Dertig Egyptische dynastieën en drie Egyptische rijken

De Nijl

Zoals ik al eens vertelde, ben ik begonnen met het herlezen van het handboek waarmee ik in mijn eerste jaar oude geschiedenis leerde, Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek. Zijn de inzichten nog dezelfde? Ben ik dingen vergeten? Wat zou ik anders doen? Wat is leuk om toe te voegen?

Chronologische indeling

De Blois en Van der Spek vertellen dat de Egyptische auteur Manetho dertig dynastieën onderscheidde en dat er daarnaast een moderne indeling bestaat in drie rijken.

  • het Oude Rijk (c.2675-2200 v.Chr. ofwel de dynastieën Drie tot en met Zes),
  • het Middenrijk (c.2140-1720 v.Chr. ofwel de dynastieën Elf tot en met Dertien),
  • het Nieuwe Rijk (c.1540-1070 v.Chr. ofwel de dynastieën Zeventien tot en met Twintig).

Dit is een punt waar ik het anders zou hebben aangepakt. Ik zou hier hebben verteld wat beide systemen ons vertellen over het proces van wetenschappelijke kennisverwerving.

Negentiende-eeuws Egypte

De egyptologie is ontstaan nadat Champollion in 1822 het hiërogliefenschrift had ontcijferd. De eerste wetenschappelijke reconstructie van de Egyptische geschiedenis is dus ontstaan in de negentiende eeuw. Dat was een tijd waarin de schepping van de op één volk en één taalgemeenschap gebaseerde eenheidsstaat hoog op de politieke agenda stond en dat heeft ons beeld van het verre verleden gevormd. In de tijd van de Bourbons, Hannovers, Hohenzollern, Ottomanen, Romanovs en Savoyes vond niemand het vreemd de geschiedenis in te delen in dynastieën, en dus namen de eerste egyptologen dat over. Ook vond niemand expansie en imperialisme vreemd, en dus vonden egyptologen perioden van eenheid goed en de perioden van decentralisatie slecht: vandaar de nadruk op de drie “rijken” en een typering van de tussenperioden als tijden van neergang.

De Blois en Van der Spek staan in deze traditie als ze schrijven dat het Oude Rijk “ten val” kwam omdat de heersers van deelgebieden, de gouwvorsten, “te machtig” werden. De egyptoloog Romer, wiens boek over deze periode ik hier besprak, presenteert het anders: de welvaart die was ontstaan had geleid tot het ontstaan van een rijke hofcultuur, waar nu meer mensen deel aan kregen. Dezelfde data, geïnterpreteerd vanuit een globaliserende cultuur, een ander verleden.

De eeuwige negentiende eeuw

Ik benadruk dit punt, omdat de negentiende-eeuwse indelingen bij ons zijn gebleven. De geschiedenis van Mesopotamië is ook gestructureerd in de vorm van dynastieën (“Derde dynastie van Ur”, “Eerste dynastie van Babylon”) en rijken (“Midden-Assyrische Rijk”). Ook de geschiedenis van het hellenisme en het Romeinse Rijk wordt gewoonlijk zo verdeeld. Deze indelingen komen ons volkomen natuurlijk over, hoewel zeker de oosterse geschiedenis momenteel zinvoller te verdelen is met de archeologische begrippen: Vroege Bronstijd, Midden-Bronstijd, Late Bronstijd enz. (Dat ik hier het waardeoordeel “zinvoller” geef, is natuurlijk afhankelijk van mijn positie in de vroege eenentwintigste eeuw. Over een halve eeuw is dit weer achterhaald.)

Die negentiende eeuw, die blijft terugkomen. Het vertaalt zich bijvoorbeeld in de oudhistorische obsessie met burgerrechten: de afschaffing van de feodale rechten en de emancipatie van de burgerij waren in de negentiende eeuw nog iets dat mensen zich herinnerden en tot op de huidige dag is de verspreiding van het Romeins Recht een oudhistorisch hoofdthema. Zie ook onder: “democratie, Atheens”.

Nieuwe en oude inzichten

Soms overwint de geschiedschrijving de negentiende eeuw. Weinig historici zullen nog de oude typologie van Romeinse stedelijke rechten (de municipium-status die sommige gemeentes zouden hebben gehad) nog accepteren, maar helaas dringt zoiets niet door tot de archeologie. Nog vorige week correspondeerde ik met iemand over de municipale status van Tongeren en ik zie het misverstand ook weer in het overigens uitstekende boek van Buijtendorp. Andersom gebeurt natuurlijk ook, dat historici verouderde beelden hebben van de archeologie.

