De wereldondergang volgens Johannes

Alexander als kosmokrator: maansikkel, sterren, en hijzelf als zon (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

Om mijn wekelijkse stukje over het Nieuwe Testament maar met een gemeenplaats te beginnen: een boodschap bestaat uit een kern en een omhulsel. Als ik zeg “de zon komt op”, weet u perfect wat de boodschap is: het is licht aan het worden. Dat is de kern. Tijdens onze conversatie delen we daarnaast een omhulsel van culturele noties. U en ik weten bijvoorbeeld allebei dat het niet letterlijk de zon is die opkomt, maar de aarde die roteert onder een statische zon. Het omhulsel bevat dus de notie dat we de woorden “de zon komt op” niet letterlijk mogen nemen, ja dat het tegengestelde wordt bedoeld van wat feitelijk is gezegd.

Een van de problemen van de oudheidkunde is dat we het omhulsel niet goed kennen. Daarom is een antieke tekst nooit zomaar een antieke tekst. Daarom ook kun je nooit zomaar woord-voor-woord vertalen.

Lees verder “De wereldondergang volgens Johannes”

Het einde van de wereld

Twee jaar geleden blogde ik over de Tweede Brief van Petrus. Het detail dat ik eruit lichtte was de spot die voor de eerste christenen moet hebben behoord bij de dagelijkse ervaringen. Wie gelooft in de terugkeer van een messias en het einde van de wereld, krijgt natuurlijk opmerkingen te horen. “Nou, waar blijft ’ie dan, die gekruisigde praatjesmaker van je?”noot 2 Petrus 3.4; Lucianus documenteert “gekruisigde praatjesmaker”. Je leest in 2 Petrus wat een christelijke visser, huisvrouw of timmerman zo nu en dan hoorde. Speelse plagerijen, zeker, en we moeten het niet groter maken dan het is, maar ook goedmoedige plagerijtjes voorzien iemand van een etiket dat zo iemand in tijden van vervolging stigmatiseert. Een geintje is leuk, maar leuk is niet altijd geinig.

Het einde van de wereld

Aan de voorspelling van de Eindtijd in 2 Petrus is echter veel meer te ontdekken. Het ziet er niet best uit. Dit is een anti-schepping, een omgekeerd Genesis.

De hemelsferen zullen die dag met luid gedreun vergaan, de elementen gaan in vlammen op, de aarde en alles wat daarop gedaan is verdwijnt. noot 2 Petrus 3.10; NBV21.

Lees verder “Het einde van de wereld”

Neoplatonisme en gnosis (2)

Een laatantieke filosoof (Archeologisch museum van Chaironeia)

[Tweede deel van een vierdelige reeks over de laatste, naar mystiek neigende stromingen binnen de antieke filosofie. Het eerste deel was hier.]

Invloeden van oude bekenden

Wie het neoplatonisme bestudeert, herkent allerlei oude bekenden: elementen uit de eerdere filosofische stelsels.

Om te beginnen is er natuurlijk een sterke invloed van de filosofie van Plato zelf. De opvatting dat het Ene ook ruimte en tijd overstijgt is echter terug te leiden tot dat wat Parmenides al had beweerd over het Zijn. We vonden die gedachte eerder al bij Anaximandros, die ook een alomtegenwoordige oerstof aannam, die hij apeiron noemde. Bij Anaximandros verandert dit apeiron zelf echter in de wereld zoals wij die kennen, het blijft niet achter de wereld aanwezig, zoals het Ene bij de neoplatonisten.

Lees verder “Neoplatonisme en gnosis (2)”

Neoplatonisme en gnosis (1)

Portret van een laatantieke filosoof (Antiquarium, Sevilla)

Misschien vormde de crisissfeer van de derde eeuw na Chr., waarover Jona al blogde, de aanleiding voor de verspreiding van verschillende oosterse religieuze ideeën in de Romeinse wereld. Ze gingen een grotere rol gingen spelen in het denken van die tijd. De stoïcijnen, die ooit de filosofische agenda hadden bepaald, verloren aan invloed en maakten plaats voor een nieuwe filosofische school. Dit zogeheten Neoplatonisme combineerde kenmerken van het “oude denken” met een nieuwe spiritualiteit. Deze school geldt als de laatste grote filosofische stroming van de oude wereld.

