Alesia (2)

Gallische krijgsgevangene op een munt van Julius Caesar (British Museum, Londen)
Gallische krijgsgevangene op een munt van Julius Caesar (British Museum, Londen)

In 58 versloeg Caesar de Helvetiërs en vervolgens nog een groep Germanen in de Elzas. Hij profileerde zich nu als de beschermer van de Gallische bondgenoten, en daarom overwinterde hij in de vallei tussen de Vogezen en Jura, waar hij de weg van de Rijn naar het land van Saône en Rhône blokkeerde. In Italië zal men het verblijf zo ver van de Middellandse Zee heel dapper hebben gevonden, maar Caesar moet hebben geweten dat de dreiging minimaal was en dat hij er de Galliërs vooral mee provoceerde.

En inderdaad: in 57 organiseerden de noordelijkste stammen, de Belgen, een anti-Romeinse coalitie. Dat bood de Romein het excuus dat hij nodig had om de stammen tussen Marne en Maas de kracht van de legioenen te demonstreren en bovendien nog eens twee legioenen toe te voegen aan zijn leger. Ze kregen de nummers XIII en XIIII. Aan het einde van het jaar kon hij, na overwinningen aan de Aisne en de Selle in Noord-Frankrijk en de belegering van een heuvelfort bij Thuin zonder veel overdrijving claimen dat hij Gallië had onderworpen.

In de volgende jaren zocht Caesar spectaculaire nieuwe successen: hij leverde een zeeslag in Bretagne, trok over de Rijn en stak over naar Brittannië. Het had weinig militaire belang, maar de Senaat en de Volksvergadering waren onder de indruk en daar ging het maar om. De buit was immens en de veroveraar was niet te beroerd om grootschalige bouwprojecten in de hoofdstad te initiëren, waarmee hij duizenden potentiële stemmers aan werk en inkomen hielp en de andere senatoren danig imponeerde.

In Gallië begon men zich bij Caesars dadendrang echter wat ongemakkelijk te voelen en begin 53 werd hij geconfronteerd met een opstand. De Eburonen van koning Ambiorix moordden het Veertiende uit. Niet dat hem dat veel opleverde, want driehonderd dagen later bestond zijn Belgische stam niet meer. De Romeinen hadden bij wijze van wraak elke bewoner van het huidige Brabant en Limburg vermoord. Een nieuw Veertiende werd gelicht, een Vijftiende toegevoegd, de demobilisatie van andere eenheden uitgesteld. Bovendien stuurde Pompeius Caesar een extra legioen, het Eerste.

Caesar had de troepen hard nodig. Ook de bewoners van Centraal-Gallië waren zich gaan realiseren dat de Romeinen niet van zins waren te vertrekken. Een jonge edelman, Vercingetorix, overtuigde hen er in de winter van 53/52 van dat de Romeinen niet onoverwinnelijk waren en dat gemeenschappelijk verzet succes kon hebben.

Het moment van de opstand was goed gekozen: in Italië heerste onrust en Caesar kon niet rekenen op versterkingen. Dus rekruteerde hij manschappen in zijn eigen provincies, zelfs al waren de bewoners niet in het bezit van het Romeinse burgerrecht, wat eigenlijk wel zou moeten. Deze twee legioenen zijn de eerste die van begin af aan een bijnaam hadden: het Vijfde Alaudae (“leeuweriken”) en het Zesde Ferrata (“gestaald”). Dit zou het begin zijn van een traditie om alle legioenen een naam en een bijnaam te geven.

Vercingetorix probeerde de twaalf legioenen – pakweg vijftigduizend man – te verdrijven door hun aanvoerlijnen af te snijden. Dus vernietigden de Galliërs hun nederzettingen en sloegen ze alle voorraden op in enkele versterkingen. Caesars mannen zouden gedwongen zijn die aan te vallen en, omdat ze zich steeds vanuit hetzelfde gebied moesten bevoorraden, een makkelijke prooi vormen voor Gallische troepen, die de Romeinse foerageurs zouden aanvallen. Uitgehongerd als de legionairs zouden zijn, zouden ze de strijd vroeg of laat moeten staken en in hun eigen land op zoek gaan naar voedsel. Vercingetorix’ strijdplan had kans van slagen, maar uiteindelijk gaven de technische superioriteit van de Romeinen en het Gallische onvermogen snel te mobiliseren de doorslag.

