De verledens van Spanje (3)

Romeins en Arabisch Spanje bij elkaar in Málaga

Wat ik met de twee voorgaande blogjes (een, twee) heb willen vertellen, is dat het beeld van het verleden van Spanje verandert doordat de wind uit een andere politieke en culturele hoek is gaan waaien, wat een beetje de dagelijkse omgang is met het verleden, terwijl er tegelijk ook echte wetenschappelijke ontwikkelingen zijn: nieuwe technieken, nieuwe vragen, nieuwe data, nieuwe onzekerheden, nieuwe hypothesen. Die leiden overigens en gelukkig niet meteen tot nieuwe conclusies.

Je mag voor de toekomst verwachten dat onderzoekers, nu er allerlei nieuwe bioarcheologische technieken zijn, zullen gaan kijken naar de routes waarlangs herders hun kuddes verweidden. Mij zou het niet verbazen als vee over grotere afstanden blijkt te zijn verplaatst dan we zouden verwachten aan de hand van de bekende cañadas, want dat is in elk geval elders in Europa bewezen: denk aan de Romeinse herders die van Schotland naar Zuid-Engeland kwamen. Dat documenteert dan ook weer de verspreiding van ideeën. De DNA-revolutie is vooral een hermeneutische revolutie, net wat u zegt.

Lees verder “De verledens van Spanje (3)”

De verledens van Spanje (2)

Een Dressel-20-amfoor (Archeologisch Museum, Córdoba)

Het is niet voor niets dat we wetenschappers en erfgoedspecialisten faciliteiten bieden. We krijgen daar als samenleving immers iets voor terug. Dat kan bijvoorbeeld ontstaansgeschiedenis zijn, zoals ik in het vorige blogje illustreerde aan de hand van de visies op het Spaanse verleden: eerst was er een frame waarin de maatschappelijke, linguïstische, religieuze en nationale eenheid centraal stond, de afgelopen halve eeuw groeide een beeld dat meer ruimte liet aan variatie. Volgden oudheidkundigen en mediëvisten aanvankelijk een door nationalistische historici bepaalde visie, ook na 1975 volgden ze andermans agenda. Weliswaar een sympathiekere agenda, maar toch: de wetenschap handelde niet autonoom.

De sociale wetenschappen

Er zijn ook betere manieren om betekenis toe te kennen aan het verleden, ook al is dat voorbij en betekenisloos, en ook al is het door de schaarste van de ambigue archeologische en tekstuele data slecht kenbaar. Eén van die betere manieren is vertellen hoe de samenleving zich ontwikkelde.

Lees verder “De verledens van Spanje (2)”

Een oudheidkundig probleem: vergelijkingstheorie

Vergelijkingstheorie helpt vaststellen wat deze vier koningen vergelijkbaar maakt.

Vandaag een blogje over een probleem waarmee de oudheidkundige disciplines kampen: de onvoldoende uitgewerkte vergelijkingstheorie. Vóór ik daarop inga, eerst even terug naar vorige week. Toen schreef ik over het historisme: het denkbeeld dat alles een eigen, historisch gevormd karakter heeft. Dit maakt het op het eerste gezicht onmogelijk wetmatige verbanden aan te wijzen. Ik schreef:

Unieke evenementen en volken hebben immers niets gemeenschappelijks waarop zulke wetten gebaseerd kunnen zijn. Negentiende-eeuwse historici zochten bij het verklaren van het verleden dus niet naar algemene patronen, maar lieten zich inspireren door de tekstuitleg, en dan vooral door de psychologiserende hermeneutiek.

Anders geformuleerd, oudheidkundigen probeerden het verleden te verklaren door zich in te leven (ein zu fühlen) in de individuele actoren, wat hand in hand ging met een voorkeur voor grotemannengeschiedenis. Het focus op het individu betekende dat er geen vruchtbare samenwerking kon ontstaan met de in de negentiende eeuw groeiende sociale wetenschappen, die immers zochten naar algemeen-menselijke patronen.

Lees verder “Een oudheidkundig probleem: vergelijkingstheorie”

Historisme en grotemannengeschiedenis

Sommige oudheidkundigen willen de grotemannengeschiedenis almaar niet achter zich laten.

Het lijkt een tautologie: we zijn wie we zijn geworden. Desondanks is het geen zinledige bewering. Wie we zijn, hangt immers af van gemaakte keuzes. Omdat die ook anders hadden kunnen uitvallen, zijn “wat als?”-vragen, zelfs al zijn ze zelden echt te beantwoorden, zo fascinerend en belangrijk. Het zijn, curieus geformuleerd, de vragen naar het waarom van ons hoe. Zulke vragen zijn vaak verondersteld als we betekenis toekennen aan het verleden. Toen ik vorige week aangaf dat de Siciliaanse Vespers betekenden dat kalief Qalawun de laatste burchten van de Kruisvaarders kon veroveren, veronderstelde ik dat het ook anders had kunnen lopen.

