Antiochos II Theos

Antiochos II Theos (Museum Ägyptischer Kunst, München)
Antiochos II Theos (Museum Ägyptischer Kunst, München)

Alexander de Grote overleed op 11 juni 323 v.Chr. in Babylon. Aanvankelijk probeerden zijn generaals het rijk bij elkaar te houden, maar al vóór Alexanders dood waren de Punjab en Oezbekistan verloren gegaan en nu kwamen ook de Grieken in opstand. De situatie was instabiel en binnen de kortste keren streden de Macedonische generaals om de erfenis. Deze strijd duurde tot het geld op was dat Alexander in Perzië had buitgemaakt: vanaf 301 lagen de diverse invloedssferen min of meer vast.

Het bekendste opvolgersrijk was dat van Ptolemaios, dat bestond uit Egypte en de gebieden waarvandaan een aanval op Egypte kon worden uitgevoerd: Cyrenaica, Cyprus en “het holle Syrië”. Met die laatste naam was de Bekaavallei bedoeld, maar ook de meer zuidelijk gelegen gebieden waren Ptolemaïsch. Syrië, delen van Turkije, Irak, Iran en Afghanistan waren in handen van generaal Seleukos, die zich, net als Alexander, “koning van Azië” noemde.

Hun opvolgers, de Ptolemaien en de Seleukiden, zouden in de derde eeuw vijf oorlogen voeren, waarover opvallend veel bekend is, zelfs al is er geen voldoende goed boek over dit onderwerp. In 260 was het weer eens zover: de zogenaamde Tweede Syrische Oorlog brak uit. In feite stond nu het hele Middellandse Zee-gebied in brand, want in het westen stonden Rome en Karthago tegenover elkaar in de Eerste Punische Oorlog.

Het Seleukidisch-Ptolemaïsche conflict duurde tot 253. Toen aanvaardde de Egyptische koning Ptolemaios II Filadelfos dat hij enkele steden kwijt was geraakt en in het jaar erna kwam het tot een diplomatiek huwelijk, waarbij de Seleukidische heerser Antiochos II Theos trouwde met de Egyptische prinses Berenike. De detente zou duren tot 246, toen Antiochos overleed en de Derde Syrische Oorlog uitbrak – die samenviel met de laatste jaren van de Eerste Punische Oorlog.

Het portret hierboven, dat is te zien in het sinds kort Museum Ägyptischer Kunst genaamde museum in München, moet dateren uit de jaren van ontspanning. Het stelt namelijk Antiochos II voor en omdat het is gevonden in Dime, in de Egyptische Fayyum, kan het eigenlijk alleen zijn gemaakt toen deze gold als bevriend staatshoofd. Tussen 253 en 246 dus.

Dit portret is dus erg nauwkeurig te dateren en daar zijn we blij mee, want de chronologie van de hellenistische kunst is notoir lastig. Het Münchense portret vormt een van de belangrijkste ijkpunten.

[Dit was de tweeëntachtigste aflevering in mijn reeks museumstukken; een overzicht is hier.]