Opnieuw: de Didache

Twintig jaar geleden werd over de Nijmeegse classicus Vincent Hunink – full disclosure: ik heb herhaaldelijk en plezierig met hem samengewerkt – weleens het grapje gemaakt dat hij voornemens was vóór het nieuwe millennium de integrale klassieke literatuur vertaald te hebben. Dat is hem niet gelukt maar aan zijn arbeidsethos ligt het niet. Alleen al de afgelopen maand kwamen er drie boeken van hem uit: de Didache, waarover ik het hieronder wil hebben, en twee bewerkingen van eerdere vertalingen, namelijk een boekje van Augustinus over onderwijs en een traktaat over landbouw van Cato. De Augustinustekst heb ik nog niet gelezen; Cato mag u gerust overslaan; de Didache is echter een unieke en fascinerende tekst. Dat vergt echter wat uitleg.

***

Tegenwoordig maken we onderscheid tussen joden en christenen, maar in de eerste eeuwen van onze jaartelling zou slechts een enkeling dat hebben begrepen. Je had destijds mensen die één God vereerden, voor wie de tempel in Jeruzalem belangrijk was en die meenden dat God zich in boekvorm had geopenbaard. Die mensen vielen te verdelen in diverse groepen met uiteenlopende antwoorden op allerlei vragen. Mocht je ook andere goden vereren? Zo ja hoe? Waren er ook andere cultusplaatsen dan Jeruzalem? In welke boeken had God zich eigenlijk geopenbaard?

Een echte definitie van wat deze mensen verbond viel niet te geven om de doodeenvoudige reden dat iedereen zelf uitmaakte wat hij geloofde en deed. De jood die de Griekse god Pan met een inscriptie bedankte voor een redding op zee, zal niet als afvallig hebben gegolden omdat afvalligheid een norm veronderstelt die je hebt overtreden, en er was niemand die zo’n norm kon vaststellen, ook de hogepriester niet. Het toenmalige jodendom viel niet in een definitie te gieten. Tegenwoordig zouden we zeggen dat de diverse opvattingen familiegelijkenis vertoonden.

Eén stroming – we kennen haar uit de Dode Zee-rollen – meende dat de ware uitleg van de Wet was gegeven door de Leraar der Gerechtigheid, een andere stroming liet zich inspireren door de familie van een zekere Gamaliël, een derde stroming meende dat messianisme een rol speelde en dat Jezus van Nazaret de messias was. De overgrote meerderheid der gelovigen lijkt nu eens hier en dan eens daar te hebben genomen wat ze kon gebruiken. Hier vind je wat, daar laat je wat.

Zo kan het dus gebeuren dat het evangelie van Mattheüs (dat we tegenwoordig christelijk noemen) een anekdote bevat die afkomstig lijkt van rabbijn Yochanan ben Zakkai. Het kon eveneens gebeuren dat een farizese auteur Jezus van Nazaret opnam in de traditionele joodse geloofsbelijdenis, de shema. Een recente tekstvondst bewijst dat de middeleeuwse joden van Cairo de doorgaans als christen getypeerde Paulus minimaal enige tijd hebben beschouwd als geloofsgenoot.

En het kon gebeuren dat Griekse en Romeinse auteurs zich in de derde eeuw afvroegen of een monotheïstisch familielid van de eerste-eeuwse keizer Domitianus nou jood was geweest of christen. Dit voorbeeld toont dat in de derde eeuw een vraag was geworden wat in de eerste eeuw slechts enkelingen zou hebben geïnteresseerd.

Die enkelingen hebben echter wel onze bronnen geschreven. Ik noem ze weleens “beroepsgelovigen”: mensen die bovengemiddeld veel verstand van de joodse ideeënwereld hadden, die anderen advies gaven en regelmatig werden erkend als leraren en adviseurs. Wat die beroepsgelovigen schreven, is echter wel heel specifiek – om niet te zeggen: atypisch. De gemiddelde gelovige trok zijn eigen plan en het is beter niet teveel op de beroepsgelovigen te letten. Het is methodisch immers onjuist de door stom toeval aan ons overgeleverde, ooit door een atypische groep gelovigen vervaardigde bronnen te beschouwen als representatief voor de joodse ideeënwereld. Dat is zoiets als – ik neem de moeite niet een origineel voorbeeld te verzinnen – Humanae vitae beschouwen als representatief voor de seksuele moraal van rooms-katholieken.