Historisme

In de negentiende eeuw waren veel historici ervan overtuigd dat alles en iedereen een eigen, unieke karakter had, bepaald door een al even unieke reeks voorafgaande gebeurtenissen. Hierdoor waren alle mensen en alle volken, staten, klassen, rangen en standen anders. Je kon ze, zo vonden de historici, daarom pas echt kennen als je hun ontstaansgeschiedenis kende. Dat alle gebeurtenissen en alle mensen een onvergelijkbaar, door hun geschiedenis bepaald karakter hadden, is één van de betekenissen van het woord “historisme”.

Lees verder “Historisme en grotemannengeschiedenis”

Wat is volkscultuur? (2)

Herders in de bergen

[Eerder dit jaar overleed Hans Overduin, die me een groot aantal blogs naliet over volkscultuur, een onderwerp waar hij graag over vertelde. Hij schreef ook twee stukjes waarin hij uitlegde wat de wetenschappelijke bestudering van de volkscultuur inhield. Gisteren publiceerde ik het eerste van die twee blogjes; vandaag het slot.]

In het vorige blogje over de wetenschappelijke bestudering van de volkscultuur introduceerde ik enkele begrippen en vertelde ik over “de ontdekking van het volk”. Zeer kort door de bocht samengevat: waren in de Middeleeuwen de verschijningsvormen van de menselijke cultuur nog vrij homogeen, later ontwikkelde de elite eigen, verfijnde culturele vormen. De elite eigende zich bovendien de resultaten toe van het natuurwetenschappelijk onderzoek, terwijl het volk min of meer bleef steken in bijgelovige tradities. Zoals gezegd: dit was kort door de bocht.

Lees verder “Wat is volkscultuur? (2)”

Wat is volkscultuur? (1)

De gebroeders Grimm

[Eerder dit jaar overleed Hans Overduin, die me een groot aantal blogs naliet over volkscultuur, een onderwerp waar hij graag over vertelde. Hij schreef ook twee stukjes waarin hij uitlegde wat de wetenschappelijke bestudering van de volkscultuur inhield. Vandaag het eerste van die twee blogjes; morgen het tweede.]

Anders dan eerbiedwaardige disciplines als wiskunde en astronomie, is de bestudering van de volkscultuur een jonge wetenschap. Ze is eigenlijk pas in de tweede helft van de vorige eeuw tot wasdom is gekomen. Dat ging gepaard met vallen en opstaan, waarbij fouten werden gemaakt waar we nog steeds last van ondervinden. Die fouten zijn op zich ook weer spannende materie. Ik ken wetenschappers wier dag je kunt verknallen door in verband met de volkscultuur de term “Germanen” te laten vallen.

Lees verder “Wat is volkscultuur? (1)”

Archeologie als sociale wetenschap

Giorgio de Chirico, Gli archeologi (1927)

Dit stukje gaat over archeologie. En de conclusie gaat over journalistiek. Maar we beginnen bij de historische taalkunde.

Wetmatige verbanden

Lang geleden hadden wetenschapstheoretici het idee dat wetenschap bestond uit waarnemen, het herkennen van patronen of wetmatigheden, en het doen van voorspellingen. Voor een deel werkt het inderdaad zo. De taalkunde herkent bijvoorbeeld dat als een Latijns, Grieks of Oud-Indisch woord begint met een /p/, daar in de Germaanse talen vaak een /v/ of een /f/ stond. Als een nieuwe Germaanse taal zou kunnen worden ontdekt, mogen we aannemen dat het woord voor vader ook daar begint met een /v/ of een /f/.

De klankwetten hebben dus voorspellend vermogen en als het blijkt te kloppen, heet dat corroboratie. In de afgelopen kwart eeuw zijn nogal wat al bekende talen beter beschreven – denk aan de Indo-Europese talen van Centraal-Azië en Anatolië – en zijn ook allerlei nieuwe talen ontdekt, zoals de talen die zijn gedocumenteerd in de tienduizenden pas ontsloten inscripties uit de Arabische wereld. En de klankwetten blijken grosso modo correct. Uiteraard zijn er uitzonderingen, maar daar gaat mijn stukje niet over. Het gaat me er vandaag om dat we hier een visie hebben op het functioneren van wetenschap, die veronderstelt dat onze kennis van onderaf wordt opgebouwd. En dat deze visie bestaansrecht heeft. Ze wordt wel aangeduid als positivistisch, al is dat een term die steeds weer iets anders betekent.

Lees verder “Archeologie als sociale wetenschap”

Na de Zeevolken (2)

[Tweede deel van een bespreking van Eric Cline, After 1177 BC. The Survival of Civilizations; het eerste deel was hier.]

Data, informatie, interpretatie, model

Het oudheidkundig wetenschappelijk proces bestaat, grosso modo, uit vier stappen. We beginnen met het verzamelen van data. Die worden in verband gebracht met andere data en zo veranderen ze in informatie. Dan volgt een eerste interpretatie, waarna we tot slot de grote synthese kunnen schrijven vanuit een vaak sociaalwetenschappelijk model. Dat is ook wat Cline doet. Bij het beschrijven van de tijd na de Zeevolken gebruikt hij resilience theory, ofwel inzichten over de veerkracht van een samenleving. Daarmee is hij de enige niet. Kyle Harper deed het in The Fate of Rome (2017).

Cline benut als leidraad het IPCC-rapport uit 2012, gewijd aan de wijze waarop de mensheid zich kan aanpassen aan veranderend klimaat. Daaraan ontleent hij een helder begrippenapparaat. De Assyriërs, Babyloniërs en Egyptenaren hadden het vermogen om tegenslagen te absorberen, wellicht doordat ze een stabiele agrarische sector hadden (Eufraat, Tigris, Nijl). Voor hun waren de problemen iets waarmee viel om te gaan. (Het onvertaalbare Engelse woord is coping.) De Neo-Hittieten pasten zich aan (adapting) en de Feniciërs en Cyprioten transformeerden zichzelf. De crisis van de een is de kans van de ander. En dat is een aanzienlijk genuanceerder beeld dan het eenzijdige “instorting”.

Lees verder “Na de Zeevolken (2)”

Ibn Khaldun

Standbeeld van Ibn Khaldun in Tunis

Toen ik in mijn boek Vergeten erfenis pleitte voor aandacht voor de oud-oosterse en Arabische bijdragen aan de Europese cultuur, stuitte ik op allerlei interessante geleerden waarvan ik dacht “daar zou ik meer over willen weten”. Denk aan de Ibn Firnas en de Al-Haytham waarover ik onlangs blogde. Of Ibn Khaldun (1332-1406), over wie ik destijds alleen opmerkte dat zijn Muqaddima (“inleiding”) het begin had kunnen zijn van een vorm van sociale wetenschap, maar dat het werk geen navolging kreeg. Ik attendeerde er verder op dat de man zijn werk kon doen dankzij het vorstelijk mecenaat van allerlei vorsten.

Dat mecenaat, dat was zowel de reden waarom de wetenschap kon bloeien als de reden waarom het niet méér werd. Terwijl de wetenschapsbeoefening zich in het Europa van de Nieuwe Tijd ontwikkelde tot een zelfstandige “bedrijfstak” met een financiering die los stond van de wensen van deze of gene vorst, was de middeleeuwse wetenschapper in veel gevallen een hoveling die bedreven was in de kunst der stroopsmeerderij. Wetenschap was geen collectieve en daardoor duurzame activiteit, maar de kwetsbare hobby van enkelingen. Zoals Ibn Khaldun. Dat hij geen navolgers had, zal ermee te maken hebben gehad dat er daartoe ergens een vorst moest zijn die belang stelde in de ontluikende sociale wetenschap. Omdat die ontbrak kreeg Ibn Khaldun pas aandacht in de negentiende eeuw.

Lees verder “Ibn Khaldun”

Perzen, Grieken en pseudohistorici (6)

Aristoteles (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

In het vorige stukje toonde ik hoe Eduard Meyer – het had echter iedereen kunnen zijn – betekenis geeft aan het verleden. We doen dat in feite door “wat als?”-vragen te stellen en te speculeren over gebeurtenissen die niet of wel zouden zijn gebeurd. De vakterm is “contrafactisch”. Als operatie Market Garden in september ’44 zou zijn geslaagd, zou een goed uitgerust Duits leger zich een hongerwinter lang in de Randstad hebben verschanst te midden van een steeds wanhopiger burgerbevolking en was de partijpolitieke vernieuwing heel anders verlopen: je weet het niet zeker en het is onwetenschappelijk, maar het is wel wat betekenis geeft.

In het vorige stukje behandelde ik dat aan de hand van de Perzische Oorlogen. Ik vertelde hoe Weber aantoonde dat het nogal speculatief was dit een beslissend moment te noemen. Er is echter meer te zeggen. De beslissendheid van de Perzische Oorlogen is maar één aspect van een negentiende-eeuwse mythe die in welverdiende vergetelheid was geraakt tot pseudowetenschappers deze in de eenentwintigste eeuw wakker kusten.

Lees verder “Perzen, Grieken en pseudohistorici (6)”