De laatste heidenen

Severus Alexander (Museum van Dion)
Severus Alexander (Museum van Dion)

Het is Romeinenweek en hoewel ik al schreef dat de Romeinen overal om u heen te zien zijn in allerlei musea of met een gids als Herman Clerinx, zijn er drie dingen die veel meer in het oog springen: het feit dat u woont in een stad, het feit dat u Nederlands spreekt en het feit dat deze zondag uw vrije dag is – met andere woorden, dat u leeft in een cultuur die is gevormd door het christendom. Zelfs onze geschiedbeelden zijn christelijk, zoals het idee waarmee ik deze reeks begon: dat er een machtige strijd tussen christenen en heidenen is geweest. Dat is, ietwat cru geformuleerd, christelijke propaganda.

Even terug naar het begin: er is de laatste jaren heel veel bekend geworden over de wortels van het christendom. Een belangrijke factor is dat eindelijk het embargo van de Dode Zee-rollen is opgeheven en we sinds 2009 beschikken over de volledige tekst, zodat we weten dat het materiaal dat daarvoor bekend was, nogal atypisch is. Pas nu begint het onderzoek naar het antieke jodendom pas echt. Een andere factor is het New Perspective on Paul, dat alles op z’n kop heeft gezet en duidelijk maakt dat Paulus nooit echt heeft gebroken met het jodendom. Meer dan vroeger zien we nu open communicatie tussen joden en christenen tot diep in de vierde eeuw: het is de openheid die het jodendom altijd heeft gehad.

Iets dergelijks geldt voor de relatie tussen joden en heidenen: de grenzen waren ook in die richting open – het onderscheid was niet of je één of verschillende goden aanbad, zoals ons geschiedbeeld is, want dat kon eigenlijk niemand veel schelen. Veel traditionele gelovigen neigden naar monotheïsme, terwijl jodendom en christendom aspecten hadden van wat ik “ditheïsme” heb genoemd. Afgezien van crisissituaties waarin de christenen moesten offeren aan de keizer, zal het meest in het oog springende aspect van hun levenswijze zijn geweest dat ze de halachische regels handhaafden over het offervlees: het deel van de Wet van Mozes dat ook voor niet-joodse christenen gold (Handelingen 15.29).

De grenzen waren open en we moeten er dus niet van opkijken dat traditionele (“heidense”) gelovigen open stonden voor joodse en christelijke ideeën. Voor een voorbeeld citeer ik uit de Historia Augusta, uit het leven van keizer Alexander Severus. Of de passage betrouwbaar is, is niet zo belangrijk: óf de keizer óf “een schrijver uit zijn tijd” óf de auteur van die collectie keizerbiografieën meende dat zelfs het hoofd van staatscultus joodse en christelijke personages kon vereren:

Als hij [Severus Alexander] daar de gelegenheid voor had, dat wil zeggen als hij niet bij zijn vrouw had geslapen, bracht hij in de vroege ochtend een offer in zijn lararium [privéheiligdom], waar hij beelden had van vergoddelijkte keizers, van wie hij de beste had uitgekozen, en van heilige gestorvenen, onder anderen Apollonios, en, zoals een schrijver uit zijn tijd zegt, Christus, Abraham en Orpheus en andere dergelijke figuren, en portretten van zijn voorouders. (Historia Augusta, “Alexander Severus” 29; vertaling John Nagelkerken)

Een ander voorbeeld is generaal Bacurius, die u moet plaatsen in de tweede helft van de vierde eeuw. De kerkhistoricus Rufinus noemt hem een christen en daarin kan hij gelijk hebben, want de twee mannen hebben elkaar ontmoet. Bacurius’ penvriend Libanius beschouwde de soldaat daarentegen als een heiden. De verklaring moet zijn dat Bacurius te welgemanierd was om van religie een principezaak te maken: met de ene gastheer bad hij een christelijk gebed en in het huis van de tweede brandde hij wierook voor de voorouders. Dit is inderdaad wat inconsequent, maar in die delen van de wereld waar het calvinisme nooit is doorgebroken, is het tot op de huidige dag vrij gebruikelijk dat iemands gedrag en overtuigingen niet per se met elkaar in overeenstemming zijn.

Er moeten in de vierde eeuw tienduizenden Bacurii zijn geweest: mensen die de oude goden vereerden, het nieuws dat de keizers Licinius en Constantijn met de kerk waren gaan samenwerken ter kennisgeving aannamen, die het idee van één vaste rustdag in de week eigenlijk wel sympathiek vonden, zich stoorden aan het gedram van christelijke scherpslijpers maar ook christelijke vrienden hadden. De structuur van een christelijke kerken, met een groot voorportaal (“narthex”) voor niet-gedoopten, duidt erop dat de meeste gemeenten rekening hielden met belangstellenden, zoals de joden altijd een kring van godsvrezenden hadden gehad: mensen voor wie het te veel was zich te bekeren maar die ook niet onsympathiek stonden tegenover het geloof. De Bacurii hechtten aan de oude goden, begrepen dat het er eigenlijk maar één was en beschouwden het christendom en jodendom als ietwat ongebruikelijke vormen om de Ene te vereren.

