Messias en Mensenzoon

De Mensenzoon met de Twaalf (Santa Pudenziana, Rome; twee van de Twaalf zijn bij een restauratie verdwenen)

Ik kondigde een stukje aan over de Mensenzoon. Om de crux meteen te benoemen: anders dan in het christendom, waarin Jezus van Nazaret zowel de messias is als de Mensenzoon, gaat het in het joodse denken om gescheiden concepten.

De messias, wiens naam zoiets betekent als “de gezalfde”, was in principe degene die Israël zou herstellen. Het messiaanse genre is ontstaan in het eerste kwart van de eerste eeuw v.Chr. en vormde een reactie op de falende Hasmonese dynastie. Sommige Joden droomden toen van een vorst uit het huis van David. In de meeste messianologieën is de messias iemand met een wereldlijke, politieke missie. Er zijn ook latere messianologieën waarin het herstel van Israël spiritueel van aard is, maar ook dat is geen Mensenzoon.

Het denken over de Mensenzoon is een eeuw ouder. De klassieke verbeelding is het visioen in Daniël 7. Vier dieren rijzen op uit de oerzee – die noemde ik onlangs ook al – en dat zijn een leeuw met adelaarsvleugels, een vleesetende beer, een gevleugelde panter, en tot slot een godslasterlijk, tienkoppig monster. Daarna komt een persoon over de wolken, die namens God over alle volken zal oordelen en heersen. Dit visioen gaat vrijwel zeker terug op een oudere, Babylonische voorspelling, die door de auteur van Daniël is aangepast aan de situatie rond 165 v.Chr. Ik blogde daar al eens over en laat de materie nu rusten.

Het Laatste Oordeel

Het punt dat nu belangrijk is, is dat de Mensenzoon namens God het Laatste Oordeel komt vellen. Net als de messias is het iemand die in de toekomst iets recht komt zetten, maar dat is dan ook de voornaamste overeenkomst.

Als de Mensenzoon het Laatste Oordeel geeft uitgesproken, krijgen de zondaars hun straffen en de goede mensen hun beloning. Het probleem met deze toekomstverwachting is natuurlijk dat er allerlei goede mensen zijn overleden. Daarom moeten de rechtvaardige doden opnieuw tot leven komen. Met hun terugkeer keert ook de wereld terug tot de paradijselijke toestand. Met Daniël vinden we dus nogal wat nieuwe en invloedrijke ideeën: het Laatste Oordeel, de Mensenzoon, de wederopstanding en een terugkeer naar het paradijs. Maar géén messiaans herstel van Israël. De Mensenzoon herstelt de kosmos, niets minder.

De Mensenzoonthematiek komen we ook tegen in de in deze blog al vaker behandelde Henochitische literatuur. In de zogeheten Gelijkenissen van Henoch, die dateren van het begin van onze jaartelling, lezen we dat de rechtvaardigen hun plek hebben gekregen bij de engelen. We lezen verder dat de Uitverkorene, die het Laatste Oordeel zal vellen, al bestond vóór de Schepping. Hij was dus, om een jargonterm te gebruiken, pre-existent.

Jezus als Mensenzoon

Diezelfde Gelijkenissen van Henoch vormen bij mijn weten de enige tekst waarin de Mensenzoon en een gezalfde worden gelijkgesteld. Ik schrijf met opzet “een gezalfde” omdat de term ook kan slaan op priesters en profeten, en dus niet per se betrekking heeft op de Israël-herstellende koning. Niettemin: juist op het moment dat Jezus optreedt, is er dus een tekst waarin het denken over de twee toekomstige personages beginnen te overlappen.

Het is ondertussen niet gering, wat Jezus claimde (of aan hem werd toegeschreven): als hij de Mensenzoon was, zou hij de volken oordelen en de wereld regeren. In het Matteüsevangelie wordt het met evenveel woorden gezegd:

Wanneer de tijd aanbreekt dat alles wordt vernieuwd, wanneer de Mensenzoon in majesteit zetelt op zijn troon, zullen ook jullie die mij gevolgd zijn plaatsnemen op twaalf tronen en rechtspreken over de twaalf stammen van Israël.noot Matteüs 19.28.

We lezen de claim ook bij Marcus. Als de hogepriester Kajafas Jezus verhoort en vraagt wie hij is, antwoordt Jezus dat zijn ondervrager de Mensenzoon zal zien zitten aan de rechterhand van God.noot Marcus 14.62. Dat antwoord lijkt blasfemisch te zijn geweest en de reden voor Jezus’ uitlevering aan de Romeinen.

Levensgevaarlijke ideeën

Eerlijk gezegd begrijp ik niet goed wat er blasfemisch is. Als ik beweer pre-existent te zijn en dat ik namens God de wereld zal oordelen, is dat vooral raar. Het is op zich niet godslasterlijk. Dit soort toekomstverwachtingen was echter, net als het idee in de Openbaring van Johannes dat Rome de macht op aarde usurpeerde, hoogst politiek en letterlijk levensgevaarlijk.

