De gefnuikte opmars van Scipio Metellus

De Haliakmon

Als ik u zeg dat het medio mei was en toevoeg dat het was in het jaar waarin Gaius Julius Caesar (voor de tweede keer) en Publius Servilius Isauricus de Romeinse consuls waren, en als ik dat voor u omreken naar begin april 48 v.Chr. op onze kalender, dan weet u dat u bent beland in een nieuwe aflevering van de reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?”

Het antwoord op die vraag is dat hij nog steeds bij Dyrrhachion was, het huidige Durrës in Albanië. Zijn mannen waren bezig schansen te bouwen om de soldaten van Pompeius te omsingelen. Die waren even hard bezig schansen te bouwen om te beletten dat ze aangevallen zouden worden. Daarmee zouden ze zich nog wel even mee bezighouden, dus wij schakelen over naar Griekenland. De vraag op aller lippen is immers: wat was Quintus Caecilius Metellus Pius Scipio Nasica aan het doen? Ik zal u niet in spanning houden.

Scipio in Griekenland

Wie herinnert zich niet dat Pompeius zijn schoonvader, de we verder maar Scipio Metellus zullen noemen, had benoemd tot gouverneur van Syrië? Daar had deze de Parthen op afstand gehouden na de Romeinse nederlaag bij Carrhae. Toen de Tweede Burgeroorlog was uitgebroken, had hij zijn troepen door het huidige Turkije naar het westen gebracht, naar Macedonië, waar men Caesar had gevraagd om hulp. Die had het Elfde en Twaalfde Legioen, gecommandeerd door Gnaeus Domitius Calvinus, uitgezonden om Scipio Metellus tegen te houden. Tegelijkertijd was Lucius Cassius Longinus met Legio XXVII op mars gegaan om in Thessalië Caesars graanvoorziening veilig te stellen.

Oprukkend over de Via Egnatia waren de twee legioenen van Domitius Calvinius het leger van Scipio Metellus genaderd, maar toen ze nog een kilometer of dertig van elkaar waren, was die plotseling uitgeweken naar zuiden. Daar had hij het Zevenentwintigste willen uitschakelen. Het bestond uit rekruten en leek een makkelijke prooi. Een overwinning zou indruk maken op de legionairs in het Elfde en Twaalfde, zodat ze gedemoraliseerd de strijd zouden aanbinden als Scipio weer noordwaarts ging naar Macedonië terugkeerde.

Het was anders uitgepakt. Het Elfde en Twaalfde waren eveneens bliksemsnel opgerukt – het Twaalfde zou later de bijnaam Fulminata dragen, “Bliksemsnel” – en Scipio had terug moeten keren omdat zijn achterhoede gevaar liep.

Geen veldslag

Op het moment waarop Domitius en Caesars Elfde en Twaalfde aankwamen op de noordelijke oever van de rivier de Haliakmon, voegde Scipio zich op de zuidelijke oever bij zijn achterhoede. Caesar vertelt:

Scipio bleef twee dagen in een vast legerkamp bij de Haliakmon, die tussen hem en Domitius’ kamp stroomde. Op de derde dag liet hij bij het eerste daglicht zijn leger via een ondiepte oversteken en sloeg zijn legerkamp op; de volgende ochtend stelde hij zijn troepen voor het kamp op. Domitius vond toen ook dat hij zijn troepen zonder aarzelen moest laten uitrukken voor een beslissende slag. Maar ofschoon tussen de twee legerkampen een vlakte van drie mijl lag, bracht Domitius zijn slaglinie tot vlak voor Scipio’s legerkamp en bleef de ander dicht bij zijn wal. (Burgeroorlog 3.37; vert. Hetty van Rooijen)

Het kwam die dag niet tot een veldslag maar Scipio Metellus was – zo pocht Caesar – onder de indruk van de vechtlust van de moed van de vijandelijke soldaten. Bang voor een gevecht liet hij het leger weer terugkeren naar de zuidelijke oever.

Hinderlagen

Een door Scipio Metellus gelegde hinderlaag zou, opnieuw volgens Caesar, weinig hebben opgeleverd. Nu was het de beurt van Domitius om een hinderlaag te leggen.

Hij deed alsof hij wegens gebrek aan voedsel opbrak, gaf het signaal daarvoor, rukte drie mijl op en bracht op een geschikte en verborgen plaats zijn hele infanterie en ruiterij in stelling. Scipio maakte zich op om te volgen, en hij stuurde een groot deel van zijn ruiterij vooruit om Domitius’ route na te gaan en te verkennen. Toen zij een eind gevorderd waren en hun eerste eskadrons de plaats van de hinderlaag hadden bereikt, wekte het hinniken van de paarden hun argwaan en begonnen ze naar hun troepen terug te keren. De ruiters achter hen hielden halt bij het zien van hun snelle terugtocht. Nu de hinderlaag ontdekt was wilden onze mannen niet vergeefs op de anderen wachten. Ze haalden twee eskadrons in en sneden ze de pas af. Van hen konden slechts enkelen ontkomen, onder wie de ruitercommandant Marcus Opimius; alle andere ruiters van die eskadrons werd óf gedood óf als gevangenen naar Domitius gebracht. (Burgeroorlog 3.38; vert. Hetty van Rooijen)

Het lijkt erop dat ook de hinderlaag van Caesars leger weinig had uitgehaald. De twee legers bleven verder bij elkaar in de buurt, zonder dat er veel veranderde. Scipio Metellus zat klem tussen het leger van Gnaeus Domitius Calvinus in het noorden en het Zevenentwintigste van Lucius Cassius Longinus in het zuiden. Een vloot zou hem hebben kunnen evacueren, maar die was naar Albanië gevaren. Evengoed hield Scipio drie van Caesars legioenen vast in Griekenland, die anders hadden kunnen zijn ingezet in Dyrrhachion.

[Een overzicht van de reeks #RealTimeCaesar is hier.]

3 gedachtes over “De gefnuikte opmars van Scipio Metellus

  1. FrankB

    Eens even kijken, je gebruikt Caesar als bron en diens verborgen agenda (eigen eer en glorie eerst) is zo overduidelijk dat die niet verborgen meer is te noemen. Wellicht heb ik het gemist, maar hoeveel legioenen had Scipio Metellus eigenlijk? Naar mijn indruk heel wat minder dan de mensen van ouwe Sjuul.
    Een goed strateeg weet dan wat te doen. Terugkeren naar Albanië? Scipio en Pompeius zouden daar met een overmacht te maken krijgen. De strijd aangaan? Scipio zou in de pan worden gehakt. Blijft over tijdrekken, veldslagen ontwijken en hopen dat Pompeius wint en daarna komt helpen.
    Dat was precies wat Scipio Metellus deed. Hij was dus inderdaad een goed bevelhebber.

    1. FrankB

      Het wegvaren van die vloot zou dus wel eens onderdeel van het plan geweest kunnen zijn. Waarom die in een naburige haven laten liggen als Scipius er toch geen gebruik van zal maken en die elders wel ingezet kan worden?

    2. Frans Buijs

      Wat een heerlijk woord: gefnuikt! Als je de kans krijgt om zo’n woord te gebruiken, moet je dat altijd doen.

Reacties zijn gesloten.