Velleius Paterculus (8)

Kleio, de muze van de geschiedschrijving. Mozaïek uit Zeugma, nu in Gazi Antep.
Kleio, de muze van de geschiedschrijving. Mozaïek uit Zeugma, nu in Gazi Antep.

[Deze week recycle ik de inleiding die ik in 2012 schreef voor Vincent Huninks vertaling van de Geschiedenis van Rome van de Romeinse auteur Velleius Paterculus. De Nederlandse titel is Van Troje tot Tiberius en het e-boek is nog leverbaar. Het eerste deel is hier. Vandaag een samenvatting van Velleius’ kwaliteiten.]

Velleius mag dan niet de grootste historicus uit de Oudheid zijn, hij is een van de weinige auteurs uit de tijd van Tiberius en biedt een unieke visie op diens regering. Dat alleen al maakt hem tot een waardevolle auteur, die meer krediet verdient dan hij doorgaans krijgt. Hij is een levendige verteller, heeft oog voor sprekende details en is kritischer dan vaak wordt aangenomen. Zijn opvatting dat geschiedschrijving dient om lof en blaam toe te delen mag dan niet voldoen aan hedendaagse wetenschappelijke criteria, ze verdient respect, al was het maar omdat ze in niet-academische kringen nog volop leeft.

Deze inleiding begon met een typering van wat eenentwintigste-eeuwse lezers verwachten van een historicus, en er is niets mis met het aangeven van de verschillen tussen moderne en antieke geschiedschrijving. Maar Velleius dient natuurlijk tevens te worden gemeten aan de hand van de criteria die in zijn eigen tijd golden. Uit Lucianus’ Hoe geschiedenis moet worden geschreven en de opmerkingen van de antieke historici zelf komt een duidelijk beeld naar voren. De ideale geschiedkundige had een onafhankelijke geest, was objectief en eerlijk in lof en blaam, zocht naar oorzaken, kende de betrokkenen persoonlijk, had de door hem beschreven landen bezocht, had functies bekleed in het openbaar bestuur en bezat militaire ervaring.

Velleius voldoet niet aan alle voorwaarden. Ook als we er rekening mee houden dat hij denkt als een senator en daardoor niet iedereen het krediet gunt dat hij volgens moderne inzichten verdient, is hij niet steeds eerlijk in zijn blaam en lof, zoals in het geval van Marcus Antonius en Lollius. Elders negeert hij positieve informatie over Seianus en houdt hij, in dit cadeauboek, negatieve informatie achter over grootvader Vinicius. Ook de zoektocht naar oorzaken staat niet op zijn agenda. Hier staat tegenover dat hij een brede belangstelling heeft, over veel zaken onbevangen oordeelt en in de gaten heeft dat er spanning bestond tussen de propaganda van Augustus en de praktijk. Hij heeft opvallend veel gereisd – hoeveel van zijn huidige lezers kunnen zeggen én de Waddenzee én de Elbe én de Bosporus én de Eufraat te hebben gezien? – en maakt geen topografische fouten. Dat is vrij uniek in de geschiedschrijving, zowel toen als nu.

Vooral over militaire zaken oordeelt hij met kennis van zaken. Illustratief is zijn droge beschrijving van de Romeinse nederlaag bij Carrhae: Crassus werd door de Parthen

met een kolossale troepenmacht aan ruiters omsingeld en samen met het grootste deel van zijn leger vernietigd.

Als soldaat kan hij toegeven dat zijn vijand superieur was, want een soldatenleven is afhankelijk van een juiste inschatting van de feiten. Praatjes over verraad zijn niet aan hem besteed, en wij weten alleen uit andere bronnen dat de Romeinse propaganda Carrhae gemakshalve maar van een riviervlakte naar een voor de Romeinse troepen ongunstig woestijnlandschap verplaatste. Velleius’ “volwaardige boekdelen” over de geschiedenis van de oorlogen in Pannonië en Germanië zouden voor ons waardevol hebben kunnen zijn: hij was er geweest, kende alle betrokkenen en had zowel front- als logistieke ervaring. Het is jammer dat hij het niet heeft voltooid of dat het verloren is gegaan.

In één zin: Velleius had de potentie een alleszins redelijk historicus te zijn, maar heeft deze potentie in dit cadeauboek onvoldoende kunnen realiseren.

Toch is het werk ook voor ons waardevol. We zagen al dat in vrijwel elk handboek oude geschiedenis het hoofdstuk over de cultuur van de Romeinen is geplaatst voor of na het hoofdstuk over Augustus, wiens regering mede daardoor uitgroeit tot dé breuk tussen vrije republiek en monarchie. De overgang van het ene bestuursmodel naar het andere duurde echter langer. Velleius noemt verschillende instrumenten van Pompeius die ook door Augustus werden benut en vermeldt hoe Tiberius de verkiezingen overhevelde van de Volksvergaderingen naar de Senaat. Velleius kon niet weten hoe Claudius het leger zou hervormen, hoe Vitellius de aanzet zou geven tot een gereorganiseerde bureaucratie en hoe Vespasianus de uitkomst zou formaliseren. Onze geleerde zag niet dat de republiek de facto was opgeheven.

Juist doordat hij nog niet wist hoe het zou aflopen, biedt De geschiedenis van Rome ons een kans te zien hoe het was het ontstaan van de monarchie mee te maken. Het werk kan worden beschouwd als een uitnodiging de geschiedenis van dit tijdperk te bezien zonder alle veranderingen toe te schrijven aan Augustus en mét aandacht voor de onzekerheden, nuances, complexiteiten en ambiguïteiten die de realiteit zijn van elk historisch proces.

[Het traditionele laddertje met makkelijke, moeilijkere en moeilijke literatuur vindt u in het boek waar ik nu voor de negende keer naar link.]