
Het was laat in de lente of vroeg in de zomer van het jaar waarin Julius Caesar zonder collega het consulaat bekleedde (45 v.Chr.). U herkent het intro en weet te zijn beland in een nieuw blogje in de vandaag inaccuraat “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?” genoemde reeks. Inaccuraat, want het gaat in dit blogje over een van de bijfiguren in het drama van de ondergang van de Romeinse Republiek: Marcus Claudius Marcellus.
Dit was een bestuurder die carrière had gemaakt in de jaren waarin Caesar in Gallië verbleef. In 51 v.Chr. was Marcellus consul en dat maakte dat hij onvermijdelijk kwam te staan voor een van de grote kwesties van dat moment: de dreiging van een crisis. We keren even terug naar die Rechtsfrage: de aanleiding tot de Tweede Burgeroorlog.
Die Rechtsfrage
Caesars consulaat, in 59 v.Chr., was onrustig verlopen en hij had voor dat consulaat op het Iberische Schiereiland en na dat consulaat in Gallië oorlogsmisdaden begaan. Om niet aangeklaagd te worden, moest Caesar een ambt bekleden. Nu was afgesproken dat Caesars opvolging in Gallië niet besproken zou worden vóór 1 maart 50 en dat de eerste die hem kon opvolgen, een consul zou zijn uit het jaar 49. Iemand die dus feitelijk was benoemd door Caesar en zijn bondgenoten. Caesar mocht ook, zo hadden de volkstribunen bedongen, kandidaat zijn in absentia. Dit betekende dat Caesar de gelegenheid had te dingen naar het consulaat van 48 – en aangezien verkiezingswinst gegarandeerd was, betekende dat dat Rome een nieuw, onrustig jaar tegemoet ging. De nachtmerrie van elke conservatief. Als consul veranderde Marcus Claudius Marcellus daarom de spelregels.
Voortaan moesten er vijf jaar verstrijken tussen een ambt in de provincie en een ambt in Rome. Dit betekende, om te beginnen, dat Caesar niet van zijn generaalschap kon doorstromen naar een consulaat. Het betekende tevens dat hij kon worden vervangen door iedereen die meer dan vijf jaar eerder een ambt in Rome had bekleed. Theoretisch was het mogelijk dat Caesar op 2 maart 50 zou worden vervangen, vóór hij de veilige haven van een tweede consulaat was binnengevaren.
Gaius Scribonius Curio, een volkstribuun die Caesar steunde (en later in Afrika sneuvelde), sprak zijn veto uit. In het volgende jaar, toen Marcus Claudius Marcellus geen consul meer was, probeerden de conservatieven het opnieuw. Dit keer was het volkstribuun Marcus Antonius die de wetswijziging vetoode. Hij werd later, toen de Senaat desondanks Lucius Domitius Ahenobarbus aanwees als Caesars opvolger, van het forum verjaagd. Daarmee was rond de jaarwisseling van 50/49 de crisis compleet. Caesar zag zich gedwongen de Rubico over te trekken. Zogenaamd om de constitutionele rechten van de volkstribunen te beschermen.
Rechtszaak
Marcus Claudius Marcellus had dus, in de hoop een tweede consulaat van Caesar te verhinderen, de condities geschapen waaronder de Tweede Burgeroorlog wel uitbreken moest. Toen die eenmaal een feit was, sloot Marcellus zich aan bij Pompeius’ leger en na de slag bij Farsalos trok hij zich terug op Lesbos, in de stad Mytilene. Caesar liet hem ongemoeid.
Na Caesars terugkeer uit de Afrikaanse Oorlog verzocht Marcellus’ neef Gaius aan Caesar om clementie. Dat was niet zo eenvoudig, want over een oud-consul hoorden eigenlijk de senatoren te beslissen. Zo kwam het tot een rechtszaak. Cicero verdedigde Marcellus. U lees zijn redevoering hier. Cicero bedankte Caesar voor eerdere blijken van clementie, prees zijn grootmoedigheid en bekende dat hij eigenlijk geen politieke rol meer had willen spelen, maar bang was dat een eventueel zwijgen viel uit te leggen als bewijs dat hij niet langer geloofde in een toekomst voor de Romeinse Republiek.
