Veel geschreeuw en weinig wetenschap (3)

Woerden, Drive-in Museum: een goed voorbeeld van eerstelijns-voorlichting… maar er is geen tweede lijn.

[Afgelopen vrijdag was aan de Vrije Universiteit het Romeinensymposium, waar ik een van de sprekers was. De tekst van mijn lezing, waarvan het eerste deel hier is, zal niets bieden wat niet al eerder is gezegd. Doorlezen op eigen risico.]

Junk news en aanverwante problemen

Je hebt fake news en junk news. De eerste categorie is het bekendst: onjuiste informatie, niet per se moedwillig verspreid, zoals de opmerking eerder dit jaar in De Volkskrant dat er in Nederland geen Romeinse ruïnes zichtbaar zijn. Het waren niet alleen Heerlenaren die zich ergerden.

Ergerlijk als fake news is, is het minder problematisch dan junk news. Dat is een platte boodschap die zó vaak wordt herhaald dat mensen de echte informatie niet meer vinden kunnen. Bad information drives out good. Dit is hét centrale probleem voor de limes: waar je ook zoekt, je vindt steeds dezelfde flauwe informatie en het echte verhaal is onvindbaar. We bieden veel geschreeuw en tonen weinig wetenschap.

De onvindbaarheid van de juiste informatie wordt versterkt door de “tweede trechter”. Een trechter is een metafoor om aan te geven hoe mensen naar inzicht brengt: je trekt eerst hun aandacht en leidt ze steeds verder naar de eigenlijke informatie. Je kunt ook de metafoor gebruiken van een ladder waarlangs je opklimt richting wetenschap.

Vanouds hebben we bladen als Archeologie Magazine en Hermeneus, de Week van de Klassieken, voortreffelijke musea en lesprogramma’s voor de scholen. Perfect is het niet, maar de mensen weten de weg naar deze informatie te vinden en de betrokkenen kunnen hun positie benoemen in het grote gebouw der humaniora. Ze kunnen duidelijk maken waarom de geesteswetenschappen maatschappelijk belangrijk zijn, waarom een vakopleiding nut heeft en welke betekenis archeologie heeft voor onze cultuur.

De limes-organisaties hebben deze structuur grotendeels genegeerd: naast de Week van de Klassieken is er een Romeinenweek gekomen. Je kon nog beweren dat de eerste ging over de Oudheid en de tweede over de Nederlandse Oudheid, maar volgend jaar is het thema “de vrouw”, waarbij dit onderscheid onmogelijk is. Het thema valt immers alleen te behandelen door de gegevens te halen uit Italië. Dan heb je twee keer hetzelfde evenement.

(Tussen haakjes wijs ik erop dat we hier een voorbeeld hebben van eclecticisme: je kunt een vraag niet beantwoorden, haalt informatie dus van elders en neemt maar aan dat wat daar en toen gold, ook voor jouw regio en tijdperk geldt. Als het doel is een zo breed mogelijk publiek zo snel mogelijk te voorzien van adequate informatie, is dat laatste mislukt. Het zal worden herkend en het zal de scepsis verder versterken.)

Andere voorbeelden van verdubbeling: online hebben we een educatief platform over de limes naast Quamlibet, het platform dat classici en historici al gebruiken. Het zou makkelijker zijn geweest alles op één al vertrouwd punt onder te brengen. Verder herhalen de diverse limes-websites vrijwel allemaal dezelfde informatie – allemaal eerstelijns en nooit Web 2.0. Afhankelijk van wie je vraagt zijn er nu vier of zes limes-fietsroutes. Ze zijn niet identiek maar het kon efficiënter.

Kortom: goede informatie is onvindbaar door het herhalen van dezelfde, platte boodschap. De dubbele trechter maakt het nog verwarrender. Het kan dus efficiënter.

Aanbevelingen

Triest als het is: er zijn voldongen feiten. Die zijn niet allemaal slecht maar er is ruimte voor verbetering. Het moge duidelijk zijn dat ik ervoor pleit dat we naast de eerste lijn een tweede lijn openen, opdat we geïnteresseerden niet langer afstoten. Dat betekent:

