[Tweede deel van een blogje over Gallia Narbonensis, ofwel de Provence in de Romeinse tijd. Het eerste deel was hier.]
Keizertijd
Een geschiedenis van Gallia Narbonensis in de Keizertijd is een standaardverhaal. Het Romeinse Rijk, gevestigd met Blut und Eisen, garandeerde rust. Gallia Narbonensis behoorde in deze wereld tot de “binnencirkel” van de Romeinse provincies, wat inhield dat zo’n provincie meer belastingen betaalde dan de Romeinse overheid investeerde. Het was een wingewest. In de buitencirkel, waar de kostbare grenslegers waren gestationeerd, was dat andersom: daar gaf de overheid meer uit dan het aan belastingen binnen haalde.
Het Rijk van Toulouse, waaraan ik mijn vorige blogje wijdde, was expansief. Aan de gebieden in Aquitanië die Theodorik I toegewezen had gekregen, voegden hij en zijn opvolgers het nodige toe. Ze hadden vooral belangstelling voor de Languedoc ofwel Septimania, waar ze toegang zouden krijgen tot de Middellandse Zee. Het was van begin af aan het beleid van de keizer (of wie er in Italië ook maar beleid maakte) om de verovering van Septimania te verhinderen, maar in 461 verwierf Theodorik II de voornaamste stad Narbonne desondanks toch. De Visigotische vorsten wisten bovendien de hand te leggen op andere delen van Zuidwest-Frankrijk.
Tegelijk speelden ze een belangrijke rol in de verdediging van het Romeinse Rijk tegen minder geromaniseerde volken, waarvan de Hunnen het opvallendst zijn: in 451 vochten Visigotische troepen op de Catalaunische Velden voor de Romeins generaal Aetius tegen Attila. Niet veel later steunde Theodorik II keizer Avitus (r.455-457) door op het Iberische Schiereiland te strijden tegen de Sueben, die zich moesten terugtrekken naar Galicië in het noordwesten. De les die de Visigoten leerden was dat Iberië klaar lag om te worden veroverd.
In Toulouse geslagen munt van Valentinianus III (Residenzschloss, Dresden)
Achteraf geloof ik dat er, toen ik kort na 1990 een afstudeerscriptie schreef waarin ik de romanisering van het Iberisch Schiereiland vergeleek met de arabisering, iets gaande was dat je zou kunnen aanduiden als het ontstaan van een nieuwe visie op laatantiek Iberië. Je zou het zelfs een revolutie mogen noemen, als die term niet zo vaak werd misbruikt. Feit is dat een traditioneel beeld werd omgekeerd en dat daarbij twee boeken centraal stonden: Roger Collins’Early Medieval Spain (1983) en zijn The Arab Conquest of Spain, 710-797 (1989).
Het waren geen volmaakte boeken. Collins had de neiging economische factoren te bagatelliseren, met de overigens overtuigende toelichting dat er over bijvoorbeeld de belastingheffing in het Rijk van Toledo weinig méér bekend was dan dat ze had bestaan. Toch heb ik de boeken met veel plezier gelezen, niet het minst omdat Collins lef toonde en alles op z’n kop zette. Eerdere auteurs hadden laatantiek Iberië getypeerd als een geïsoleerd gebied; Collins benadrukte het tegendeel. Eerdere auteurs hadden beweerd dat het Rijk van Toledo gescheiden rechtsstelsels voor Germanen en Romeinen had gehad, volgens Collins was het één rechtssysteem.
Het missorium van Theodosius, met naast hem Valentinianus II en Arcadius: drie keizers in oost en west (Archeologisch Museum, Mérida)
Het zestiende hoofdstuk van het handboek van De Blois en Van der Spek zou beter in tweeën gesplitst kunnen worden.noot Net als het voorgaande, dat beter verdeeld kan worden in een hoofdstuk over het politieke systeem van de Vroege Keizertijd en een hoofdstuk over sociale, economische en religieuze aspecten. De eerste helft van hoofdstuk zestien zou dan kunnen gaan over de Crisis van de Derde Eeuw tot en met Constantijn, en de tweede helft zou dan de Late Oudheid behandelen.
Periodisering
Een eerste punt is hier dat van de periodisering. De geleerden van de Renaissance introduceerden een drieslag: eerst was er de Oudheid (goed), toen waren er de Middeleeuwen (niet goed) en tot slot was er de Nieuwe Tijd, waarin men aansluiting zocht bij de Oudheid. Die verdeling is sindsdien grotendeels gehandhaafd, maar is uiteraard problematisch. Elke begrenzing schept grensgevallen. De laatste tijd leggen historici vooral de nadruk op de continuïteit van Constantijn tot Karel de Grote en schuiven ze de late Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen ineen tot een nieuw tijdvak, de Late Oudheid. Daarna beginnen de Arabische en Latijnse bronnen even rijk te stromen als de Griekse en is er definitief een einde gekomen aan de Oudheid, die we definiëren als de tijd waarin we naast de archeologie wel bronnen hebben maar onvoldoende voor echte geschiedschrijving.
Een van de leuke dingen van de taalkunde is dat de “great divide” die de Romeinse literatuur teistert, hier niet bestaat. Er is geen of weinig verschil tussen het Grieks van de heidense auteur Libanios en zijn christelijke tijdgenoot Gregorios van Nazianze. Ambrosius begreep prima wat Symmachus schreef.
Een altaarsteun uit Córdoba (Archeologisch museum, Córdoba)
Een kleine twee weken geleden maakten archeologen van de Amsterdamse Vrije Universiteit bekend dat er bij Lienden gouden munten waren gevonden die nieuw licht wierpen op de wijze waarop de Frankische koning Childerik de macht in het noordwesten van het Romeinse Rijk had kunnen overnemen. De Romeinse keizer Majorianus had – vermoedelijk over de twee schijven van generaal Aegidius en een Frankische heerser als Childerik – rond het jaar 460 goud betaald om een Frankisch leger voor zich te winnen en daarmee de Romeinse macht in Gallië te herstellen. Ik beschreef hier en daar hoe het latere Frankische koninkrijk is gegroeid uit het netwerk dat de Romeinen bij die gelegenheid met hun goud versterkten.
De Frankische staat is dus te beschouwen als voortgekomen uit het Romeinse Rijk. Net als het Byzantijnse Rijk. Net zoals de continuering van de Romeinse cultuur in de halfwoestijn van Libië waarover ik al eens schreef. En net als het koninkrijk dat een van oorsprong Visigotische groepering stichtte op het Iberische Schiereiland. Het verhaal van deze groep is soms parallel en soms tegengesteld aan dat van de Franken.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.