Geen gewone platonisten

Als de grondlegger van het Neoplatonisme geldt de filosoof Plotinos, die leefde rond het midden van de derde eeuw. Hij en zijn volgelingen beschouwden zichzelf overigens niet als een nieuwe filosofische school, maar als platonisten die de ware filosofie van Plato uitwerkten. Ze noemden zichzelf dan ook gewoon “platonisten”. De accenten die zij in het platonisme legden, wijken echter dermate sterk af van de standpunten van Plato zelf, dat hedendaagse oudheidkundigen hen aanduiden als Neoplatonisten.

Lees verder “Neoplatonisme en gnosis (1)”

Epiktetos (1): Stoa en Vrije Wil

Kareneades (Glyptothek, München)

De antieke stoïcijnen hadden een volkomen deterministisch wereldbeeld. Alles gebeurt zoals het gebeuren moet. Dit staat natuurlijk op gespannen voet met het idee van de vrije wil. Hoe is een vrije wil mogelijk in een wereld waarin alles al vastligt? En hoe is het mogelijk om in een wereld waarin alles vastligt vrije emoties te hebben over die wereld? Dit lijkt in tegenspraak met elkaar.

Karneades

Even terugspoelen: de stoïcijnen verweten de skeptische platonist Karneades een filosofie te hebben ontworpen die apathie in de hand werkt. Want als niets zeker is, hoe kunnen we dan handelen? Karneades’ antwoord op dit probleem lazen we een eindje terug: hij vond het pragmatisme uit.

Lees verder “Epiktetos (1): Stoa en Vrije Wil”

Seneca en Paulus

Paulus (Crypta Balbi, Rome)

De filosoof Seneca (ca. 1-65 na Chr.) en de apostel Paulus (ca. 10- ca. 64 na Chr.) leefden in dezelfde tijd en waren volgens de overlevering ook tegelijkertijd in Rome. Volgens de Handelingen van de Apostelen werd Paulus in het jaar 58 gevangengenomen en naar Rome gebracht, waar hij in het jaar 59 aankwam. In Rome zou hij, volgens Handelingen 28.30, enkele jaren vrij hebben rondgetrokken en gepredikt. Hiermee eindigt het boek Handelingen. Volgens de overlevering zou Paulus uiterlijk tijdens Nero’s christenvervolging (64) zijn gestorven. Seneca was de leraar van keizer Nero en stierf ook onder zijn bewind. Wat zou natuurlijker zijn dan dat deze twee grote mannen elkaar ontmoetten en brieven uitwisselden?

Briefwisseling

Inderdaad bestaat er een kleine correspondentie tussen de twee, die ook in veel handschriften van Seneca bewaard is gebleven. Lange tijd werd aangenomen dat deze brieven echt waren en dat Seneca dus in direct contact stond met het christendom. Zijn stoïcijnse filosofie leek ook goed te passen bij de christelijke levensvisie. De inhoud van deze brieven is echter zeer mager; het zijn niet meer dan vriendschapsverklaringen. Je zou eigenlijk meer verwachten, als deze twee mannen ideeën uitwisselen. Van beiden zijn immers veel substantiëlere brieven bewaard gebleven.

Lees verder “Seneca en Paulus”

De farizeeën in context

De farizeeën stonden aan de wieg van het jodendom van de synagogen, zoals deze in Sepforis

Dit is de laatste van drie blogs over de farizeeën. In het eerste behandelde ik hun geschiedenis en in het tweede hun opvattingen. Daarmee ga ik nu verder.

Twee beweringen van Josephus zijn dat de farizeeën sober leefden en dat ze grote invloed hadden op de gewone mensen. Het eerste kan best waar zijn, maar je denkt niet meteen aan een sobere levenswijze als je in het Evangelie van Johannes leest dat farizeeën bedienden uitsturen om zaken te regelen (Jh 7.32, 7.45).

Josephus’ andere opmerking, dat de farizeeën populair waren bij de gewone mensen, lijkt niet onjuist maar is selectief, omdat vaststaat dat leden van de beweging ook de hoogste posities bekleedden: we lezen over farizeeën die spreken met de hogepriester, we treffen farizeeën aan als leden van hoge raadscolleges en we lezen hoe ze het Sanhedrin samenroepen. Er is zelfs een hogepriester van wie aannemelijk is dat hij tot de beweging behoorde, Gamaliëls zoon Jezus. Dit alles wil niet zeggen dat de farizeeën niet populair waren bij gewone mensen, maar dat dat ze tevens goed lagen bij andere bevolkingsgroepen.