Dat bleek voor het eerst bij Bourges, een stad die was gelegen op een onneembaar geachte heuvel. De Romeinen bouwden echter een schans, rolden daarover belegeringstorens naar voren en namen de stad in voordat de Galliërs deze hadden kunnen ontzetten. Een Romeinse nederlaag bij Gergovia leek de kansen te doen keren, maar uiteindelijk slaagde Caesar erin Vercingetorix te isoleren op een heuvelfort dat de Romeinen aanduidden als Alesia, een benadering van het Gallische Alisiia. De Romeinse generaal deed zelf verslag – hier in de vertaling van Vincent Hunink:

De eigenlijke stad lag bovenop een heuvel op grote hoogte. Inname leek dus onmogelijk behalve door een beleg. Tegen de voet van die heuvel stroomde aan beide kanten een rivier. Vóór de stad strekte zich een vlakte uit van ongeveer vijf kilometer lang. Aan alle andere kanten lagen rondom de stad op geringe afstand heuvels met even hoge toppen. Het deel van de oostzijde dat lager dan de stadsmuur lag – die plek werd helemaal gevuld met troepen van de Galliërs, en ervoor was een gracht en een lemen muur van twee meter hoogte aangelegd.

Het schanswerk waarmee de Romeinen een begin maakten, had een omtrek van vijftien kilometer. De kampen waren op gunstige plekken geplaatst en er waren drieëntwintig bastions gemaakt. Op deze bastions zette men overdag posten om plotselinge uitvallen te voorkomen. ’s Nachts werden ze bemand door sterke garnizoenen met nachtwachten.

De belegeringswallen zijn in de negentiende eeuw opgegraven rond het dorpje Alise-Ste-Reine, gelegen aan de voet van het plateau waarop de Gallische nederzetting zich ooit verhief. De vondsten bevestigen wat Caesar over de schansen schrijft: dat vóór de palissade twee grachten waren gegraven en op de plaats waar iemand de wal zou bestormen, takken uitstaken om de beklimming te bemoeilijken. Vóór de grachten lag een veld met wat de soldaten “zerken” noemden: takken die in de bodem waren verankerd en niet konden worden weggetrokken. Dáárvoor waren valkuilen met puntige palen, en helemaal vooraan lagen voetangels. Een uitval vanuit het heuvelfort werd door deze obstakels enorm vertraagd en stelde Vercingetorix’ soldaten minutenlang bloot aan Romeinse projectielen.

[Wordt vervolgd]

8 gedachtes over “Alesia (2)

  1. Jeroen

    Ik vraag me altijd af waarom het ene stukje 40 reacties krijgt, en de andere nul…

    nou ja… ééntje dan…

    1. FrankB

      En die bevat het antwoord al – want ook u hebt het niet over de inhoud van JL’s stukje. Of weet u zelf niet waarom dat zo is?!

    2. Dirk

      Omdat er geen Jezus of Mohammed bij Alesia was?

      Vooruit dan: ‘De Romeinen hadden bij wijze van wraak elke bewoner van het huidige Brabant en Limburg vermoord. ‘
      Dat is overdreven. Maar daarmee zeg ik niets nieuws.

    3. Dat vraag ik me ook weleens af. Zoals ik ook weleens de vraag stel waarom sommige stukjes, die ik zelf interessant vind, totaal geen publiek vinden, terwijl stukjes die ik schrijf omdat ik ze ergens voor nodig heb en waarvoor ik weinig lezers verwacht, ineens heel populair zijn. Ik ga ervan uit dat er geen systeem is.

      1. Ik weet niet of gebrek aan reacties hetzelfde is als gebrek aan interesse. Zelf spaar ik dergelijke series vaak zo’n beetje op en ga ze dan achter elkaar lezen. Als ik dan al een reactie wil plaatsen, dan kan dat wel bij de laatste aflevering. Heeft dus zeker niets te maken met desinteresse.

  2. Michel Gastkemper

    Vervolgverhalen zijn sowieso moeilijker te becommentariëren. Op welke moet je commentaar leveren? Welk punt moet je eruithalen? Ze moeten wel eerst gelezen worden en liefst begrepen ook, dat is nog een heel werk…

    1. Ben Spaans

      Items als Museumstukken: daar weten de meesten van ons veel te weinig vanaf om er een zinvolle opmerking over te kunnen maken.

  3. Robert

    De Romeinen maakten immens veel zaken buit, roerende en onroerende. Hoe maakten ze dat te gelde? Ik neem aan dat er een hele tros van opkopers met het leger meereisde?

Reacties zijn gesloten.