
Zomaar wat dingen die me opvielen tijdens de Week van de Klassieken. Die is bijna voorbij, maar u leest het programma van vandaag en morgen hier.
De Week van de Klassieken online
Eerste observatie: er gebeurde van alles op de website van het evenement. Ik heb het niet geturfd maar heb het idee dat er meer aanbod was dan in eerdere jaren. U moet, als u wat tijd hebt, maar even kijken op de blog. Het groeiende aanbod zal de zes Europese oudheidkundige instituten waarvoor de afgelopen vijf maanden sluiting is aangevraagd niet redden, maar toch: er gebeurt eens wat. We tonen dat we bestaan. En daar ben ik blij mee.
Ook buiten de eigenlijke organisatie haakte men erop in; ik wijs op “Oudheidkunde op maat” van Robert Nouwen op de website van het voormalige tijdschrift Streven. Hij behandelt het maatschappelijk belang van de omgang met de Oudheid.
Het bereik van de Week van de Klassieken
Vincent Hunink opende de WvdK met een kort stuk in De Volkskrant, “Is dat nou een goed idee, zo’n Week van de Klassieken?” Huninks antwoord is ja, maar hij constateert ook dat het aanbod “alleen het vaste publiek bereikt: mensen met interesse in de Griekse en Romeinse cultuur”. De lezers van De Volkskrant zouden wat vaker een vertaling kunnen lezen. Er zit genoeg moois tussen: vanmorgen attendeert Hunink op Patrick Lateurs vertaling van de tragedies van Aischylos.
Of ga naar de musea, voeg ik toe aan Huninks oproep, want Griekse en Latijnse teksten vormen maar een deel van het complexe geheel van kennis, geloof, kunst, recht, taal, normen, zeden en gewoontes dat we de antieke cultuur noemen.
Het aanbod en de vraag
Ik heb deze week veel nagedacht over het door Hunink geconstateerde feit dat een WvdK alleen het vaste publiek bereikt. Ik denk dat het probleem is dat menigeen wel iets aanbiedt, maar dat men niet reageert op de eigenlijke vraag.
Neem wetenschappers die – heel prijzenswaardig – de moeite nemen scholen te bezoeken. Ze geven minder vaak les aan leerlingen van beroepsopleidingen dan aan VWO-leerlingen. Dit is wrang, want álle leerlingen hebben, getuige museumbezoek en profielwerkstukken, belangstelling voor Griekse mythologie, Alexander de Grote en archeologie.noot
Wie meer mensen wil bereiken dan het vaste publiek, zou eens kunnen nadenken over verwaarloosde doelgroepen, waar mensen bij zijn met een heel hoge informatiebehoefte. Trouwens, ook de voorlichting over de limes en de journalistieke media negeren mensen met een hoge informatiebehoefte.
Wat ik maar zeggen wil: we hebben een breed aanbod, maar het is niet afgestemd op de feitelijke behoefte. De aanbieders negeren de vraag. Dat geldt ook voor de Week van de Klassieken. De organisatoren vertrekken bij het eigen aanbod: de thema’s in de musea of – dit jaar – een onderzoeksthema als ecokritiek. Ik zal de laatste zijn om te ontkennen dat het goed is mensen zaken te tonen waarvan ze nog niet weten dat ze interessant zijn, maar je zou kunnen reageren op de vragen die mensen stellen. Wetenschapscommunicatie is communiceren – dus niet alleen zenden, maar ook luisteren en antwoorden. Een Oudheid voor u maar zonder u bereikt inderdaad niet meer dan het vaste publiek.
Ik kan de organisatoren overigens een hint geven: ga eens in op de vele vragen over artificiële intelligentie. Denk aan digitale paleografie. Je reageert dan op de vraag van het publiek én toont wat interessant is.
Envoi
Enfin. Dit waren zomaar wat losse gedachten op zaterdagmorgen. Ik rond af met de constatering dat tijdens de WvdK in Rhenen de expositie is begonnen over het laatantieke grafveld op de Donderberg. Denk aan de Franken, denk aan Cunera, over wie ik al eerder schreef.
Als u mij eens wil horen spreken, dan kunt u maandagmiddag in Hoorn terecht, waar ik vertel wat je met teksten niet kunt zeggen over Hannibal, terwijl daarna Roald Docter (UGent) vertelt wat archeologen wél kunnen zeggen. Het belooft leuk te worden, en ook als u geen VWO deed, bent u gewoon welkom.

De samenwerking kan inderdaad stukken beter.