Messias (4)

Ik heb nu geschreven over – hier is het eerste deel – dat het idee van een messias aanvankelijk volkomen seculier was: een ideale heerser uit het Huis van David. Misschien verschijnend in de Eindtijd. Misschien voorzien van een hogepriesterlijke collega. Er zijn nogal wat mogelijkheden. In het Jodendom is echter, anders dan in het christendom, het idee zeldzaam dat deze messias ook de Mensenzoon was die het Laatste Oordeel zou vellen. Het was echter niet ondenkbaar.

Middelaarfiguren

Hier betreden we het terrein van de “middelaarfiguren”. Er zijn teksten waarin verlosser-achtige figuren voorkomen met een bovenmenselijke, hemelse status, alleen ondergeschikt aan God zelf. In de Oorlogsrol treden bijvoorbeeld de engel Michaël en de Lichtvorst op als eschatologische redders.

De Gelijkenissen van Henoch melden dat de Mensenzoon, die “zal zijn als een staf voor de rechtvaardigen en als een licht voor de heidenen”, al bestond vóór de Schepping. De Uitverkorene, zoals degene die het Laatste Oordeel zal vellen ook heet, is dus, om een jargonterm te gebruiken, pre-existent. De hemelse herkomst van zulke figuren blijkt soms uit natuurwonderen: de messias kan bijvoorbeeld mensen doden met zijn vurige adem. (Bar Kochba werd er door zijn vijanden van beschuldigd een kunstje te doen als vuurvreter.)

Lees verder “Messias (4)”

Messias (1)

Maquette van het tempelcomplex in Jeruzalem (Israel Museum, Jeruzalem)

Ik ben begonnen met een reeks om de joodse achtergronden van het Nieuwe Testament uit te werken. Het tweede deel van de Bijbel is immers, net als het eerste, geschreven door joden, Of misschien beter: mensen die niet wisten dat wij hen christenen zouden noemen, een woord dat je zou kunnen vertalen als “volgelingen van de messias”. Beide woorden, messias en christus, betekenen hetzelfde: gezalfde.

Zalving is een oud-oosters ritueel om iets te heiligen. De held van het Mesopotamische Zondvloedepos doopt de ark met een kruikje olie; koningen en religieuze autoriteiten ontleenden hun legitimatie aan hun zalving. Tot zover niets bijzonders. Vanaf de vroege eerste eeuw v.Chr. kenden de Joden echter een heel expliciet verlangen naar een messias, een koning die regeerde met Gods hulp. Dit was een reactie op de regering van de Joodse koning Alexandros Yannai, die zijn land in een burgeroorlog had gestort. Vanaf toen speculeerden Joden over een betere heerser. En wat lag meer voor de hand dan erop te hopen dat deze afkomstig zou zijn uit het Huis van David?

Lees verder “Messias (1)”

Het lot van Henoch

Henochs hemelvaart met het offer van Abel (Cappella Palatina, Palermo)
Henochs hemelvaart met het offer van Abel (Cappella Palatina, Palermo)

Ik vertelde gisteren dat het christendom mede is ontstaan doordat Jezus, die zich als joodse religieuze autoriteit vooral moet hebben beziggehouden met halachische vraagstukken en die geloofde in het nabije einde der tijden, door zijn leerlingen werd beschouwd als een middelaarfiguur van de soort die we ook kennen uit de Henochitische literatuur. (Het binnen het toenmalige jodendom ongebruikelijke idee dat de Messias en de Mensenzoon dezelfde waren, heeft eveneens parallellen in dit materiaal.)

Het is u vergeven als u de Henochitische literatuur nooit heeft gelezen of er niet van heeft gehoord. Toen de rabbijnen in de tweede eeuw n.Chr. vaststelden welke teksten mochten gelden als geïnspireerd, distantieerden ze zich er namelijk van. Niet onbegrijpelijk, aangezien het idee van een tweede godheid een rol speelde in het vroege christendom. Dáár voelde men zich er echter eveneens ongemakkelijk bij en christenen zouden Jezus steeds meer typeren als de tweede persoon van de drie-eenheid. Teksten over een “kleine JHWH” waren daarom ook bij de christenen niet gewenst. Toen ze lijsten begonnen op te stellen van geïnspireerde teksten, verdween Henoch dus ook van de christelijke canon.

Lees verder “Het lot van Henoch”

Een naam boven alle namen

naam

Een tijdje geleden kondigde ik een reeks aan waarin ik zou uitleggen dat de opkomst van het (monotheïstische) christendom en de neergang van het (polytheïstische) heidendom minder eenvoudig in elkaar hebben gestoken dan men wel aanneemt. Door het overlijden van mijn vader heb ik wat onregelmatig geblogd en ben ik niet verder gekomen dan de constatering dat het jodendom, waaruit het christendom is voortgekomen, in de praktijk niet scherp was afgebakend van andere religies en daarenboven zélf ook de optie had van een tweede godheid. Die had dan namen als “de Uitverkorene”, “Mensenzoon”, “Michaël” (“wie is als God?”), “Metatron”, “Lichtvorst” of “Woord van God” en hoewel die namen verschillen, kwam het er, zo beschreef ik, steeds op neer dat God een soort vizier had die de wereld regeerde.

Dit was geen mainstream-jodendom, maar totaal obscuur was het ook niet: het is geattesteerd in het land van Israël én de Diaspora, in rabbijnse teksten én de Dode Zee-rollen. Eén van de plaatsen waarin het denkbeeld is gedocumenteerd, is de zogeheten “Henochitische literatuur”. In 3 Henoch ofwel Sefer Hechalot (“Het boek der hemelse paleizen) krijgt Metatron goddelijke gewaden te dragen, Gods kroon én de naam van God. Als “kleine JHWH” is hij degene die de wereld bestuurt.

Lees verder “Een naam boven alle namen”

Hermeneuse

Schleiermacher (links)

In de vierde of derde eeuw v.Chr. schreef een anoniem gebleven joodse auteur de tekst die bekendstaat als het Boek der wachters, waarin hij enkele verhalen uit Genesis navertelt, bewerkt en uitbreidt. Eén van die verhalen is dat over de “zonen der goden” (Genesis 6.1-4), die verliefd werden op de dochters van de mensen. De auteur van het Boek der wachters verandert deze vervaarlijk naar polytheïsme riekende “zonen der goden” in engelen en vertelt hoe zij de mensen allerlei slechtigheid leerden, zoals wapens, alchimie, sieraden en cosmetica, overspel, astrologie en misleiding.

De mensheid lijdt hieronder maar wordt op bovennatuurlijke wijze bevrijd. Zoals ik al eens eerder vertelde, wordt de leider van de opstand, Azazel, bestraft doordat hij zeventig generaties gevangen zit in een met rotsen afgesloten kuil in een woestijn. Met deze mythe, die ik in samenvatting bepaald geen recht doe, verklaart het Boek der wachters hoe het kwaad in de wereld is gekomen. Van een “zondeval” die zou hebben plaatsgevonden toen Adam en Eva ondanks een goddelijk verbod aten van de “boom van kennis van goed en kwaad” had de auteur van het Boek der wachters niet gehoord. Sterker nog, niet één auteur van een tekst in de joodse Bijbel leest het Paradijsverhaal als een verhaal over de eerste zonde.

Lees verder “Hermeneuse”