
Archeologische vondsten zeggen eigenlijk maar weinig. Ze moeten worden geïnterpreteerd: die scherven vormden ooit een kruik, die kruik bevatte olijfolie, de klei van die kruik komt uit de vallei van de Guadalquivir, en omdat ze is opgegraven in Rome duidt die kruik op handel. Maar ook zo’n geïnterpreteerde vondst is niet waarom wij, als samenleving, de mogelijkheid garanderen dat wetenschappers hun intellect, tijd en energie besteden aan archeologie. Wat kan het ons immers schelen dat Rome negentien eeuwen geleden Spaanse olijfolie importeerde? Wat hebben wij, om met Halbe Zijlstra te spreken, aan opgegraven potten en pannen, geïnterpreteerd of niet?
Die vraag kunnen we ook stellen bij historische gebeurtenissen. U en ik worden niet gelukkiger of wijzer als we weten dat in de late eerste eeuw na Chr. de Romeinse gemeentewetten in Spanje volgens een standaardmodel zijn geharmoniseerd. Er is méér nodig om zulke gegevens betekenis te geven. De resultaten van archeologisch en historisch onderzoek, en ook dat van het onderzoek van classici, krijgen pas zin als ze in een groter kader zijn geplaatst.
Ontstaansgeschiedenis
Eén zo’n kader, populair in de negentiende eeuw maar niet per se onzinnig, is dat van de ontstaansgeschiedenis. In deze visie wordt het verhaal over het verleden zó verteld dat het vooruit lijkt te wijzen naar het heden, dat het zodoende tegelijk legitimeert. Voor Spanje was dat lange tijd een verhaal over een eenheid die was geschapen in de Oudheid, toen de Romeinen één romaanse taal oplegden en het stedelijk landschap schiepen, en toen het Rijk van Toledo het gehele Iberische Schiereiland beheerste. Laatstgenoemde eenheidsstaat was christelijk geweest, en de herinnering hieraan was altijd aanwezig gebleven.
De Arabische invloed op Spanje was in deze visie slechts oppervlakkig geweest; niet alleen was de Spaanse islam wezenlijk anders dan die in de kerngebieden, maar in het Emiraat van Córdoba zouden ook altijd vitale christelijke minderheden hebben bestaan. Tegelijk zouden het noordelijke koninkrijk Asturië en zijn opvolgerstaten altijd het Rijk van Toledo hebben willen herstellen. De eenwording van de christelijke koninkrijken Castilië en Aragón en de onderwerping van het islamitische Granada (1492) waren daarom eigenlijk onvermijdelijk geweest. Het waren simpelweg uitingen van de Spaanse nationale identiteit. Tot de meest uitgesproken verdedigers van deze visie behoorde Claudio Sánchez-Albornoz, die van 1962 tot 1971 premier was van de Spaanse republikeinse regering in ballingschap.
Een geschiedbeeld als dit beschrijft hoe de eigen groep is ontstaan. Zolang de continuïteit sociaalwetenschappelijk en overtuigend is bewezen, is daar niets mis mee, maar er is ook een nadeel: er is geen ruimte voor wat afwijkt. In dit voorbeeld is er nauwelijks ruimte voor de groepen Basken en Catalanen die zichzelf niet beschouwen als Spanjaarden. Het beschreven geschiedbeeld laat ook weinig ruimte aan joden, moslims en niet-katholieke christenen.noot
Aanpassing
Alle geschiedbeelden veranderen. Daarbij spelen allerlei factoren een rol, waaronder nogal wat factoren die eigenlijk geen rol mogen spelen, zoals politieke wenselijkheid of selectief verworven extra data. Zo ook in Spanje. Het geschetste beeld was nationalistisch en katholiek, en hoewel het niet per se rechts was, was het wel de dood van Franco die ruimte schiep voor andere visies, waardoor het idee van “één Spanje” werd genuanceerd. Het perspectief verschoof naar convivencia, middeleeuws Spanje als verzameling samen levende culturen. Het is te lezen als een erkenning van de Baskische en Catalaanse identiteit. Deze omslag had dus iets te maken met de veranderde politieke windrichting, en dat gold eveneens voor de gegroeide aandacht voor El-Andalus.