***

Tot zover de achtergrond van de Didache. Een tekst, ongeveer 3000 woorden lang, die door de grote Geza Vermes werd geplaatst in de tweede helft van de eerste eeuw en door andere, niet minder grote geleerden, wordt geplaatst in de tweede eeuw. Ze kunnen allemaal tegelijk gelijk hebben: de inleider van Huninks vertaling, Paul van Geest, wijst erop dat de tekst niet in één keer zal zijn geschreven maar bewerking heeft ondergaan. De tot ons gekomen versie zou dus tweede-eeuws kunnen zijn maar teruggaan op een eerste-eeuws origineel.

Veel belangrijker dan de datering is dat de Didache zowel joods is als christelijk. Ja, Jezus heeft een speciale positie, maar typisch christelijke ideeën als de opstanding ontbreken, terwijl typisch joodse ideeën wel aanwezig zijn. De tekst opent met een presentatie van de “twee wegen” die we ook kennen uit de Dode Zee-rollen (4Q473). Er is veel aandacht voor de halachische discussies waar we vertrouwd mee zijn uit de Dode Zee-rollen en de traktatenverzameling die bekendstaat als Mishna.

Neem het ritueel waarbij door middel van onderdompeling de rituele reinheid werd hersteld. Dat deed je het liefst in het stromende (“levende”) water van een rivier, zoals we zien bij Johannes de Doper, maar stromend water was niet altijd voorhanden. Het traktaat Mikwaoth, dat is opgenomen in de Mishna, somt de alternatieven op in volgorde van afnemende effectiviteit. In de Didache lezen we:

Heb je geen levend water, doop dan met ander water, en kan het niet met koud water, dan met warm water. Heb je geen van beide, giet dan driemaal water over het hoofd. (Didache 7.2-3)

Of neem de vasten.

Jullie vasten mag niet samenvallen met die van schijnheilige figuren. Zij vasten op maandag en donderdag. Vasten jullie daarom op woensdag en vrijdag. (Didache 8.1)

Onmiddellijk hierop volgt het advies driemaal per dag het Onze Vader te bidden. De schijnheilige figuren kunnen we dankzij het traktaat Ta’anith identificeren met degenen die de halacha volgen van de farizese leraren. Wat de samenstellers van de Didache dus doen, is de eigen groep afbakenen van de farizeeën. Dat blijkt ook uit het advies het Onze Vader op te zeggen, dat evident is gericht tegen degenen die driemaal daags het Achttiengebed uitspreken.

De Didache documenteert dus het religieuze leven voordat de wegen van het jodendom en christendom uiteen gingen. De polemieken die later tussen deze twee godsdiensten bestonden, zijn in aanzet al aanwezig, maar zijn nog intern-joodse conflicten. Ze zijn ook beduidend vriendelijker dan de scheldpartijen die Jezus in petto had voor zijn tegenstanders (“adderengebroed” klinkt nu grappig maar wil zeggen dat je moeder de lakens heeft gedeeld met een slang) of de beledigingen uit de Dode Zee-rollen. (Omdat de Didache ook een joodse tekst is, is het een gemiste kans dat de inleiding en de voetnoten van Huninks Didache-vertaling zich beperken tot christelijke parallellen en de overeenkomsten met de Mishna en Dode Zee-rollen vrijwel onvermeld laten.)

De Didache is bovendien interessant omdat ze toont hoe onder degenen die Jezus vereerden een leiderschap aan het ontstaan was. We leren hierover door beschrijvingen van de taken en rechten van apostelen en profeten, maar bovenal doordat de halacha wordt gemobiliseerd om de eigen achterban af te bakenen. Een fascinerende tekst.

[Ik noemde dit blogstukje “Opnieuw: de Didache”, omdat ik vier jaar geleden ook al blogde over een vertaling, namelijk die van Arjan de Kok. Dat stukje is hier.]

19 gedachtes over “Opnieuw: de Didache

  1. Ad van Heijst

    U schrijft: Zo kan het dus gebeuren dat het evangelie van Mattheüs (dat we tegenwoordig christelijk noemen) een anekdote bevat die afkomstig lijkt van rabbijn Yochanan ben Zakkai.
    Welke anekdote is dat?

  2. FrankB

    “Jullie vasten mag niet samenvallen met die van schijnheilige figuren.”
    Wat fijn om te lezen dat ideologisch (in dit geval religieus) verblinden ook toen al net zo kleinzielig waren als nu bv. veel te veel nationalisten.

    1. Steven

      En wat fijn dat het op grond van één zinnetje het deugend oordeel alweer klaarstaat. Als je nou eerst die Didache eens las.

    1. Die vraag kun je stellen bij elke vertaling. Plato is al vijf keer integraal vertaald. Met Aristoteles zijn ze nu voor de eerste keer bezig. Ze begonnen met de Nikomacheïsche Ethiek, nu net een van de weinige teksten die al vertaald waren.

      1. Ik zie dat je op Fb een uitvoeriger reactie hebt gegeven, maar waar het mij vooral om ging, is de vraag in hoeverre eventuele kwaliteitsverschillen die tweede
        vertaling ’rechtvaardigen’. Daarover laat je je in het geheel niet uit.

        1. Ik kan dat onvoldoende beoordelen. Ik kan Grieks lezen en kan Nederlands beoordelen, maar of een vertaling werkelijk goed is, daar kan ik weinig zinvols over zeggen. Dus doe ik het maar niet. We moeten onze beperkingen erkennen.

  3. Gijs Grob

    Die vertaling van Vincent Hunnink van De Agri cultura van Cato is al 22 jaar oud, maar inderdaad niet erg essentiele literatuur.

  4. jacob krekel

    Ik heb de Didache altijd een sympathiek boekje gevonden. Praktische raadgevingen voor het geloof, en wat dat inhoudt. Maar ook het begrip dat, voor wie niet het volledige juk van de Heer kan dragen en dus perfect zijn, het ook mogelijk is te doen wat in je vermogen ligt. Wat een pastorale wijsheid! En dan de fijnzinnige opmerkingen over degenen die anderen be/veroordelen. In een tijd van internetshaming zeer actueel. Heel jammer dat de Didache het net niet als bijbelboek gehaald heeft. Maar mooi dat het boek weer voor een groter publiek toegankelijk is

  5. “Ja, Jezus heeft een speciale positie, maar typisch christelijke ideeën als de opstanding ontbreken, terwijl typisch joodse ideeën wel aanwezig zijn.”

    Dit klopt, maar let op: opstandingsterminologie ontbreekt weliswaar, maar Jezus heeft wel zeker een hemelse positie, vanwaaruit hij aan het eind der tijden terugkeert. De doop vindt plaats in de naam van de Vader, de Zoon en de Geest, en het is door Jezus dat God eeuwig leven schenkt.

    Hetzelfde (ontbreken opstandingsterminologie) is bijvoorbeeld het geval in De brief aan de Hebreeën. Dus óf de schrijver(s) gebruikt/-en toevallig geen opstandingsterminologie, óf ze gebruikten een andere term om te beschrijven dat Jezus in de hemel was opgenomen.

  6. Theo Joppe

    Ik zou niet durven zeggen dat de Didache een fase representeert waarin Christenen en Joden nog niet als geloofsgemeenschappen uit elkaar waren gegaan. Juist het tegendeel: uitvoerig wordt gewaarschuwd tegen valse profeten die te lang blijven ‘hangen’ in een gemeente, met criteria om ze te herkennen en wat ertegen te doen. Dat duidt juist op afbakening. De vroegste datering die ik ken van het werk is ca.100 AD (hoewel er zijn die het later dateren), misschien ontstaan in Syrië. In die periode was het onderscheid al heel duidelijk — zie de vrijwel gelijktijdige brieven van Plinius aan Trajanus. Wat wél natuurlijk waar is is dat degenen die zich toen Christenen noemden heel veel Joods erfgoed hadden in geloof en traditie; hoe kan het ook anders?

  7. Ik denk dat je, meer dan ik doe, de bronnen beschouwt als representatief. Ik ben het met je eens dat de Didache aan het afbakenen is – dat is ook wat wat ik zelf schrijf. Ik verbind daaraan de conclusie dat er behoefte was aan afbakening en dat die afbakening niet vanzelf sprak.

    1. Theo Joppe

      Nee, ik beschouw de bronnen helemaal niet als representatief, zeker niet bij het vroegste Christendom. Het probleem is alleen dat er uit deze periode *helemaal niets* over is, en dat is met name voor theologen vervelend. Vandaar dat de Didache het liefst heel vroeg wordt gedateerd, omdat iedereen graag naar de ‘bron’ terug wil. Maar dat is nog maar de vraag — het blijft een lokaal document, per ongeluk overgeleverd in één manuscript. Omdat het duidelijk in een specifieke situatie is geschreven kan het net zo goed ergens diep in de tweede eeuw zijn geschreven. De segmenten waaruit het is opgebouwd kennen we ook uit iets latere bronnen, maar nu wordt het wel heel patristisch… 🙂

  8. A. Harmens

    Peter Brown muntte ooit de term “micro-christendoms” voor de late Oudheid. Misschien is dat hier ook van toepassing? Zelf meen ik dat de meer dogmatische, afbakenende stroming van de schriftelijke bronnen net zo representatief is als de eclectische, Joodse-Christelijke stroming. Wat betreft de bronnen is naïef realisme gevaarlijk. Ik denk dat men aan de andere kant moet oppassen met het idealiseren van het eclectische en minder dogmatische Christendom van de begindagen als een soort “Paradise lost”.

Reacties zijn gesloten.