Ik denk dat dit het soort proza is dat je krijgt in een dictatuur: dat je, zelfs als je afzijdig wil zijn, positief moet doen over de leider. Maar misschien lees ik er teveel in.
Dood
In elk geval: Marcellus mocht terugkeren. De dictator-voor-tien-jaren moet het voordeel hebben herkend van een geduchte opposant die zijn alleenheerschappij aanvaardde. Hij had eerder aangegeven dat hij clement had willen zijn voor Pompeius en Cato. Marcellus was een kleinere vis maar daarom niet minder belangrijk.
Marcellus bleef nog even op Lesbos, voer toen naar Athene – en werd daar vermoord door een van zijn cliënten, een zekere Publius Magius Chilo. Een politiek motief lijkt er niet te zijn geweest. Dat was vandaag ongeveer 2069 jaar geleden. Caesar had wéér geen clementie kunnen tonen.
[Een overzicht van de reeks #RealTimeCaesar is hier.]
Zelfde tijdvak
De Kushana’saugustus 20, 2025
VI Ferrata, het Gestaalde Legioen (1)augustus 8, 2023
Brand in Alexandriëseptember 28, 2022

T.a.v. “oorlogsmisdaden” in het verleden.
Citaat “Caesars consulaat, in 59 v.Chr., was onrustig verlopen en hij had voor dat consulaat op het Iberische Schiereiland en na dat consulaat in Gallië oorlogsmisdaden begaan.”
Caesar’s misdragingen in Gallie 55 vC en die van Galba in Lusitanie 150 vC zijn mij enigszins bekend (w.o. verraad/weerlozen doden) en in Spanje 61 vC had Caesar geplunderd. Beiden dreigden veroordeeld te worden. Vraag:
Waarvoor zouden ze veroordeeld kunnen worden? Was er duidelijke consensus onder de Romeinen over onaanvaardbare oorlogsvoering of oorlogsmisdaden? Over het al of niet verbreken van afspraken? En stonden daarover zaken op schrift? Iets wat je “oorlogsrecht” zou kunnen noemen?
En de factor politiek – aanklachten gebruiken tegen ambitieuze politici?
Snel wat opgezocht:
Cato maakte er geen geheim van dat hij Caesar wilde vervolgen zodra deze zijn onschendbaarheid kwijt was. Volgens Plutarchus zou dat voor ‘epiboulè’ zijn, een eerder interne misdaad, verraad tegenover het Romeinse volk, in dit geval door naar alleenheerschappij te streven.
In 55 stelt hij echter voor om Caesar uit te leveren aan de Germanen (deditio) om de goden te verzoenen na Caesars misdaad tegenover de Usipeten en Tencteri. Niet dat Cato’s hart bloedde voor hun leed, maar deze gelegenheid om Caesar op religieuze grond een hak te zetten was te mooi om te laten liggen. Cato zal daarbij niet geloofd hebben dat Caesar ook daadwerkelijk zou worden uitgeleverd.
Het gaat in de verwoording ook niet om de arme Germanen. Cato zegt te hopen dat de goden stad en leger zullen sparen na de overlevering van Caesar. Cicero heeft het in een andere context over “ut religione civitas solvatur, civis Romanus deditur” = opdat de staat van goddelijk onheil wordt gespaard, wordt een Romeins burger overgeleverd.
De misdaad die Caesar beging is niet zozeer wreedheid of genocide (die geen deditio vereisten), maar het breken van “fides”. Deze wordt geconcretiseerd als het niet respecteren van een wapenstilstand, soms als het doden van gezanten, of een combinatie. Het was een inbreuk op een heilige wet, die een rituele zuivering vereist.