  1. Het wetenschappelijk proces moet uitgelegd. Hoe weten we wat we weten? Waartoe dient dat? Wat is het belang van kennis van archeologie, limes, humaniora? Dit uitleggen heeft als voordeel dat je belet dat een olijke staatssecretaris van Cultuur zich afvraagt wat ’ie moet met musea vol opgegraven potten en pannen.
  2. Leg uit waarom de omkering van het Gelderse geschiedbeeld excess empirical content oplevert en een verbetering is. Of misschien moet ik zeggen: excess educational content. Het voordeel is dat je scepsis vóór bent.
  3. Toon hoe de limes, als onderdeel van de geesteswetenschappen, helpt onze eigen denkbeelden te doorgronden. Gebruik de Romeinse noties over de grenzen van het imperium om de betrekkelijkheid van de eigentijdse (op de negentiende eeuw teruggaande) noties over territoriaal begrensde staten te begrijpen.
  4. Overschat je eigen kennis niet want de academische opleidingen zijn sinds de jaren tachtig te kort. Werk dus samen met wetenschapscommunicatoren, classici en historici. Bedenk hierbij dat het grote publiek de academische specialismen niet (h)erkent. (Een archeoloog die spreekt over veenlijken, krijgt te maken met een publiek dat deze vondsten interpreteert met behulp van TacitusGermania en een classicus die spreekt over die tekst, krijgt vragen over het Meisje van Yde.) Het voordeel van samenwerking is dat ook anderen je inzichten verspreiden.
  5. Vermijd junk news en fuseer de trechters. Als de Romeinenweek samengaat met de Week van de Klassieken is het voordeel dat een evenement ontstaat dat er echt toe doet. Voor Romeins Nederland is het beste nieuws in tijden dat het Rijksmuseum van Oudheden een conservator voor Nederland in de Romeinse Tijd heeft gekregen, zodat de gangbare trechter is versterkt.
  6. Gezond wetenschapscommunicatiebeleid heeft als vertrekpunt de informatiebehoefte van de doelgroepen, niet wat de betrokken partijen toevallig hebben te bieden.

18 gedachtes over “Veel geschreeuw en weinig wetenschap (3)

  1. Rudmer Koopal

    Je blogs roepen een aantal vragen op:
    Zitten de Klassieken ( in alle verschijningen) in lijn twee ?
    Willen de Klassieken überhaupt samen gaan met Romeinenweek ( even afgezien als ze in lijn 1 of twee zitten)?

    1. Ik weet dat de musea, dwz een deel van de traditionele eerste trechter, wel zouden willen samenwerken, maar steeds worden geconfronteerd met mensen die steeds hetzelfde riedeltje fluiten. Ze missen de kennis om met de educatieve diensten samen te werken.

      De analogie die wel gemaakt wordt, is die tussen reclame en onderwijs: allebei willen ze mensen informeren, maar ze hebben weinig raakvlakken. Zo lang dit zo blijft, en zo lang de limes in handen blijft van ondeskundige organisaties, wordt het niet beter met Romeins, klassiek, historisch, archeologisch Nederland.

      1. Rudmer Koopal

        Musea geloof ik direct dat die willen samenwerken. Ik bedoel NKV & VCN en de leden en redacties van Hermeneus en Lampas.

    2. Hangt ervan wie je het vraagt. De organisatoren van de Week van de Klassieken zien de voordelen van samenwerking. “Oog op de Oudheid” was bedoeld als eerste stap maar is nauwelijks opgepakt door de Romeinenweek. Leraren klassieke talen gebruiken de limes als uitgangspunt voor discussies wat goed en verkeerd is en of je dat wel kunt weten.

      Op bestuurlijk niveau heb ik de indruk dat de VCN open staat voor samenwerking maar zoekt naar een aanknopingspunt terwijl het NKV bestuurlijk verward is. Ik ben echter geen lid van die twee verenigingen en ken de interne discussies niet.

      1. Rudmer Koopal

        Dat zijn al twee openingen. Organisatoren van de week van de Klassieken zijn makkelijk te benaderen, die kunnen we vragen.
        En jij kent vast wel iemand bij het VCN die de rol op zich wil nemen.

