat je ook leesbaar kunt schrijven over het interpretatieproces, en dat is meer dan je kunt zeggen van Hodder. Theologiestudenten boffen maar.

[De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van vergelijkbare stukjes is daar.]

7 gedachtes over “Arie Zwiep, Tussen tekst en lezer

  1. Rob Alberts

    Een boeiende boekrecensie aangevuld met jouw altijd interessante denkwijze.

    Al met al weer een bijzonder lezenswaardige blogpost.

    Vriendelijke groet,

  2. Frans Buijs

    Dat werpt de vraag op: waarom zou dat eeuwenoude boek eigenlijk een betekenis “fur mich” moeten hebben?

    1. Dat is deels een geloofsaanname, zowel bij de Bijbel als bij het gymnasiaal onderricht. En je kunt prima zeggen dat Plato heeft afgedaan.

      Voor zover er relevantie is van de Oudheid, kan dat op twee manieren. De eerste is dat je constateert dat iets destijds anders was, dat je de vraag stelt waar het verschil met onze tijd zit en probeert dat te verklaren. De andere manier is te kijken naar de wijze waarop invloed (d.w.z. vormende werking) van de antieke maatschappijstructuren op de onze uitgaat. Deze twee benaderingen zijn welbeschouwd allebei sociaal-wetenschappelijk.

  3. Sara

    Theologie lijdt aan een interne paradox. Ze wil graag an sich zijn om de gelovigen te overtuigen, maar in feite is ze voornamelijk für mich en daarna für dich und all und jeder..
    In de kern is theologie vooral een vorm van literatuur.

  4. Bert van der Spek

    Er is wel een boek voor oudheidkundigen dat redelijk in de buurt komt. Dat boek heeft Jona zelf geschreven: “De Klad in de Klassieken”.
    https://mainzerbeobachter.com/mijn-boeken/de-klad-in-de-klassieken/
    Alleen: dat boek had een ander doel. Maar Jona is de aangewezen persoon een boek te schrijven over theorie van de oudheidkunde. Laten we hopen dat hij dat gauw gaat doen. Als docent gebruikte ik dit boek (De Klad) dan maar. Daarvoor een prachtige syllabus, die nog uitgebreider was en die Jona ooit voor het onderwijs aan de VU heeft geschreven.

    1. Ik denk dat het beter is als de universiteit uitlegt wat het wetenschappelijke is van de daar ontplooide handelingen. Dan begrijpen mensen waarom een opleiding zin heeft en worden we eindelijk verlost van psychologen die het verhaal van Mozes letterlijk nemen, astronomen die de ster van Betlehem opsporen, Iraanse nationalisten, Jezusmythicisten en andere stoorzenders. Het feit dat de geesteswetenschappen in het verdomhoekje zitten, heeft alles te maken met de onwil normaal de methoden uit te leggen.

Reacties zijn gesloten.