Dit is het zesde van dertien stukjes over Cornelis de Bruijn. Het eerste was hier.
***
Libanon
Cornelis de Bruijn verliet Jeruzalem op 16 november 1681 en bleef even hangen in Ramla om daar – vandaag 343 jaar geleden – Kerstmis te vieren. Nieuwjaar en Drie Koningen volgden en op 8 januari 1682 was hij weer in Jaffa, waar hij onmiddellijk aan boord van een schip ging. De volgende dag arriveerde hij in Tripoli.
Zoals zoveel zaken in de hellenistische tijd, was de gewoonte steden te stichten een voortzetting van een eerdere praktijk. De vader van Alexander de Grote, Filippos, was de stichter van Filippoi, terwijl drie Fenicische moedersteden Tripoli hadden gesticht. Dit zijn geen koloniën – sowieso een lastig begrip – want Filippoi en Tripoli verrezen niet overzee. Het waren volksplantingen in eigen land.
Het is 2003, het is ergens in de zomer en mijn zakenpartner en ik worden wakker in een hotel in Iskenderun. We lopen naar de eetzaal, waar wat zeelieden zitten te ontbijten. “’Morning, captain!” horen we, “The boat, how is she?” Terwijl ik wat groente op mijn bordje schep, realiseer ik me ineens dat ik geuren ruik die ik nooit eerder heb geroken: de kruiden uit de oosterse keuken, die we vanaf die ochtend in ieder restaurant en in elke souq en bazar zouden ruiken. Ik plaag mijn zakenpartner, die die ochtend niet helemaal goed in orde was en het ontbijt oversloeg, nog wel eens met de constatering dat Iskenderun het onovertroffen culinaire hoogtepunt is geweest van onze reizen in het voetspoor van Alexander de Grote.
Het was voor het eerst dat ik me realiseerde dat ik niet meer in West-Europa was. De Griekse steden in het westen van Turkije, Ankara, de grote weg over de Anatolische Hoogvlakte: je kon steeds nog denken dat je ergens in Italië of Griekenland was. In Iskenderun – nog altijd een kosmopolitische havenstad – was dat niet meer zo, en toen we later op die dag in Antiochië en Seleukeia waren, wist ik dat zeker. Ik had de geur van het Midden-Oosten opgesnoven.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.