Een bekering was voor hen niet zo’n grote stap: changer la religion, c’est changer la table mais non pas le seigneur. Synesios, over wie ik weleens heb geblogd, is een voorbeeld. De architecten en decorateurs van de kerken van de vierde eeuw voelden zich vrij allerlei bestaande religieuze vormen over te nemen. Het bekendste voorbeeld is natuurlijk de traditionele Maria-iconografie: moeder met baby op de arm, afgeleid van de afbeeldingen van Isis met baby Horus.

Christus, afgebeeld als de Zeus van Olympia. De tien apostelen waar ge als de kippen bij zijt, zijn geen aanwijzing voor een vergeten christelijke ketterij maar voor een wat onhandig uitgevoerde restauratie.
Christus (Santa Pudenziana, Rome). De tien apostelen waar ge als de kippen bij zijt, zijn geen aanwijzing voor een vergeten christelijke ketterij maar voor een wat onhandig uitgevoerde restauratie.

Het fenomenale mozaïek in de Santa Pudenziana in Rome is geïnspireerd op het beeld van Zeus in Olympia. (De joden deden hetzelfde in hun synagogen: vaak was er een mozaïek met Helios in zijn vierspan.) Eerbewijzen die de christenen lange tijd had afgewezen omdat ze teveel leken op traditionele culten, zoals het branden van wierook, raakten langzamerhand alsnog in zwang. De grenzen tussen de diverse erediensten – joods, christelijk en anders – waren vloeiend en de meeste mensen maakten er niet zo’n punt van.

In de loop van de vierde eeuw keken de Bacurii verbijsterd naar keizer Julianus, die de oude culten nieuw leven wilde inblazen. Ik probeer me in te denken hoe wat oudere Nederlanders die erover klagen dat het middelbaar onderwijs er sinds de Mammoetwet niet beter op is geworden, het zouden vinden als de MULO en de HBS opnieuw zouden worden ingevoerd. “Sympathiek,” zouden ze zeggen, “maar het is veel te ingrijpend om nu nog te doen en er gaan ook verworvenheden verloren.” Ik denk dat de gemiddelde Bacurius zo heeft gekeken naar Julianus: de herinvoering van het heidendom was goed bedoeld, maar soms moet een mens zijn verlies nemen en is het corrigeren van de schade erger dan het aanvaarden ervan.

Vijftien jaar na Julianus viel het doek. De Romeinen leden in 378 een enorme nederlaag en de overheid had alle middelen nodig om het leger op sterkte te houden. In 382 beëindigde de overheid de subsidiëring van de heidense culten. Dat plaatste de Bacurii voor de keuze: óf het tempelonderhoud zelf financieren óf de zaak op zijn beloop laten. Voor arme Romeinen maakte dat niet zoveel uit, maar voor de rijkere wel: als ze een tempel “adopteerden”, keerden ze zich vrij demonstratief tegen de religieuze ideeën van de christelijke heersers. Dat was niet goed voor je carrière en de reputatie van je familie. Uiteindelijk ging de familie-eer voor de eer van de oude goden en daarna liepen de traditionele culten als een ballonnetje leeg.

[Over onze bronnen, die een ander beeld geven, over een uur meer. Wordt dus nog één keer vervolgd.]

6 gedachtes over “De laatste heidenen

  1. Boeiend verhaal over christenen, joden en heidenen, maar ik stuit op de zinnen:
    ” Ik probeer me in te denken hoe wat oudere Nederlanders die erover klagen dat het middelbaar onderwijs er sinds de Mammoetwet niet beter op is geworden, het zouden vinden als de MULO en de HBS opnieuw zouden worden ingevoerd. “Sympathiek,” zouden ze zeggen, “maar het is veel te ingrijpend om nu nog te doen en er gaan ook verworvenheden verloren.””
    Wat voor verworvenheden dan wel?
    Ik kom uit de tijd van MULO en HBS, zoals wel duidelijk is door mijn vraag.

    1. Er is een officieel verbod uit – ik meen – 392, maar dat eindigt met de aankondiging van vervolgwetgeving, die er niet lijkt te zijn geweest. Misschien waren de grote heiligdommen toen al zó ver in verval dat die vervolgwetgeving er niet meer hoefde komen. Van de andere kant staat vast dat in de Cyrenaica rond 410 nog Cybele-processies plaatsvonden.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s