  2. Johan Hendriks

    Ook ik merk al jaren dat er wat schort tussen de wetenschap en het publiek. En eerlijk gezegd weet ik niet precies waar ik moet beginnen om actoren aan te wijzen die jouw aanbevelingen zouden kunne n uitvoeren, zodanig dat ze ook gehoord worden. De universiteiten doen vrijwel niets aan publieksvoorlichting, musea beschouwen voorwerpen als kunstobjecten en zijn nog steeds nauwelijks geïnteresseerd in het geven van relevante contexten, uitgevers doen moeilijk omdat de oplages klein zijn, kranten geven veel te weinig informatie en als ze het al doen dan vaak vanuit een verkeerde optiek (de waarde van een goudschat bv), tijdschriften spreken alleen degenen aan die al een bovenmatige interesse hebben, congressen zijn nauwelijks toegankelijk voor niet-vakgenoten, etcetera. Ik probeer in mijn Hovo-lessen te Tilburg en Nijmegen zowel de systematiek van de archeologie uit te leggen als ook het plaatsen van nieuwe vondsten in hun historische context. Dat wordt wel gewaardeerd, maar het aantal toehoorders is met enkele tientallen niet bovenmatig groot. Mijn vraag is welke actoren zijn er daadwerkelijk in staat om jouw aanbevelingen uit te voeren met als resultaat dat motivatie en kennis worden vergroot en daardoor een breder draagvlak ontstaat?

    1. Ik denk dat het een clusterfuck is. De universiteiten doen weinig aan voorlichting, maar ook weinig om het eigen, interne specialisme te doorbreken. Het gevolg is dat we zitten opgezadeld met een complete generatie archeologen die niet weet wat classici kunnen en classici die niet weten wat archeologen kunnen. Zo komen er dus spelers in het veld die niet weten wat ze niet weten.

      Die gaan wel de voorlichting doen – improviseren, want ze hebben het van de universiteit niet meegekregen. Ze lopen dus naar waar het geld zit: in dit geval een limes-organisatie die erop vertrouwd dat afgestudeerden het wel zullen weten. Maar die weten het niet.

      Voeg toe: de neiging alles beleefbaar te maken en de weerzin tegen een werkelijke kennismaking met het verleden. Dat eerste is op zich niet verkeerd, maar de balans is doorgeslagen.

  3. Je aanname, Jona, is dat de mensen van de limes werkelijk het publiek willen informeren. Ze willen in feite geld verdienen, baangarantie, niet teveel moeilijkheden. Je hebt wel gelijk, maar kwaliteit is gewoon geen issue in gemakzuchtland.

  4. A. Harmens

    Op veel punten een waardevol betoog. Toch wat kanttekeningen. Wat het doorbreken van specialismes betreft denk ik dat er wel een grens aan de (inter-, trans- of) multidisciplinariteit. Op opleidingsniveau vond ik de multidisciplinaire aanpak soms erg schools en met de haren erbij gesleept. Meestal nuttig, maar soms ook belemmerend., meer verbredend dan verdiepend. Op voorlichtingsniveau werkt het waarschijnlijk beter.

    Verder lees ik hier steeds over de ‘informatiebehoefte’ een ‘hogeropgeleid publiek’ dat in toenemende mate ‘sceptisch’ is. Ik vraag me een beetje af waar deze termen vandaan komen, afgezien van de eigen waarneming. Ik deed ooit een klus in een gemeentearchief. Daar werd heel veel gedaan aan publieksvoorlichting en ontsluiting van materiaal. Daar kan een academie nog wat van leren. Mij viel op dat het publiek ouder is, misschien wat hoger opgeleid, maar advocaten en cardiologen zaten er niet per se tussen. Verder waren ze eerder nieuwsgierig dan sceptisch. Maar goed, dat is natuurlijk dan weer mijn waarneming.

    Datzelfde archief legde overigens veel nieuwe collecties aan waarvan het nog helemaal niet duidelijk is of en, zo ja, hoeveel behoefte er aan is. Simpelweg omdat men niet weet wat toekomstige generaties willen weten. Mijn conclusie is dan ook dat erfgoedinstellingen, maar ook universiteiten nooit voor de volle honderd procent vraaggestuurd, direct anticiperend op de huidige informatiebehoefte, kunnen en moeten zijn.

    1. FrankB

      “denk ik dat er wel een grens aan …”
      En waar zou die grens zich dan bevinden? Anders is dit ook maar zo’n clichématige bewering, die voornamelijk dient om uw ongenoegen uit te drukken. Om maar eens een aardig voorbeeld van kruisbestuiving van oudheidkunde en natuurkunde te presenteren:

      http://www.livius.org/sources/content/synesius/synesius-letter-015/

      Je kunt van oudheidkundigen en classici niet verwachten dat ze de beschrijving van Synesius herkennen, maar van natuurkundigen wel.

  5. Roger Van Bever

    Weer een interessante blog, waaruit ook je consistentie blijkt als het om dit thema gaat. Het enige punt waar ik een beetje moeite mee heb, Jona.
    is je punt 6:

    “Gezond wetenschapscommunicatiebeleid heeft als vertrekpunt de informatiebehoefte van de doelgroepen, niet wat de betrokken partijen toevallig hebben te bieden”.

