Factcheck: De dood van Alexander

Alexander (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

Wat gebeuren moest, gebeurde. Toenemende mobiliteit maakt dat ziekten zich makkelijker kunnen verspreiden. En ook: als het warmer wordt, kunnen ziektekiemen zich verspreiden naar andere gebieden. Is het niet omdat bacteriën extra ruimte krijgen waarbij ze zich senang voelen, dan is het omdat de dragers van virussen die ruimte krijgen. Kortom: niemand zal verbaasd zijn dat het westnijlvirus nu in Nederland is, zoals De Volkskrant bericht.

In zijn stukje meldt journalist Tony Mudde ook dat er een beruchte theorie is dat het westnijlvirus Alexander de Grote doodde. Keurig met een linkje erbij dat u brengt bij uitleg waarom het onzin is. Want dat is het. De theorie is destijds gepubliceerd om mee te surfen op de publiciteitsgolf rond de film van Oliver Stone en diende, naar het schijnt, vooral fondsenwerving voor een lab. Wetenschappelijk is het quatsch en dat was van begin af aan duidelijk. In mijn boek over Alexander heb ik er geen woord aan besteed. De tegenargumenten waren dan ook, om een gepaste metafoor te gebruiken, dodelijk.

Medische dossiers en verouderde vertalingen

Om te beginnen hebben we simpelweg geen medisch dossier en waren de antieke auteurs geen artsen. Ze schreven sowieso niet om onze medische of andere vragen te beantwoorden. (Deze kwesties spelen ook bij de dood van Caesar, waarover ik al eens blogde.) Bovendien: zelfs áls we de bronnen zouden mogen gebruiken voor medische informatie, dan lijken de symptomen van Alexanders dood vooral op tyfus. Er is nog een argument, dat ik niet op waarde kan schatten, maar het schijnt dat het virus pas is ontstaan in de achtste eeuw n.Chr., een ruim millennium na Alexander.

Als u de stukken leest waarnaar Mudde verwijst, zult u zien dat degenen die de theorie opperden, zich baseerden op de Dryden-vertaling. Dat is ook al geen aanbeveling, want dat is de tekst die de zeventiende-eeuwse auteur John Dryden ooit bestelde, waarvan de vertalers niet werkelijk bekend zijn, en die niet geldt als werkelijk accuraat. Levend aan het begin van de eenentwintigste eeuw konden de opstellers van de westnijlvirustheorie betere vertalingen raadplegen, gebaseerd op recentere edities van de Griekse teksten. Die waren te vinden in instellingen die destijds bestonden, zogeheten bibliotheken. Ze hebben echter niet verder gekeken dan het internet, waar de rechtenvrije Dryden al aanwezig was.

Waarom het ertoe doet

Kortom, het was quatsch en dat is het nog altijd. Ik zou er zelf daarom geen aandacht aan hebben besteed. Je geeft zo immers een idee dat in welverdiende vergetelheid is geraakt opnieuw aandacht. Ik ben er vrij zeker van dat er nu mensen zijn die Muddes link niet volgen, het idee opnemen dat Alexander aan het westnijlvirus is gestorven en het weer met anderen delen. Het is het mechanisme waardoor allerlei verouderde ideeën terug blijven komen. Verouderde informatie herhalen is nooit onschuldig. Hoeveel mensen zijn niet gesterkt in het idee dat migraties een einde maakten aan het Romeinse Rijk omdat ze wél het bizarre verhaal van Mark Rutte hoorden maar niet de weerlegging?

Aderlaten

En nog iets. Geen journalist zal over ITER schrijven dat er een beruchte theorie is dat kernfusie ook kan op kamertemperatuur. Kranten laten Niburu onvermeld in stukken over planeetonderzoek, Niemand verwijst naar aderlating in een artikel over koortsbestrijding. Het is het voorrecht van de oudheidkunde dat ze steeds opnieuw dient als leverancier van weetjes om artikelen te versieren over andere onderwerpen.

