
De discussie ging over het doorgeven van antieke verhalen. Het ligt voor de hand dat die veranderden toen ze nog mondeling waren. U kent vast wel het kleuterschoolspelletje waarbij de kinderen in een kring zitten, het eerste kind het tweede kind iets in het oor fluistert dat die moet doorfluisteren aan het volgende kind, en dat als het bericht de kring rond is gegaan, er een totaal andere boodschap is. Doorgegeven verhalen veranderen bovendien ook als ze op schrift staan. Waren er, opperde een van de discussianten, niet ook aanpassingen gedaan aan de Bijbel?
Mondeling overgeleverde teksten
Eerst even iets over dat mondelinge doorgeven. Ik speelde net vals door het te vergelijken met dat kleuterspelletje. Men had destijds namelijk een manier om de informatie accuraat door te geven: poëzie. Alliteratie, ritme en rijm helpen goed om een korte boodschap intact te houden. De Latijnse bezweringsformule pastores pecuaque salva servassis, “herders en vee, bescherm ze”, gaat terug tot het Proto-Indo-Europees en is een millennium of drie mondeling doorgegeven. Daarbij zijn wat aanpassingen gedaan aan de taal, maar het allittererende zinnetje zelf bleef bewaard.
Een ander voorbeeld: als de plot maar goed is, gaat een verhaal ook lang mee. Dat denken we althans en het klinkt plausibel. Het sprookje van Sjaak en de Bonenstaak is met zekerheid oer-, oeroud (lees maar hier). Het probleem met deze redenering is echter dat we niet weten welke verhalen verloren zijn gegaan. Misschien hadden die wel een veel sterkere plot. En trouwens, wat is dat eigenlijk, een sterke plot? Kortom, mondelinge tradities zijn niet helemáál onbetrouwbaar, maar eigenlijk hebben we er niet voldoende vat op.
Geschreven overgeleverde teksten
Als informatie eenmaal op schrift staat, kunnen we wel zien hoe ze wordt doorgegeven. En inderdaad, er zijn aanpassingen. Omdat de discussie de Bijbel noemde, haal ik daar een voorbeeld uit:
De Heer zette David tegen het volk op met de woorden: “Ga in Israël en Juda een volkstelling houden.”noot
David doet keurig wat hem wordt opgedragen en wordt vervolgens bestraft. Voor de auteur van dit verhaal was dat geen probleem: God is te groot voor de menselijke criteria voor goed en kwaad. Een paar eeuwen later was men daar anders over gaan denken. De auteur van Kronieken past het verhaal aan:
Satan keerde zich tegen Israël en zette David ertoe aan in Israël een volkstelling te houden.noot
Wie nog meer bewerking zoekt, kan Genesis leggen naast Kronieken naast de apocriefe Henochitische literatuur, het Genesis-apocryphon, en Jubileeën, het Boek der reuzen en het Boek van Noach. Ik meen dat het Emanuel Tov, een van de grote kenners van de Dode-Zee-rollen, was die voor dit genre de term “reworked scripture” bedacht. Het simpele punt is: dit was een voorindustriële samenleving, waarin informatie schaars was en hoog werd aangeslagen. Men vond het om die reden belangrijker mensen juist te informeren dan de bedoeling van de auteur correct weer te geven. Men voelde zich daarom vrij de tekst te verbeteren als de opsteller zich, naar de nieuwere inzichten, had vergist. Dat op die manier juist verkeerde informatie kon ontstaan, is ons probleem, niet het hunne.
Zo moeten we ook kijken naar – ik noem eens wat – de antieke wetenschappelijke uitgaven van de homerische poëzie. Niemand bekreunde zich om de dichter zelf, het ging erom een goed gedicht te maken. Ander voorbeeld: de codificatie van het Romeins Recht door keizer Justinianus, waarin alle geldbedragen mechanisch werden aangepast aan de in zijn tijd gangbare valuta.
Hoe erg is dit alles?
Voor ons is dit allemaal wat onhandig, want wij vinden het wel belangrijk te weten wat de precieze woorden van deze of gene auteur zijn. Als er van een bepaalde tekst maar één handschrift is, zullen we nooit weten of er mee is gerommeld. Daarvoor is immers vergelijkingsmateriaal nodig.
Toch zijn er een paar hoopvolle tekenen. Een daarvan is dat we van redelijk wat teksten middeleeuwse kopieën hebben én antieke papyri, en dan blijkt de wildgroei toch niet zo groot te zijn. Een schrijffoutje hier of daar, dat wel, maar als er een standaardtekst was, werd die redelijk nauwkeurig doorgegeven. Niettemin: het blijft een punt van aandacht.

Bert van der Spek gaf toch een paar weken terug een reactie waarin hij aangaf dat poëzie juist helemaal niet zo belangrijk was bij mondelinge overlevering maar juist bij schriftelijke overdracht? (De Ilias). En dat bijvoorbeeld Servische barden verkeerd werden voorgesteld?
Ik heb even moeten nadenken over een antwoord Ben. Ik vermoed dat de homerische epiek een wisselwerking is.
Wat we absoluut zeker weten is dat er in Alexandrië in de derde eeuw v.Chr. een standaard-editie is gemaakt. Die kunnen we perfect reconstrueren omdat er allerlei Byzantijnse handschriften van zijn. Dit is fase vijf.
De vraag is: wat zit daar vóór? Er was – dit is fase drie – een Atheense editie uit het midden van de zesde eeuw, dat weten we ook zeker. Tussen die twee edities zitten geen of wel kleine of grote veranderingen. Fase vier onttrekt zich aan ons begrip.
Dan is er dat wat dáár aan voorafgaat. Het begint met een dichter (fase een) die absoluut stond in een mondelinge traditie. En dan is er een opnieuw onbegrepen fase twee, waarin de geïmproviseerde tekst werd aangepast.
Hier moeten we Van der Speks opmerkingen plaatsen: vanaf de tweede fase zijn er schrijvende dichters aan het werk die de tekst aanpassen. Maar die mensen weten wel wat wordt verwacht. Dus ze kijken naar mondelinge poëzie, zeker in fase twee. In fase vier zal dat minder zijn geweest.
Is er hoop dat we ooit de fasen één tot en met vier kunnen reconstrueren? In principe niet, maar er zijn natuurlijk allerlei tekstvarianten overgeleverd. Niemand zegt dat dat varianten van de Alexandrijnse tekst zijn: ze kunnen teruggaan op de oudere versies.
Ok.