[Dit is het tweede deel van Josine Schrickx’ blogje over de vroegste teksten over de Baiuvari, de zesde-eeuwse bewoners van wat nu Beieren heet. Het eerste was hier.]
Fredegar
Bij de volgende passage uit het lemma in de Thesaurus Linguae Latinae bevinden we ons buiten de eigenlijke tijdsgrens van dat project, die ligt rond 600 na Chr. Het komt volgende fragment komt uit de Kroniek van Fredegar, die dateert uit de tweede helft van de zevende eeuw:
West-Europa, dus zeg maar onze cultuur, is ontstaan in de Frankische tijd. Zoals Jeroen Wijnendaele onlangs in zijn boek over koning Clovis benadrukte, ontstond in de Late Oudheid een politieke eenheid die niet primair op de Middellandse Zee was gericht. Onze taal (ons meest identiteitvormende erfgoed) stamt af van het Frankisch, de oudste laag in onze literatuur is Frankisch, het christendom verspreidde zich in de Frankische tijd. Maar hoe is de kerstening verlopen?
Er zijn allerlei vrome legendes, waarvan iedereen eigenlijk ook wel weet dat het alleen maar vrome legendes zijn. Elk mirakelverhaal veronderstelt immers dat de lieve god de natuurwetten opschortte ten behoeve van deze of gene patiënt, en zoiets hoeven we zelfs niet te overwegen. Tegelijk: op een zeker moment was het christendom aanwezig en het moet ergens vandaan zijn gekomen. En ook: sommige gebeurtenissen zijn voldoende gedocumenteerd om plausibel te zijn. Het lijdt bijvoorbeeld geen twijfel dat bewoners van Oostergo in 754 of 755 aan de Boorne een Frankisch leger hebben aangevallen en dat daarbij de stokoude aartsbisschop Bonifatius van Mainz om het leven kwam.
Toen Romulus Augustulus in 476 werd afgezet, was Julius Nepos nog steeds de officiële keizer van het West-Romeinse Rijk (Bodemuseum, Berlijn)
Het handboek van Luuk de Blois en Bert van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, eindigt met een beschouwing over het einde van de Oudheid. Die begint met de opmerking dat het een onmogelijke taak is het einde van het behandelde tijdperk te markeren. Elke periodisering, zo schrijven de auteurs, heeft immers iets onnatuurlijks. Ze geven ook aan dat het jaartal 500 na Chr. alleen maar de gewoonlijke keuze is, en behandelen dan diverse mogelijkheden.
Politiek en religie
Wie kijkt naar de politiek, kan kiezen voor het einde van het Romeinse Rijk, maar dan deugt 500 niet. In plaats daarvan zou je 1453 moeten kiezen, als Mehmet de Veroveraar de laatste Romeinse hoofdstad Constantinopel inneemt. Het einde van het West-Romeinse Rijk in 476 is ook al een rare keuze, schrijven de auteurs, want feitelijk stelde dat politiek al een tijdje niet meer zo veel voor, terwijl de ideologie van de ene wereldheerser nog bleef bestaan. Dus wat wilde het afzetten van Romulus Augustulus zeggen? De Arabische veroveringen in de zevende eeuw vormden volgens de schrijvers wél een belangrijke politieke breuk. Ze geven althans geen redenen waarom het belang van dit proces genuanceerd zou moeten worden. Ik denk: terecht.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.