Lees verder “De farizeeën in context”

Cicero (2): Filosofisch winkelen

[Tweede deel van een vijfdelige reeks over de wijze waarop de Romeinse senator Cicero de Griekse filosofie voor zijn landgenoten ontsloot. Het eerste deel was hier.]

Cicero tegen Epicurus

Hoewel hij zich niet expliciet voor of tegen een filosofische stroming uitspreekt, heeft Cicero duidelijk zijn voorkeuren, en vooral op het epicurisme heeft hij veel kritiek. Door het genot centraal te stellen maakt Epikouros volgens Cicero de fout het schone en de deugd tot onderdanen te maken van de zinnelijkheid.

Bij monde van de stoïcijnen maakt Cicero het epicurische geloof in het toeval belachelijk. Het idee dat alles puur toevallig zou zijn ontstaan, tart volgens hem iedere logica en waarneming. Hij verwijst naar het Romeins-stoïcijnse natuurwetenschappelijke wereldbeeld: die prachtige samenhang van vijf verschillende elementen die zich naar elkaar ordenen, dat kan toch niet zomaar toevallig zijn ontstaan?

Lees verder “Cicero (2): Filosofisch winkelen”

De Midden-Stoa (2): Poseidonios van Apameia

Poseidonios van Apameia (Museum van Rhodos)

[In de derde eeuw v.Chr. kregen de Academie van Plato en de Peripatetische school van Aristoteles gezelschap van nieuwe filosofische stromingen, zoals het Cynisme, de Cyreense School, het Epicurisme, de Stoa en de Skepsis. Het was onvermijdelijk dat er ook combinaties zouden komen. Dit is het slot van een stuk waarvan het begin hier was.]

Panaitios’ leerling Poseidonios van Apameia, overleden in 51 v.Chr., hield vast aan het oude stoïcijnse idee van de totale samenhang. Juist in deze visie, waarin de wereld een redelijk geheel vormt dat ademt volgens de wetten van de natuur, vindt de Stoa volgens Poseidonios haar kracht. Hij is daarmee dus strakker in de leer dan zijn leermeester.

Poseidonios deed dan ook veel onderzoek naar natuurverschijnselen. Hij reisde heel het toenmalige Romeinse Rijk af en begaf zich daar zelfs buiten, om op verschillende locaties metingen van getijden en hemellichamen te kunnen verrichten. Hij schreef ook een geschiedenis van de mensheid waarin hij het belang van de geografie benadrukte: volgens Poseidonios waren de karakters en de daden van volken en mensen te verklaren uit die omstandigheden.

Lees verder “De Midden-Stoa (2): Poseidonios van Apameia”

De Midden-Stoa (1): Panaitios van Rhodos

Apameia, filosofen aan tafel

[In de derde eeuw v.Chr. kregen de Academie van Plato en de Peripatetische school van Aristoteles gezelschap van nieuwe filosofische stromingen, zoals het Cynisme, de Cyreense School, het Epicurisme, de Stoa en de Skepsis. Het was onvermijdelijk dat er ook combinaties zouden komen. Karneades was een eerste voorbeeld. De Midden-Stoa is een tweede.]

Vorige maand zagen we in dit stukje hoe een breed gedragen, materialistische visie op de natuurlijke werkelijkheid was ontstaan. De filosofen die het best met dit wereldbeeld van totale fysische samenhang uit de voeten konden, waren de stoïcijnen. We spreken voor de laat-hellenistische, vroeg-Romeinse tijd wel van de Midden-Stoa.

De bekendste onder hen waren de Grieken Panaitios van Rhodos en Poseidonios van Rhodos. Hoewel van hen maar weinig geschriften bewaard zijn gebleven, verwijzen latere Romeinse voortdurend naar dit tweetal.

De filosofen van de Midden-Stoa waren minder streng in de leer dan hun voorgangers van de Vroege Stoa. Die vroege stoïcijnen waren starre denkers geweest, met een alomvattend model van de wereldse logica. Net als de sceptische academicus Karneades, combineerden Panaitios en Poseidonios hun eigen theorieën echter met ideeën uit andere filosofieën.

Lees verder “De Midden-Stoa (1): Panaitios van Rhodos”