[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

Deel dit:

9 gedachtes over “Messias en Mensenzoon

  1. Gert M. Knepper

    “Het is ondertussen niet gering, wat Jezus claimde (of aan hem werd toegeschreven): als hij de Mensenzoon was, zou hij de volken oordelen en de wereld regeren.”

    Maar claimde Jezus dan dat hij de Mensenzoon was? Dat lijkt me uiterst onwaarschijnlijk, en veeleer een titel die pas na zijn dood voor hem werd gebruikt. Het is een titel die in het NT voortdurend verbonden worden met het begrip ‘komen’: de Mensenzoon zal komen, en wel al volgens Daniël (7:13) maar ook in de door jou aangehaalde passage in Marcus (14:62) ‘met de wolken van de hemel’.
    Ik zie niet hoe Jezus zich als ‘de met de wolken van de hemel komende Mensenzoon’ kan hebben beschouwd. Evenmin was er tijdens zijn leven voor zijn volgelingen enige aanleiding hem als zodanig te beschouwen. Pas toen na zijn dood het geloof was ontstaan dat hij in de hemel was opgestaan, was er ruimte om hem te identificeren met de ‘komende Mensenzoon’, want pas toen was hij in de gelegenheid te komen. Daardoor ontstond vervolgens het geloof in zijn wederkomst, en wel ‘met de wolken’ (Openbaring 1:7, en vergelijk ook Hand. 1:9-11 waarin Jezus ten hemel vaart in een wolk en zijn leerlingen te horen krijgen dat hij ‘op dezelfde wijze zal terugkeren’.)
    Iets anders is, dat Jezus natuurlijk heel goed over ‘de Mensenzoon’ gesproken kan hebben in het kader van zijn verwachting van het zeer nabije aanbreken van het Koninkrijk van God. Áls zijn verschijnen voor Kajafas historisch is, en áls hij het daarbij over de Mensenzoon heeft gehad bedoelde hij niet zichzelf, maar refereerde hij aan de verwachting van een apocalyptische Mensenzoon die nog ging komen. Dat is inderdaad niet blasfemisch. Maar dat zou het wel degelijk geweest zijn als Jezus zichzelf wél had geïdentificeerd met zowel de Messias als de Mensenzoon (quod non): beweren dat je de zoon van God bent, binnenkort aan de rechterhand van God zult zitten en de wereld zal oordelen is niet alleen raar of bizar, het is wel degelijk godslasterlijk. Nogmaals: zo is het niet gegaan. Maar voor de lezers/toehoorders van het Marcus-evangelie was Jezus wel degelijk zowel de zoon van God als de Mensenzoon (die nog zou komen, of liever gezegd: weer terug zou komen). Zij begrepen de pointe van het verhaal: Jezus werd veroordeeld omdat hij de waarheid sprak.

  2. Fried Deelen

    Over die mensenzoon is verwoed gediscussieerd. Volgens Geza Vermes was de term, die alleen uit de mond van Jezus voorkomt, een gangbare omschrijving om de eerste persoon enkelvoud aan te duiden. Het zou dan ook geen enkele band met Dan 7 hebben. Dat schijnt ingang gevonden te hebben; de Willibrordvertaling geeft ‘iemand die op een mens geleek’.

  3. Gert M. Knepper

    ‘(Iemand) die op een mens geleek’ is een prima weergave voor het Aramese ‘ k’bar enasj’ (lett. ‘als een zoon van een mens’, ‘mensenzoon’) in Dan. 7.13, vgl ook de NBV21: ‘die eruit zag als een mens’. Maar dat diezelfde term, door de evangelisten in de mond van Jezus gelegd, ‘geen enkele band met Dan 7’ zou hebben is niet vol te houden; alleen al het gegeven dat de Mensenzoon uit Dan. 7 ‘met de wolken van de hemel’ arriveert, en de Mensenzoon van Marcus (14:62) precies hetzelfde zal doen, toont aan dat het in beide gevallen om dezelfde eschatologische figuur gaat. Tenzij er een hele kudde Mensenzonen rondliep die allemaal met de wolken van de hemel zouden arriveren natuurlijk.