    In de eerste plaats weet ik niet hoe de informatiebehoefte te achterhalen valt en hoe de informatiebehoefte van de inwoners van een land over een bepaald deelgebied van de wetenschap te peilen is. Er zijn immers talloze mensen die op basis van de studies die ze gedaan hebben nood hebben aan een continuë informatiebehoefte op hun voormalige vakgebied. Het is ook mogelijk dat ze na hun professionele carrière, als ze gepensionneerd zijn, de behoefte hebben om zich te verdiepen in iets totaal anders dan waar ze de hele tijd mee bezig geweest zijn in hun beroep en meestal kritischer zijn. Dat neemt niet weg dat je wat ‘de betrokken partijen’, zoals je ze noemt iets te bieden moeten hebben aan die laatste doelgroep, liefst de ware stand van zaken (the state of the art).

    Ik zou de doelgroep willen indelen in twee categorieën: mensen die belangstelling hebben in een bepaalde materie maar tevreden zijn met het gebodene en anderen die dieper in de materie willen duiken en ook kritischer zijn. Toch is zelfs deze laatste categorie niet in staat om alles wat ze lezen en wat ze te horen krijgen bvb. via blogs, kranten, boeken, cursussen, lezingen, etc. op zijn merites te beoordelen. Het is dus ook moeilijk zelfs voor deze categorie om het ‘gebodene’ kritisch te beoordelen. Bovendien zijn er ook nog andere gebieden die ze leuk vinden. Jij legt nu het accent op de (juiste) informatie over de limes, in jouw optiek terecht. Maar hoeveel mensen zijn daar daadwerkerkelijk in geïnteresseerd. Classici, oud-historici, archeologen zou de ‘correcte informatie’ voor de volle honderd procent moeten interesseren. Dat zijn dus eigenlijk de ‘aanbieders’ van de informatie. Het grote geïnteresseerde publiek is meestal niet in staat om die strijd tussen de professionals te beoordelen en neemt meestal toch het ‘gebodene’ tot zich als goede informatie, omdat ze domweg niet in staat zijn om de vakdeskundigen bij te benen.
    Ergo: het probleem ligt m.i. bij de aanbieders van de info.

  6. Jeroen

    Een simpele, maar volgens mij doeltreffende eerste stap zou volgens mij genomen zijn, indien musea (e.d.) zich vooraf het “waarom” van het tentoongestelde afvragen (en uitleggen).

    Dus niet slechts zomaar een thema kiezen, maar hardop vragen “waarom willen we dit laten zien; wat is volgens ons het belang, wat wilen we aantonen”, en dit vervolgens aan het publiek meedelen voordat je een tentoonstelling überhaupt betreedt.

    Uiteraard gebeurt dit ook nu al wel, maar naar mijn idee zijn de meeste tentoonstellingen simpelweg een samenraapsel van objecten die beschikbaar zijn en min of meer iets met het onderwerp te maken hebben.

    Als ik uit een tentoonstelling stap en mezelf afvraag “welk voorwerp heb ik nu gezien dat ik nog nooit eerder heb gezien?”, dan zit er vrijwel altijd wel iets tussen.
    Maar als ik me afvraag “wat weet ik nu wat ik hiervóór nog niet wist..?”, dan moet ik het antwoord veel vaker schuldig blijven.
    Zelfs – en dat is het zorgelijke- als ik van het bewuste onderwerp niet eens zo vreselijk veel afwist.

  7. René

    Ergens ben ik bang dat de tweede lijn van extra informatiebehoefte straks verdwijnt (niet meer nodig is) als ze het onderwijscurriculum op de schop nemen en het vak geschiedenis vervangen voor een vaag vak burgerschap.

    1. Dat gebeurt al volop en de klap komt niet uit het onderwijs maar uit de erfgoedsector, die alle kaarten heeft gezet op beleefbaarheid. De confrontatie met andere ideeën is afgezwakt, het (misschien inderdaad oubollige) leer-aspect is vervallen en het verleden is elck wat wils geworden. Zodat het verleden zich moet aanpassen aan het heden: geen monument voor JP Coen, wel een donjon op het Valkhof. Ik zeg niet dat beleefbaarheid verkeerd is, maar het is doorgeslagen en we worden een samenleving van het type “who controls the past, controls the past”.

Reacties zijn gesloten.