Daar hebben oudheidkundigen, vooral classici, het wel naar gemaakt door zelden aandacht te vragen voor hun eigen inzichten en steeds weer in te haken op andermans onderzoek: “ook in de Oudheid hadden ze epidemieën”. Het was beter als oudheidkundigen publiciteit zochten over wat er in het vak écht toe doet. (Hint: hoe de bioarcheologie momenteel de tekstuitleg verandert en daarmee onze visie op burgerschap.) Het zou ook fijn zijn als journalisten dáár aandacht aan besteedden. De Oudheid is meer dan een repositorium van leutige feitjes, verouderd of niet.

6 gedachtes over “Factcheck: De dood van Alexander

  1. keesclaas

    Het is het mechanisme waarmee de bangmakerij voor virussen en bacteriën wordt opgepomt, dat ons tegenwoordig parten speelt. Er zijn journalisten en wetenschappers die eer alles voor uit de kast halen.

  2. Rudmer Koopal

    Een reeks (oude) verwondingen, zware drinkgelaggen in combinatie met bacteriën en virussen vormen een dodelijke cocktail. Alexander kreeg koorts naar een nacht met veel alcohol en voelde een stekende pijn in zijn onderrug aldus Adrian Goldsworthy zijn dubbelbiografie over Philippus en Alexander die 1 oktober verschijnt ( ik maak even schaamteloos reclame omdat ik voor de uitgeverij van het boek werk).
    Overmatig alcohol gebruik speelt misschien wel een grotere rol dan we waar willen hebben.

    1. Het artikel waar Jona naar verwijst:

      Although Alexander had an appetite for alcohol, his terminal illness is inconsistent with liver failure attributable to alcoholic cirrhosis or delirium tremens

  3. FrankB

    “We weten het niet”, vooral wanneer aangevuld met “we kunnen het niet weten” schijnt voor veel mensen onacceptabel te zijn.

  4. Ben Spaans

    Alexander moet ook flink verzwakt zijn geweest door de verwondingen die hij bij zijn campagne (=moordpartij) langs de Indus had opgelopen. Dat kan althans heel goed.

  5. Die westnijlvirustheorie lijkt mij een product van beta-arrogantie: de epidemiologen die de mogelijkheid opperden dat Alexander aan een infectie met het westnijlvirus stierf, vonden het niet nodig om oudheidkundigen te raadplegen over de kunst van het interpreteren van oudheidkundige bronnen (hun zogenaamde data).

    De op sensatie beluste journalist van de Volkskrant maakt het helemaal bont. Niet alleen ondersteunt hij zijn bewering dat het westnijlvirus dodelijk kan zijn voor mensen met de niet serieus te nemen opvatting van een tweetal arrogante epidemiologen over de dood van Alexander de Grote zonder er bij te vertellen dat het artikel waar hij naar verwijst deze opvatting met de grond gelijkmaakt, hij laat ook een steek vallen in de redenering waarmee hij concludeert dat het virus in Nederland voorkomt. Die conclusie zou gebaseerd zijn op de vondst van een grasmus met antistoffen tegen het westnijlvirus. “Omdat dit geen trekvogel is, heeft het dier het virus waarschijnlijk in Nederland zelf opgelopen”. Een blik in het Handboek Vogels, een simpel mailtje naar een bevriende vogelaar of een nauwkeuriger lezing van het persbericht waar hij naar verwijst, zou hem geleerd hebben dat grasmussen trekvogels zijn die in Africa overwinteren en alleen in het zomerseizoen in Nederland aanwezig zijn (ze arriveren half april en zijn op dit moment al vrijwel allemaal uit Nederland verdwenen).

    Het nieuwsbericht van het RIVM meldt dat er in Nederland regelmatig trekvogels met antistoffen tegen het westnijlvirus gevangen worden. Vandaar dat het te verwachten valt dat dit vogelvirus zich in de loop der tijd ook in Nederland zal vestigen. De onlangs gevangen grasmus is ook al eens eerder dit jaar gevangen en had toen geen antistoffen tegen het virus. Hij kan het virus dus niet uit Afrika meegenomen hebben.

Reacties zijn gesloten.