Nog wat negentiende-eeuwse fascinaties: de nadruk op territoriaal begrensde staten, de aanname dat er hoofdsteden zijn geweest, de belangstelling voor slavernij, het idee dat er een verschil is tussen oorlogstijd en vredestijd en de aanname dat er een wezenlijk onderscheid is tussen het christendom en het heidendom. Die laatste is natuurlijk een projectie van de negentiende-eeuwse antithese tussen confessioneel en niet-confessioneel en tussen godsdienst en seculiere wetenschap.

Hoe de negentiende-eeuwse obsessies ons beeld van de Oudheid hebben gevormd, weet elke oudheidkundige. Als het niet in het handboek staat, komt de uitleg wel gewoon op college, dat er immers is om te contextualiseren. Het vervelende is dat die negentiende-eeuwse ideeën elders nog volop circuleren. Als archeologen de twintigste-eeuwse inzichten van historici al niet kennen (en vice versa), moeten we dat niet vreemd vinden.

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

3 gedachtes over “Dertig Egyptische dynastieën en drie Egyptische rijken

  1. Frans Buijs

    Het was wat gedoe, maar het is gelukt! Ik kan het boek Het Oude Egypte van Toby Wilkinson aanraden, dat ook twijfels zet bij dat idee dat de tussenperioden automatisch een tijd van crisis waren. Als je maar één boek over Egypte leest…

  2. Dirk Zwysen

    Vandaag in de De Standaard een opinieartikel van Ilja Leonard Pfeiffer waarin hij het opneemt voor cultuureducatie en erfgoed omdat we daardoor onze eigen plaats beter leren begrijpen. In de 19de eeuw (en vandaag nog bij veel nationalisten) zocht men in het verleden blijkbaar vooral naar bevestiging van de eigen realiteit, of anders wel een bewijs van de eigen vooruitgang. In onze tijd kijken we graag naar het verleden omdat het zo anders is en we zo onze vanzelfsprekendheden leren herkennen. Of ben ik nu naïef?

  3. Door het gedoe met de reactiepanelen is de reactie van Bert van der Spek niet aangekomen. Die plaats ik nu – namens hem dus.

    ****

    Je hebt een punt, Jona. Ik voel me er ook soms ongemakkelijk bij. Dat de historicus van nu tijdgebonden is erken ik in de Inleiding: “Als alle wetenschappen is ook de geschiedwetenschap voortdurend in beweging. Het beeld dat de auteurs van dit boek hebben geschapen, is een product van twee auteurs aan het begin van de eenentwinstigste eeuw en is zoveel mogelijk verantwoord naar de huidige maatstaven. Deze oudheid is dus anders dan de oudheid uit de eerste editie van dit boek” (p. 12) Ik ben dus een kind van mijn tijd en draag mee de last (en zegen) van het verleden. Daarbij hoort de 19e eeuw. Dat wil niet zeggen dat al wat in de 19e eeuw bedacht is, onzin is. Het hoofdstuk dat je bespreekt behandelt politieke geschiedenis. Politiek gaat over macht en macht heeft veel invloed op mensen in hun dagelijks leven en heeft grote implicaties voor b.v. godsdienst en economie. Dus het is niet alleen maar een wedstrijdje vechten tussen koningen. Het feit dat Nebukadnessar Babylon tot hoofdstad (ja er is weinig tegen in te brengen Babylon hoofdstad te noemen) van een groot rijk maakte betekende dat er veel kapitaal naar Babylon vloeide (en weggehaald werd uit de periferie) en dat de economie (mede door investeringen in stedenbouw en irrigatiekanalen) in Babylonië kon bloeien. Het was ook van belang voor de religie. Door de Babylonische ballingschap kwamen Judeeërs in nauw contact met de Babylonische cultuur, zodat veel Babylonisch gedachtegoed in de Bijbel is terechtgekomen. Het is dus niet zomaar wat. Als ik zeg dat een rijk ‘ten val’ komt, spreek ik daar geen waardeoordeel mee uit. Ik constateer het gewoon. Ik heb wel eens kritiek gehad op het feit dat ik Alexander III van Macedonië “Alexander de Grote” noemde. Alsof ik daardoor sympathie voor hem heb. Ik doe dat alleen maar omdat dat nu eenmaal gebruikelijk is. Als ik een oordeel zou willen vellen, zou ik zeggen dat Alexander niets te zoeken had in Azië, dat hij die gebieden ten onrechte in bezit heeft genomen en dat hij een oorlogsmisdadiger avant-la-lettre was. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de Romeinen die het Middellandse Zeegebied veroverden, voor de Kaliefen die een nog groter gebied veroverden, voor Mehmet II die Constantinopel veroverde, voor Nederland dat Indië veroverde en voor Frankrijk dat Atrecht inpikte. Al die rijken hebben grote invloed uitgeoefend op het verloop van de geschiedenis. Het is mijn taak dat proces te beschrijven.

    Bert van der Spek

Reacties zijn gesloten.