Dooie stenen

Taxila-Sirkap: Boeddhistische stupa met korinthische pilasters.
Taxila-Sirkap: Boeddhistische stupa met korinthische pilasters.

Als deze blogpost geautomatiseerd online gaat, ben ik in Tasjkent, de hoofdstad van Oezbekistan. Vermoedelijk ben ik gebroken van een nachtvlucht met een overstap in Istanbul, heb ik allerlei douaneformaliteiten achter de rug en probeer ik, als u dit leest, nog wat slaap in te halen in mijn hotelkamer. Ik ben wel eens makkelijker op reis geweest. Waarom doe ik dit? Waarom heb ik mijn (uitstekende) agent het leven zuur gemaakt met verzoeken om onmogelijke vergunningen? Waarom heb ik de afgelopen weken geprobeerd vat te krijgen op de complexe geschiedenis van een land waarmee ik weinig aanknopingspunten heb? Waarom, als ik ook gewoon thuis kan zitten met een boek en een biertje erbij? Of, zoals een bevriende classicus gekscherend zei: “Waarom waag je je leven voor een paar dooie stenen? Dat zal ik wel nooit begrijpen.”

“Because it’s there,” citeerde ik, maar dat is natuurlijk geen echt antwoord. De echte reden is echter heel serieus: omdat ik de klassieken beter wil begrijpen.

Nu kun je zeggen dat het dan toch eenvoudiger is om – al dan niet met een biertje erbij – Sofokles of Seneca te lezen. Is het niet beter de kern van de klassieken te bestuderen? Die benadering heeft minimaal als voordeel dat je je een nachtvlucht naar Tasjkent kunt besparen.

Het probleem – als dat het woord is – is dat Sofokles en Seneca woonden in Athene en Rome. De mensen die ze daar ontmoetten, deelden ruwweg hun waarden, hun dilemma’s, hun ideeën en (aangezien beide heren redelijk welvarend waren) hun status en hun opleiding. Ze konden die zaken allemaal voor vanzelfsprekend aannemen. Ze werden zelden gedwongen aan te geven wat hun cultuur nu eigenlijk betekende, welke waarden belangrijker waren dan andere, welke artistieke motieven er nou echt toe deden, welke ideeën de moeite van het verdedigen waard waren. Om dát te begrijpen, moeten we de gebieden bezoeken waar zulke zaken niet vanzelfsprekend waren. Langs de Rijn en Donau. De boerderijen in de woestijn van Tripolitanië. Griekse koloniën in de Punjab of Oezbekistan.

Ik zal niet beweren dat ik de antwoorden heb gevonden, maar het is me wel opgevallen dat de mensen die leefden aan de periferie van de oude wereld, echt hun best deden om één aspect van de klassieke beschaving te handhaven, en dat is ook het aspect dat in Europa tijdens de Renaissance het eerste werd hernomen: de architectuur. De bewoners van Taxila in het huidige Pakistan bleven bijvoorbeeld Griekse decoratieve elementen benutten in hun heiligdommen, ook al hadden ze de Griekse culten allang ingeruild voor het boeddhisme. Architecturale vormen waren belangrijker dan de geloofsinhoud.

We zien hetzelfde bij de eerste christenen: ook al hadden ze een nieuw en ongebruikelijk geloof, ze wilden zich presenteren als beschaafd en kozen dus klassieke uiterlijke vormen zoals basilica’s die ze versierden met zuilen met klassieke kapitelen.

Wat die nadruk op uiterlijkheden betekent, weet ik niet. De makkelijke conclusie dat de inhoud minder belangrijk was dan de vorm kan juist zijn, maar is misschien iets té makkelijk. In elk geval: ik denk dat er aan de periferie, waar niets vanzelfsprekend was en keuzes moesten worden gemaakt, iets te ontdekken valt over het centrum.

In de zandstenen sculptuur uit Mainz, Xanten of Nijmegen zie je hoe een beeldhouwer zijn Romeinse identiteit bevecht. Niet bij de gelikte Doryphoros of Apoxyomenos. Of vergelijk het vanzelfsprekende gemak waarmee de klassieke auteurs Latijn schreven met de worsteling waarmee Karel de Grote zich probeert uit te drukken in zijn capitularia – ik blogde er al eens over.

Goethe schijnt eens te hebben gezegd of geschreven dat cultuur behoort aan degenen die ervoor hebben gevochten. Omdat ik het citaat niet precies ken, weet ik niet goed wat Goethe ermee heeft bedoeld, maar ik vermoed dat hij dit heeft willen zeggen: anders dan degenen die het allemaal is komen aanwaaien, begrijpen de mensen die inspanning hebben moeten leveren om deelgenoot te worden aan een cultuur, de waarde ervan.

En voor hen vlieg ik dus naar Tasjkent om dooie stenen te bekijken.