Circumcelliones

Timgad, Donatistisch complex

Als we de kerkvader Augustinus mogen geloven, is de naam circumcelliones afgeleid van het feit dat deze lieden circum cellas pleegden te zwerven, “rondom de heiligdommen”. Dat is niet onmogelijk, maar “heiligdom” is niet de eerste betekenis van cella. Misschien bezondigt de hoogwaardige bisschop zich aan een volksetymologie, ik geef straks een andere verklaring. In elk geval gaat het om opstandelingen op het Numidische platteland die iets te maken kregen met de donatistische kerk.

Wat was dat ook alweer? Het zat zo. Nadat keizer Licinius (r.308-324) zijn medekeizer Constantijn (r.306-337) ervan had overtuigd dat de christenen financieel moesten worden gecompenseerd voor de jarenlange vervolging, kwam de vraag op of de bisschop van Karthago wel correct was gewijd. Eén van de deelnemende geestelijken had zich namelijk nogal meegaand betoond tijdens de vervolging. De officiële, door de keizers erkende kerk zou zich op het standpunt stellen dat priesters ook maar mensen waren, maar dat zo’n kerkelijke wijding toch vooral Gods eigen werk was. Gods zegen rustte dus wel op een bisschop die door niet-helemaal-volmaakte mensen was gewijd. De donatisten waren het daarmee oneens. Ze verwachtten totale zuiverheid van elke geestelijke. Lange tijd is er in de Maghreb naast de keizerlijke kerk een donatistische parallelkerk geweest, en de enorme omvang van het donatistische complex in Timgad bewijst dat die parallelkerk beschikte over aanzienlijke middelen.

Lees verder “Circumcelliones”

Armoede in Judea

Armoede: een beeld van een bedelaar in Museumpark Orientalis

Niet iedereen in de Oudheid kon gouden haarnetjes dragen zoals die waarover ik gisteren blogde. De enige mij bekende poging om de toenmalige welvaart te vergelijken met die van onze tijd, plaatste de Romeinse wereld ongeveer op het niveau van Nigeria rond 1960. Dat is een jaarinkomen van $93, waar nog bij moet worden aangetekend dat de Romeinen de wereld niet hoefden delen met mensen die met minder werk een heel veel hoger jaarinkomen hadden. Nederland was in 1960 al ruim twintig keer zo rijk als Nigeria.

Er zullen wel andere schattingen zijn voor de toenmalige welvaart, maar ik heb het gegeven nooit meer gecontroleerd. De conclusie dat men leefde in enorme armoede, is wel voldoende duidelijk. Vorig jaar kon ik op deze blog vijf stukken van Dirk-Jan de Vink plaatsen over de armoede in de stad Rome: de bewoners waren arm tot straatarm. En dan had Rome nog diverse vormen van graanuitdeling en kende Italië nog betrekkelijk lage belastingen.

Lees verder “Armoede in Judea”

M10 | Jonathan de Makkabeeër

Balas (Louvre, Parijs)

[Tiende aflevering van een zestiendelige reeks rond Chanoeka; het eerste deel was hier.]

Zoals ik gisteren aangaf, was Bakchides, de generaal die namens Demetrios I Soter was uitgezonden tegen Judas de Makkabeeër, erin geslaagd de opstand te onderdrukken. Judas was gesneuveld en zijn broer Jonathan ging verder als bandietenleider.

Er volgden meer Seleukidische successen. In 154 annexeerde men Cyprus, een eiland waarop ook koning Ptolemaios VI Filometor van Egypte zijn zinnen had gezet. Deze zond daarom een rebel tegen Demetrios in het veld, Alexandros Balas, die al snel steun verwierf binnen de Seleukidische koninklijke familie. De opstandeling arriveerde in Ptolemaïs met een strijdmacht die zó groot was dat de soldaten van de Seleukidische garnizoenen in Judea er meteen het bijltje bij neergooiden. Dit was het begin van een burgeroorlog die in 150 eindigde met Demetrios’ definitieve nederlaag.

Lees verder “M10 | Jonathan de Makkabeeër”

M09 | Bakchides’ successen

Hellenistische wapens

[Negende blogje van een zestiendelige reeks rond Chanoeka; het eerste deel was hier.]

