
Niet iedereen in de Oudheid kon gouden haarnetjes dragen zoals die waarover ik gisteren blogde. De enige mij bekende poging om de toenmalige welvaart te vergelijken met die van onze tijd, plaatste de Romeinse wereld ongeveer op het niveau van Nigeria rond 1960. Dat is een jaarinkomen van $93, waar nog bij moet worden aangetekend dat de Romeinen de wereld niet hoefden delen met mensen die met minder werk een heel veel hoger jaarinkomen hadden. Nederland was in 1960 al ruim twintig keer zo rijk als Nigeria.
Er zullen wel andere schattingen zijn voor de toenmalige welvaart, maar ik heb het gegeven nooit meer gecontroleerd. De conclusie dat men leefde in enorme armoede, is wel voldoende duidelijk. Vorig jaar kon ik op deze blog vijf stukken van Dirk-Jan de Vink plaatsen over de armoede in de stad Rome: de bewoners waren arm tot straatarm. En dan had Rome nog diverse vormen van graanuitdeling en kende Italië nog betrekkelijk lage belastingen.
Armoede in Judea
In een gebied als Judea, waar de belastingen hoog lagen, was de armoede immens. We weten zeker dat keizer Tiberius in 17 na Chr. een Judees gezantschap heeft ontvangen dat kwam spreken over belastingverlaging.noot Dat suggereert dat ook de elite fiscale problemen ondervond. Het lijkt erop dat boeren die de belastingen niet konden opbrengen eerst een lening zochten af te sluiten, wat in de joodse wereld echter niet makkelijk was: in het sabbatsjaar werden alle schulden kwijtgescholden. Ik blogde al eens over het door rabbi Hillel voorgestelde foefje, de prosbul.
Wie eenmaal schulden had, kwam nooit meer in de zwarte cijfers. Je verloor je land aan de hypotheekverstrekker en bewerkte dat land voortaan als pachter, maar omdat je de pacht ook niet altijd kon opbrengen, werd je uiteindelijk van je land afgezet. Er zijn voldoende aanwijzingen voor deze schuldenproblematiek en voor toenemend banditisme, zelfs op de voornaamste hoofdwegen in de regio:
Er was eens iemand die van Jeruzalem naar Jericho reisde en onderweg werd overvallen door rovers, die hem zijn kleren uittrokken, hem mishandelden en hem daarna halfdood achterlieten.noot
Arm en bedelarm
Men herkende destijds gradaties van armoede. Slaven stonden weliswaar onderaan in de maatschappelijke orde, maar hadden in elk geval bestaanszekerheid. De dagloners stonden wat hoger in de maatschappelijke orde, maar waren in de economische pikorde het laagst. De slaaf en de dagloner hadden echter nog middelen om in hun levensonderhoud te voorzien. Dat was voor de πτωχός, de “bedelarme”, onmogelijk. De bedelarmen waren volledig aangewezen op liefdadigheid. En het is precies deze groep waarop Jezus zich, althans volgens de bron-Q, op richt.
Blinden kunnen weer zien en verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt.noot
Dat deze mensen recht hebben op een voorkeursbehandeling in het Koninkrijk Gods, is niet om hun bedelarmoede. Het is hun afhankelijkheid. Jezus verwacht van zijn volgelingen dat zij zich compromisloos afhankelijk maken van God, afstand nemen van materiële en andere wereldse zaken. Het is het sentiment dat ook blijkt uit Jezus’ beroemde vergelijking van zijn volgelingen met kinderen:
Ik verzeker jullie: als je niet verandert en wordt als een kind, dan zul je het koninkrijk van de hemel zeker niet binnengaan. Wie zichzelf vernedert en wordt als dit kind, die is de grootste in het koninkrijk van de hemel.noot
Het woord voor kind is hier παιδίον, wat niet zomaar een kind is maar een zuigeling. Het gaat dus opnieuw om afhankelijkheid – of beter: Jezus verwacht van de volgelingen een totale, compromisloze overgave. Dit is een armoede die positief is: ze is bescheiden en vol vertrouwen.
Hoe vertaal je dat?