De jaren tachtig zagen ook een uitbreiding van het archeologische databestand. Niet alleen was er ruilverkaveling in Andalusië, maar ook veranderden projectontwikkelaars de Spaanse costa’s in een vastgoedparadijs, waardoor er eindeloos veel vondsten kwamen uit het gebied langs de Guadalquivir en uit de kustregio. Zo kwam er aandacht voor de vroege verstedelijking van Spanje, vóór de komst van de Romeinen. Die is een feit, maar bedenk: heuvelforten en stedelijke nederzettingen zijn makkelijker te vinden dan herders die hun kuddes verplaatsen over de eeuwenoude cañadas. De toegevoegde data waren dus selectief: ze documenteerden grote nederzettingen, maar niet de rest van de toenmalige wereld, en het ging vooral over Andalusië en de Iberische kuststrook. (Dat is een van de redenen waarom de huidige opgraving van Turuñuelo, die ik al eens aanstipte, vlakbij de Portugese grens, zo belangrijk is.)
Anders gezegd: de perspectiefwisseling die rond 1975 inzette, is politiek of cultureel bepaald en inhoudelijk niet zo best onderbouwd.noot In het jargon van de wetenschapsleer: de context of discovery is alleszins begrijpelijk, maar er zijn vraagtekens te plaatsen bij de justification of discovery. (U mag “perspectiefwisseling” lezen in plaats van discovery.)
Zelfde tijdvak
Wonderful worldmei 19, 2015
Explosie in Beiroetaugustus 4, 2020
Van Giffen, bioloog en archeoloogaugustus 29, 2020

“nadeel: er is geen ruimte voor wat afwijkt”
Even wat natte vingerwerk. Ik vind dit raar. Waarom zouden allerlei ontstaansgeschiedenissen niet naast elkaar kunnen bestaan? En elkaar aanvullen? Ik ben nogal eens verhuisd in mijn leven. Dus ik weet uit eigen ervaring hoe de Romeinen allerlei identiteiten met elkaar konden combineren. Overal waar ik kwam te wonen leerde ik een nieuwe ontstaansgeschiedenis en die mengelmoes heeft in hoge mate mijn huidige identiteit bepaald.
Ik weet dat het werkt zoals JonaL beschrijft. Maar, alweer, ik vind dat raar.
Dit is overigens geen pleidooi voor de terugkeer van de ontstaansgeschiedenis als primair kader. Naar mijn onbescheiden mening hoeft perspectiefwisseling maar op één manier gerechtvaartdigd te worden: draat ze bij aan onze kennis en begrip?
Ik hink op meer dan twee gedachten, want er zijn inderdaad diverse kanttekeningen te plaatsen. Ik denk wel dat ik zelf de nadruk wil leggen op het vaststellen van wat ik met een ouwerwetse term “feiten” noem. Iemand in Panama, Kyoto en Bamako kunnen het eens zijn over het feit dat de geallieerden de slag om Arnhem niet wisten te winnen. Die kennis verbindt ons, en ik zou daarop de nadruk leggen.
Het probleem ontstaat op het moment dat we die feiten betekenis gaan geven. De oude ontstaansgeschiedenissen zijn voor iedereen anders en verbinden niet. De nadruk leggen op speciale perspectieven (“een Afrikaanse geschiedenis van Afrika”) is evenmin verbindend. Ik zie weinig voordelen in poststructuralistische benaderingen, al herken ik dat de onderliggende kritiek op de kentheorie correct is.
Wat mijns inziens het meest vruchtbaar is, is de oude samenlevingen als samenleving doorgronden en ontwikkelingspaden te begrijpen. Niet alleen overstijgen we dan de beperkte perspectieven, maar we krijgen ook vat op het heden.
En ja, de samenlevingstypen zijn ooit ontworpen door West-Europese mannen van een zekere leeftijd. En natuurlijk hebben die fouten gemaakt. Natuurlijk zijn er beperkingen. Natuurlijk zijn we anderhalve eeuw verder. Ik ken de beperkingen en de kritiek. Maar dit lijkt mij de beste (of minst slechte) weg voorwaarts.
“om met Halbe Zijlstra te spreken”
Er komt een moment dat lezers niet meer zullen weten wie HZ is. En dan gaan ze het opzoeken. Je maakt die man nog beroemd.
“toen de Romeinen één romaanse taal oplegden”
Wanneer is dat ooit gebeurd? Latijn was de ambtelijke taal in dit deel van het rijk (Grieks in andere delen), maar het werd nergens opgelegd, afgedwongen of onderwezen van staatswege. Het was natuurlijk handig om het te leren, maar aangezien we nog in vijfde-eeuws Gallië op meerdere plaatsen zien dat de eerste taal een vorm van Keltisch was, ondanks meer dan vijf eeuwen ‘opgelegd Latijn’, is duidelijk dat dit geheel vrijwillig was.