Het ontslag van Menelaos en de aanstelling van Alkimos, waarover ik gisteren blogde, schiepen evenveel problemen als het oploste. De Joden bleven verdeeld. Judas de Makkabeeër had geclaimd de ware Joodse godsdienst te verdedigen tegen een afvallige hogepriester en was door de Seleukidische koning Antiochos IV Epifanes tot op zekere hoogte in het gelijk gesteld. Dat verschafte Judas aanzienlijk gezag. Als hogepriester genoot ook Alkimos echter aanzienlijk prestige. Het kon niet anders of de meningsverschillen zouden escaleren.

Derde fase

En inderdaad, het duurde niet lang eer het bloed weer vloeide: de derde fase van de strijd was begonnen. Dit keer was het geen verzet tegen een decreet en geen vete tussen een krijger en een hogepriester, maar een strijd over de vraag wie het in religieuze zaken voor het zeggen had. In dat conflict stonden de Hasmoneeën er slecht voor. Veel Joden waren tevreden nu de hogepriester behoorde tot een aanvaardbare familie, zodat Judas minder steun ondervond dan voorheen. Bovendien kon de hogepriester terugvallen op de koning, al werd de minderjarige Antiochos V Eupator in 161 v.Chr. vervangen door zijn neef Demetrios I Soter.

Lees verder “M09 | Bakchides’ successen”

De ondergang van Marcus Caelius Rufus

Portret van een Romein, midden eerste eeuw v.Chr. (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

Als ik u zeg dat het eind januari moet zijn geweest, als ik toevoeg dat het was in het jaar waarin Gaius Julius Caesar (voor de tweede keer) en Publius Servilius Isauricus consuls van Rome waren, en als ik dat omreken naar medio december 49 v.Chr. op onze kalender, dan weet u dat u bent beland in een nieuwe aflevering van de reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?” Al gaat dit stukje eigenlijk niet over Caesar. Het gaat over Marcus Caelius Rufus.

Marcus Caelius Rufus

Ik heb al verteld dat de Tweede Burgeroorlog de bevolking van Italië hard had getroffen. Er was banditisme. Cicero had zijn familie in veiligheid moeten brengen. Caesar had, toen hij als dictator in Rome was, een schuldenregeling doorgevoerd, waarvan de strekking was dat scheidsrechters ervoor moesten zorgen dat de aflossing werd gebaseerd op de bedragen zoals ze golden vóór de oorlog. Die regeling was echter onvoldoende. Terwijl Caesar was in wat nu Albanië heet, waren er in Italië nieuwe problemen.

Lees verder “De ondergang van Marcus Caelius Rufus”

Eutropius (7): De feiten verklaren

Een geschiedenis van louter individuen (Reliëf met afbeelding van Gordianus III; Palazzo Massimo, Rome)

Terwijl u dit op leest, ben ik voor mijn werk een dagje in Tyrus. Omdat ik vermoedelijk geen tijd zal hebben voor mijn dagelijkse stukje, bied ik u in tien afleveringen de tekst aan van de inleiding die ik schreef voor de vertaling die Vincent Hunink maakte van de Korte geschiedenis van Rome van de laat-Romeinse auteur Eutropius. Als alles goed gaat, verschijnt die medio november. Het eerste deel van deze reeks vindt u hier.

Zoals al aangegeven zien historici het als hun taak oorzaken aan te wijzen. Het is het vierde punt op het lijstje. Het probleem hier is hoe we het beste naar oorzaken kunnen kijken. De antieke auteurs meenden dat de menselijke gedragingen waarover historici schreven veroorzaakt moesten zijn door ander menselijk gedrag. Anders gezegd: het ene individu oefent invloed uit op het andere, en zo ontstaat de keten van gedragingen en gebeurtenissen die we geschiedenis noemen. Een gevolg van deze antieke visie is dat alles altijd tot persoonlijke beslissingen te herleiden valt en dat er altijd iemand verantwoordelijk is. In modern wetenschapsjargon waren de antieke auteurs “methodisch individualisten”, wat wil zeggen dat ze een waarom-vraag beantwoordden door uitsluitend te kijken naar individuen. De Grieken en Romeinen beschouwden de maatschappij dus als het geheel van alle enkelingen en hun handelingen.

Lees verder “Eutropius (7): De feiten verklaren”

Sint-Gereon

St. Gereon, Keulen

Een van de romaanse kerken van Keulen is gewijd aan de heilige Gereon, een van de soldaten van het zogenaamde Thebaanse Legioen. Die eenheid zou zich in de vierde eeuw tot het christendom hebben bekeerd en bij St Maurice-en-Valais in Zwitserland collectief ter dood zijn gebracht toen het een dienstbevel weigerde uit te voeren dat de manschappen immoreel achtten.