Het Nederlands kent geen onderscheid tussen de diverse soorten armoede. Ook zijn onze associaties anders. En dat brengt ons bij de vertaling van een van de beroemdste regels uit het Nieuwe Testament. In de Statenvertaling:
Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.noot
Wie zijn die “armen van geest”? De auteurs van het recent verschenen boek Hemels groen, Matthijs de Jong en Cor Hoogerwerf, noemen parallelpassages in de Dode Zee-rollen – en niet in zomaar wat rollen, maar in de cruciale Rol van de Lofprijzingen en de Oorlogsrol.noot De uitdrukking verwijst daar naar een oprechte en nederige houding tegenover God. De makers van de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV21) hebben dus de woordgroep οἱ πτωχοί τῷ πνεύματι niet vertaald met “armen van geest”, wat letterlijk correct is, maar geven de bedoeling weer – het je arm weten tegenover God:
Gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het koninkrijk van de hemel.noot
Kortom: radicale overgave aan het Koninkrijk van God. Verwaarlozing van het materiële. Het lijkt in de verte een klein beetje op de Griekse filosofische stroming die bekendstaat als cynisme, maar daaraan ontbreekt het andere aspect van de leer van Jezus van Nazaret: de al even radicale eindtijdverwachting.
[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]
Zelfde tijdvak
De prioriteit van Marcusdecember 4, 2022
Het ongrijpbare antieke christendom (3)september 11, 2018
III Augusta, het garnizoen van de Maghreb (2)oktober 18, 2025

“…παιδίον, wat niet zomaar een kind is maar een zuigeling.”
Nee, dat is onjuist, παιδίον (paidíon) heeft een veel ruimer betekenisveld. Dat blijkt al uit de passage die je citeert (Matt. 18.2), waar Jezus eerst een παιδίον bij zich roept en het dan te midden van de leerlingen laat staan. Dat lukt je bij een zuigeling niet. Het betekenisveld van paidíon strekt zich uit van zuigeling tot volwassene: in Lk. 7: 32 gaat het over paidía (‘kinderen’) die op het marktplein zitten en elkaar dingen toeroepen, en in Joh. 21:5 spreekt Jezus zijn leerlingen aan met paidía, ‘jongens’. Kortom: als je iets wilt zeggen over de leeftijd van een bepaalde paidíon, moet je die leeftijd uit de context opmaken.
Inderdaad, ik verwarde twee woorden.
“Kortom: radicale overgave aan het Koninkrijk van God. Verwaarlozing van het materiële.”
Een van de paradoxen van de christelijke traditie is dat overgave aan het Koninkrijk geenszins hoeft neer te komen op verwaarlozing van het materiële, ook al heeft het soms bij asceten en bij dogmatici die lading gekregen. Denk alleen al aan de menswording van Jezus, aan brood en wijn, aan zijn zorg om zijn volgelingen te voeden en aan zijn vroege werk als cateraar van bruiloften.
En denk ook aan de synoptische parallel met Lucas, bij wie niet de ‘armen van geest’ zalig zijn maar simpelweg ‘de armen’; waar niet degenen die ‘hongeren en dorsten naar gerechtigheid’ vervuld zullen worden, maar simpelweg degenen die hongeren. Met andere woorden: meer dan Lucas lijkt Matthëus de zaken te vergeestelijken en daarmee het materiële te verwaarlozen. Veel theologen concluderen hier, met een variant op Meiers criterium van de gêne, dat Lucas’ versie waarschijnlijk dichter bij die van de historische Jezus staat.
Ik denk dat je hier even “Hemels Groen” erbij moet nemen, waar wordt uitgelegd dat Lukas’ versie van de zaligsprekenden feitelijk dezelfde inhoud heeft als Matteüs’ versie.
Pingback: Archaeology 2024-07-22 – Ingram Braun
Bij het lezen van ‘Hemels Groen’ kwam ik een aantal van dezelfde denkbeelden tegen als in het boek ‘Balk en Splinter, Joodse achtergronden van de Bergrede’ van de schrijver Dr. Marcus van Loopik. Beide boeken zijn echte Eye Openers.