  4. Robbert

    Interessant weer voor liefhebbers van JvN- en vroege-christenen-discussies.
    De reactie van Gert M. Knepper gaat – wellicht onbedoeld – allereerst over de historische Jezus (“Jezus claimde” – of niet) en JvN blijf ik interessant vinden als eerste veroorzaker van het christendom. Van de bibliotheken daarover geschreven heb ik maar snippers gelezen, die erop neerkomen: hij bestond, liep toen ongeveer daar en daar rond en heeft waarschijnlijk een aantal uitspraken gedaan die lijken op wat opgeschreven is in het NT.
    Dus zeer lastig om te speculeren over claims van JvN en hoe hij zichzelf beschouwde, al kan ik de redeneringen van Knepper daarna wel volgen.
    Het NT is geschreven in de context van een opbloeiend geloof, dat uitsteeg boven de man zelf, met veel citaten uit bestaande joodse religieuze teksten, zo ook Jezus’ antwoord aan Kajafas (“komende met de wolken” van Daniel).
    Allemaal zo bekend als wat en Knepper benadrukt dan ook dat het om verhalen gaat voor de gelovige tijdgenoten waarbij ik zijn (Marcus’) pointe het meest interessant vind: messias plus mensenzoon is de joodse steen des aanstoots, blasfemie dus en doodstraf! los van Romeinse weerzin tegen oproerkraaiers.
    Maar wat het begin van de reactie betreft: Jona had naast “Jezus claimde” toch al het voorbehoud gemaakt: “of aan hem werd toegeschreven”?
    En wellicht had Vermes gelijk en moeten we niet zo diep graven, tenslotte heeft Daniel “met de wolken meekomend” ook maar iets vaags gezien.

    1. Gert M. Knepper

      Ik had, maar wellicht ten onrechte, de indruk dat Jona bedoelde dat Jezus zich ofwel zelf met de Mensenzoon identificeerde, ofwel dat zijn volgelingen dat nog tijdens zijn leven deden. Beide opvattingen zijn m.i. onjuist: de Mensenzoon-titel en bijbehorende functie kreeg Jezus pas na zijn dood.
      Maar laten we vooral Jona zelf daarover horen.

  5. Fried Deelen

    Hallo Gert. Het is niet zo dat Jezus’ volgelingen hem tijdens zijn leven met de mensenzoon identificeerden; het geval is dat hij de mensenzoon-titel en bijbehorende functies pas na zijn dood kreeg. Ik zie de tegenstelling niet. Ik zou zeggen, de eerste volgelingen wisten dat Jezus, als hij het over zichzelf had, bij voorkeur ‘de mensenzoon’ zei, en daar maakten ze later, vooral ogv Dan 7, een eindtijdstitel van. In de mond van Jezus had het daar dus geen enkele band mee. Zo moeilijk is het volgens deze mensenzoon niet.

  6. Gert M. Knepper

    Hoi Fried, Dank voor je reactie.
    Natuurlijk is het mogelijk dat Jezus als hij het over zichzelf had, soms of bij voorkeur of altijd ‘de mensenzoon’ zei. Dat kan. Maar ik vind de combinatie van hypothesen nogal gekunsteld worden als je 1) aan moet nemen dat Jezus naar zichzelf verwees als ‘de mensenzoon’ in de betekenis van ‘ik’; 2) dat enerzijds die Aramese manier van naar jezelf te verwijzen heel gewoon was, maar anderzijds door de Griekse vertalers als zo bijzonder werd ervaren dat ze hem letterlijk overnamen waardoor hij onbegrijpelijk werd; en 3) die onbegrijpende Griekstalige christenen per abuis meenden dat Jezus zichzelf identificeerde met de Mensenzoon uit Daniël 7.
    Daar komt nog bij dat jouw hypothese suggereert, dat de verschuiving van Jezus als mensenzoon naar Jezus als Mensenzoon dus plas plaats kon vinden in het Griekstalige christendom; voor Arameestalige christenen was het gebruik van het woordje ‘mensenzoon’ om naar jezelf te verwijzen immers geen probleem. Maar de verwachting van Jezus’ parousie, die het resultaat is van de identificatie van Jezus’ met de eschatologische Mensenzoon uit Daniël vinden we al terug in de oudste lagen van de christelijke traditie: Marcus, Q en Paulus. Hij zal dus dateren uit het vroegchristelijke Arameestalige jodendom, terwijl de identificatie van Jezus als de eschatologische Mensenzoon per definitie nog daarvóór moet hebben plaatsgevonden.
    Bovendien: als Jezus iets was, dan was hij een aanzegger van het komende Rijk van God, een eschatologisch prediker dus. Maar in jouw hypothese zijn nu juist al die keren dat Jezus het over de eschatologische gebeurtenis van de ‘(op de wolken) komende M/mensenzoon’ latere fictie.
    Mijn hypothese “de Mensenzoonteksten in het NT gaan althans ten dele uiteindelijk terug op Jezus’ eigen eschatologische prediking over de komende eschatologische Mensenzoon (en daarmee bedoelde J. dus niet zichzelf)” is niet alleen prima voorstelbaar en daarmee minstens plausibel, maar ook simpeler dan die van jou/Vermes. Het scheermes van Ockham, zeg maar.
    Maar ik vind ‘eindheidstitel’ een vondst!

Reacties zijn gesloten.