De legende is ontstaan in 383 na Chr., toen – ik moet even uit mijn hoofd citeren – de rivier Rhône zijn loop verlegde en een massagraf zichtbaar werd. Bisschop Eucherius van Lyon hield zijn geschokte gelovigen voor dat dit de lichamen waren van die Thebaanse legionairs en vertelde over hun wederwaardigheden ten tijde van “caesar Maximianus”. In een boek waarover ik al eens blogde heeft Donald O’Reilly erop gewezen hoe vreemd dit is. Maximianus bekleedde een hogere rang, augustus, en was alleen enkele maanden in 285/286 caesar. Dit suggereert dat Eucherius het verhaal niet verzon en een contemporaine bron benutte.

Lees verder “Sint-Gereon”

Geweld in Judea (3)

Een deel van de Oorlogsrol (© Israel Museum, Jeruzalem)
De ideologie van Judea: een deel van de Oorlogsrol (© Israel Museum, Jeruzalem)

In de twee eerste stukjes heb ik verteld dat geweld in de oude wereld gebruikelijker was dan bij ons en dat het jodendom daarop reageerde met bijvoorbeeld regels die op de sabbat zelfverdediging toestonden. Ook vertelde ik dat in tijden van gewelddadige onderdrukking enkele in de oude wereld niet zo gebruikelijke toekomstverwachtingen ontstonden: er zou een Eindtijd komen waarin een Mensenzoon een oordeel zou uitspreken, de doden zouden herrijzen en er was een messias die Israël zou herstellen. Dit waren ideeën binnen een veel groter spectrum aan denkbeelden en lang niet elke jood dacht er zo over.

Toen de Romeinen kwamen, werden deze toekomstverwachtingen feilloos geactualiseerd. En dat brengt me bij de vierde stelling, die niet per se betrekking heeft op iedere jood, maar wel op het geheel van joodse opvattingen:

4. Op de komst van Rome werd religieus gereageerd

Lees verder “Geweld in Judea (3)”

Geweld in Judea (1)

Katapultstenen, afgeschoten op Jeruzalem toen Antiochus VII Sidetes de stad in 133 v.Chr. belegerde (Jeruzalem, Toren van David)

Je komt de bewering vaak tegen: aan het begin van de jaartelling was Judea onrustig en de Romeinen vormden een echte bezettingsmacht. Het is een mooi decor voor pakweg een speelfilm over Jezus van Nazaret of een voorgeschiedenis van de Joodse Oorlog (66-70). Het beeld is echter wat misleidend. De antieke samenlevingen waren gewelddadiger dan de onze en antiek Judea was daarop geen uitzondering. We zijn er alleen beter van op de hoogte dan over de repressie in andere Romeinse provincies. We hebben namelijk het geschiedwerk van Flavius Josephus, die een heel eigen visie heeft op de eeuw vóór de Joodse Opstand. Hij had er belang bij elk gewelddadig incident uit te vergroten.

Onlangs verzorgde ik in Leeuwarden een lezing over dit onderwerp. Die heb ik opgehangen aan tien stellingen, die ik vandaag en in het weekend voor u zal behandelen.

Lees verder “Geweld in Judea (1)”

Antiochos IV Epifanes

In het Bijbelboek Daniël komt de Seleukidische koning Antiochos IV Epifanes (r.175-164) er niet bepaald geweldig vanaf. Een monster en godslasteraar, dat is hij, maar God zal hem straffen:

De koning zal doen wat hij wil; in zijn hoogmoed zal hij zich verheffen boven welke god ook en tegen de God der goden zal hij ongehoorde dingen zeggen. Toch zal hij voorspoed genieten, totdat de toorn ten top gestegen is: dan wordt uitgevoerd wat besloten is. (Daniël 11.36)

Even eerder heeft de samensteller van Daniël Antiochos al getypeerd als een godslasteringen uitkramende hoorn van een van de vier beesten die hij in een van zijn visioenen uit zee ziet oprijzen. Zie het plaatje hierboven. De Griekse historicus Polybios van Megalopolis (c.200-c.118) dacht er niet heel anders over. “Wegens zijn gedrag kreeg Antiochos, bijgenaamd Epifanes [de verschenen godheid], ook de naam Epimanes [de dwaas]” schrijft hij (Wereldgeschiedenis 26.1). Daaraan voegt hij een catalogus van vreemde gedragingen toe.
Lees verder “Antiochos IV Epifanes”