De verledens van Spanje (1)

Het beeld van Leovigild, vóór het koninklijk paleis in Madrid, claimt de laatantieke vorst als voorloper van de koningen van Spanje.

Archeologische vondsten zeggen eigenlijk maar weinig. Ze moeten worden geïnterpreteerd: die scherven vormden ooit een kruik, die kruik bevatte olijfolie, de klei van die kruik komt uit de vallei van de Guadalquivir, en omdat ze is opgegraven in Rome duidt die kruik op handel. Maar ook zo’n geïnterpreteerde vondst is niet waarom wij, als samenleving, de mogelijkheid garanderen dat wetenschappers hun intellect, tijd en energie besteden aan archeologie. Wat kan het ons immers schelen dat Rome negentien eeuwen geleden Spaanse olijfolie importeerde? Wat hebben wij, om met Halbe Zijlstra te spreken, aan opgegraven potten en pannen, geïnterpreteerd of niet?

Die vraag kunnen we ook stellen bij historische gebeurtenissen. U en ik worden niet gelukkiger of wijzer als we weten dat in de late eerste eeuw na Chr. de Romeinse gemeentewetten in Spanje volgens een standaardmodel zijn geharmoniseerd. Er is méér nodig om zulke gegevens betekenis te geven. De resultaten van archeologisch en historisch onderzoek, en ook dat van het onderzoek van classici, krijgen pas zin als ze in een groter kader zijn geplaatst.

Lees verder “De verledens van Spanje (1)”

De Dame van Elche

De Dame van Elche (Nationaal Archeologisch Museum, Madrid)

Ik heb nog nooit iemand ontmoet niet onder de indruk was bij het zien van een afbeelding van de Dame van Elche. Niet dat ik dit heb getoetst door middel van een representatief bevolkingsonderzoek, maar alleen al uit het afgelopen halve jaar herinner ik me een stuk of vijf mensen die zich er ongevraagd positief over uitlieten.

Ontdekking

Het beeld is in 1897 gevonden bij Elche (of Elx, zoals men ter plekke zegt), waar een antieke stad lag die de Grieken Helike noemden en de Romeinen Ilici. Lange tijd is beweerd dat de ontdekker een veertienjarige jongen was die Manuel Campello heette. Zo’n verhaal past goed bij het slappe format “niet-archeoloog doet ontdekking en zorgt dat het bij de autoriteiten komt en het blijkt belangrijk en nou is de wetenschap heel erg blij”. Archeologen gebruiken dit format graag om mensen ervan te overtuigen vondsten te melden. Dat die vondsten zelden werkelijk belangrijk zijn, wordt er nooit bij gezegd, en ik voel me altijd ongemakkelijk als ik weer lees dat een kind, een wandelaar of een soldaat die een schuttersputje aan het graven was, een vondst deed en meldde. Wetenschappelijke persberichten zijn er om te informeren, niet om te nudgen.

Lees verder “De Dame van Elche”

Tartessos

Armband uit El Carambolo (Nationaal archeologisch museum, Madrid)

Ergens rond het midden van de zesde eeuw v.Chr. naderde een Perzisch leger de Griekse stad Fokaia in Ionië, in het westen van het huidige Turkije. Als Herodotos het daarover heeft, last hij een van de uitweidingen in die zijn werk zo onderhoudend maken.

De Fokeeërs zijn de eerste Grieken geweest die verre zeereizen hebben ondernomen. Het is aan hen te danken dat de route naar de Adriatische Zee, Etrurië, Iberië en Tartessos bekend is geworden. … Op een van hun tochten zijn ze dus in Tartessos beland. Hier kwamen ze op goede voet te staan met de plaatselijke heerser, een zekere Arganthonios, die niet minder dan tachtig jaar heeft geregeerd en al met al honderdtwintig jaar oud is geworden. Hij is zo op ze gesteld geraakt dat hij hun in het begin zelfs heeft aangeraden om Ionië voorgoed te verlaten en zich in zijn rijk te vestigen, ze mochten zelf een plaats uitkiezen. De Fokeeërs gingen hier niet op in.noot Herodotos, Historiën 1.163; vert. Van Dolen.

Lees verder “Tartessos”

De persoonlijke faits divers (39)

Opgraving in Turuñuelo (©IAM-CSIC)

Deze aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, de negenendertigste alweer, bevat vooral nieuws dat eigenlijk totaal onbelangrijk is en vermoedelijk alleen mijzelf boeit (Apeldoorn), inspireert (vissaus), irriteert (Egypte), fascineert (Tartessos) en vleit (doorlezen tot het einde).

***

Apeldoorn

Wie van Barneveld naar Apeldoorn fietst, komt over de Asselse Heide. Daar zijn nog de kuilen te zien waar mensen ooit de klapperstenen vonden waaruit ze ijzeroer wonnen. De Veluwse beekjes en de later aangelegde sprengen zijn eveneens ijzerhoudend.noot Ik hoorde nog vorige week iemand vertellen dat haar broer ergens in de jaren zeventig in het ijzerhoudende water was gevallen en dat diens kleren niet meer schoon te wassen waren. Aan de andere kant van Apeldoorn, in de richting van de IJssel, lagen drassige gebieden, waar moeraserts werd gewonnen. Omdat de plek dus quasi-letterlijk drijft op ijzer, speculeerden de medewerkers van het toenmalige archeologisch museum Moerman een halve eeuw geleden dat het erts via Apeldoorn verhandeld moest zijn geweest met het Romeinse leger, dat gestationeerd was aan de Rijn bij Arnhem. Het was immers slechts een dag lopen van producent naar consument.

Lees verder “De persoonlijke faits divers (39)”