Een foeragecampagne

De provincie Africa was spreekwoordelijk vruchtbaar: op deze munt uit het museum in Pamukkale wordt ze gepersonifieerd door een vrouw met in haar ene hand een graanhalm en in de andere een hoorn des overvloeds.

Het was alweer de zeventiende maart van in het jaar waarin Julius Caesar (voor de derde keer) en Marcus Aemilius Lepidus het consulaat bekleedden, ofwel 18 januari 46 v.Chr. op onze kalender. U weet: dit is een blogje is in de reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?”

En u kunt het stukje van vandaag eigenlijk overslaan, want aan het einde zijn we terug bij het begin. Het is de stilte voor de storm, want met het volgende blogje komt het einde van de Afrikaanse campagne in zicht. Caesar had de laatste weken alle versterkingen ontvangen die hij nodig had, Metellus Scipio durfde de beslissende slag niet aan: alles was klaar voor de laatste confrontatie – behalve dat Caesar inmiddels beschikte over te veel mensen om nog te voeden. Eerst moest de foerage op orde zijn.

Onderaardse opslagruimtes

De anonieme auteur van De Afrikaanse Oorlog biedt een leuke etnografische observatie, die meteen toont hoezeer de observator zelf een rol speelt:

In Afrika bestaat onder de bevolking de gewoonte om op het land en bij vrijwel alle boerenbedrijven heimelijk onderaardse ruimtes te hebben voor graanopslag, vooral met het oog op oorlogen en plotselinge komst van vijanden. (65; vert. Hetty van Rooijen)

De regio waar Caesars mannen foerageerden, was een van de vreedzaamste uit de oude wereld. Ze behoorde al een eeuw tot een Romeinse provincie en was voordien zeker drie eeuwen vanuit Karthago bestuurd geweest. De mensen hadden nauwelijks ervaring met oorlog en sloegen hun graan heus niet ondergronds op “met het oog op de plotselinge komst van vijanden”. Die grotten waren (en zijn) er sowieso. Het vertelt meer over de rol van de observator dan over de geobserveerde.

Het Romeinse leger plundert een dorp (Zuil van Marcus Aurelius, Rome)

Foeragecampagne naar Aggar

Het is een cliché dat amateur-krijgshistorici kijken naar veldslagen, gevorderden naar strategie en professionals naar logistiek. Een antiek leger marcheerde op graan, olijf- of dadelolie, water en wijn. Caesars belangstelling voor de proviandering blijkt uit allerlei passages in de Gallische Oorlog, de Burgeroorlog en de drie aan hem toegeschreven werkjes over de Alexandrijnse Oorlog, de Afrikaanse Oorlog en de Spaanse Oorlog.

Caesar verzamelde daarom al zijn troepen in het legerkamp, liet garnizoenen achter in Lepcis, Ruspina en Acylla, en gaf Cispius en Aquila vlooteskaders om, de een bij Hadrumetum en de ander bij Thapsus, de zee te blokkeren. Zelf stak hij zijn legerkamp in brand en vertrok in de vierde nachtwake met zijn leger in slagorde en de tros op de linkervleugel. (Afrikaanse Oorlog 67; vert. Hetty van Rooijen)

Let op wat er niet staat: dat de belegering van Uzitta werd afgebroken en was dus mislukt. De hieronder genoemde stad Aggar heet tegenwoordig Ksour es-Saf en ligt veertig kilometer ten zuidoosten van Caesars kamp bij Uzitta. De Gaetuliërs zijn bondgenoten van Metellus Scipio.

Hij kwam bij de stad Aggar, die door de Gaetuliërs al dikwijls was aan gevallen en door de bewoners zelf uit alle macht was verdedigd. Daar sloeg hij in de vlakte één legerkamp op, trok zelf met een deel van zijn leger langs de boerenbedrijven om graan te halen en keerde met een grote hoeveelheid gerst, olie, wijn en vijgen, een kleine hoeveelheid tarwe en een verkwikt leger naar zijn kamp terug.

Scipio had intussen van Caesars vertrek gehoord. Hij begon hem met zijn hele legermacht over de heuvelrug te volgen en legerde zijn troepen verdeeld over drie kampen op zes mijl van Caesars legerkamp. (Afrikaanse Oorlog 67; vert. Hetty van Rooijen)

Dit lijkt te zijn gebeurd op de Romeinse 14 maart en onze 15 januari. Opnieuw is het omrekenen van de datum zinvol: in maart staat het graan immers gewoon op de velden en is het al melkrijp. Niet ideaal, maar Caesars foeragemeesters konden ermee overweg. Een campagne zou niet nodig zijn geweest als het maart was. Maar het was januari.

De verdere campagne

De campagne duurde ruim twee weken. Beide generaals plunderden boerderijen en steden. De Afrikaanse Oorlog noemt allerlei details, zoals de gevangenname van iemand die tweeëntwintig dromedarissen bij zich heeft, gevechten met wisselende uitkomst en voortijdig afgebroken gevechten, trainingen en meer plunderingen. Caesar nam een stad Zeta in, keerde terug naar Aggar, probeerde vergeefs tot een beslissende veldslag te komen en bereikte Thysdrus (El Djem). Zoals ik al eens aangaf, had de bevolking graan aangeboden, maar de stad bleek inmiddels bezet door Caesars tegenstanders. Daarom begon hij onverrichterzake aan de terugmars naar Aggar, waar hij aankwam op 26 maart ofwel 27 januari. Steeds gevolgd door zijn tegenstanders, die ook bezig waren het land te plunderen.

Ik licht er één detail uit: op 21 maart (22 januari) vierde Caesar de Quinquatria, een reinigingsfeest voor zijn leger. Normaalgesproken duurde dat vijf dagen maar als hogepriester én generaal in oorlogstijd paste Caesar de procedure aan.

Het moet Caesars manschappen moed hebben gegeven dat in elk geval was gedacht aan de steun van de goden. Ze hadden diverse gevechten gewonnen en hun foerage enigszins verbeterd. Eind maart (eind januari) gaf Caesar bevel voor de opmars naar de havenstad Thapsus. Alleen hij kon vermoeden dat dit de plek zou zijn van de finale van de Afrikaanse campagne.

[Een overzicht van de reeks #RealTimeCaesar is hier.]

PS

Op 17 februari ben ik in Groningen om te praten over mijn boek Hannibal in de Alpen. Meer informatie hier.

Deel dit: