
[Twitter bestaat niet meer, maar sommige dingen die daar leuk waren, gebeuren inmiddels op BlueSky. Hier is een uit het Engels vertaald draadje dat de Gentse oudhistoricus Jeroen Wijnendaele schreef over Julianus de Afvallige.]
[1] De veldtocht van keizer Julianus de Afvallige tegen de Perzen was de op één na grootste nederlaag die het Romeinse leger in de vierde eeuw leed tegen een niet-Romeinse tegenstander. Alleen de slag bij Adrianopel was erger. Om de ernst van Julianus’ dwaasheid te begrijpen, moeten we verder kijken dan de man zelf, en de campagne plaatsen in haar laat-Romeinse context.
Crisis en herstel
[2] Na de Crisis van de Derde Eeuw kwam het imperium weer op de rails dankzij de hervormingen door de keizers Gallienus tot en met Constantijn de Grote. Het staatsbestel werd grondig aangepast, niet in de laatste plaats om een groter leger te ondersteunen. Waarschijnlijk bestond het rond 300 na Chr. uit zo’n 450.000 man, terwijl het een eeuw eerder nog zo’n 400.000 was geweest.
[3] Deze toename lijkt niet groot, maar was enorm, omdat het Romeinse Rijk in de tussentijd te lijden had gehad van een epidemie. Zelfs volgens de meest conservatieve schattingen kostte die tussen de 10% en 20% van de bevolking het leven. Minder mensen, minder belastingbetalers; als er dan meer rekruten zijn, ontstaat als vanzelf een zoektocht naar meer financiële middelen.
[4] Om de belastingen efficiënter te innen, ontstond een groter staatsapparaat. De voornaamste belasting was, veelzeggend genoeg, die ten bate van het militaire apparaat (annona militaris). Dit brengt ons bij een simpel maar belangrijk inzicht: goede soldaten zijn een kostbare hulpbron die je niet moet verspillen.
[5] Vandaar dat laatantieke militaire verhandelingen, variërend van Vegetius tot Maurikios’ zesde-eeuwse Strategikon, erop hameren dat bevelhebbers
- veldslagen moeten vermijden en
- gevechten niet vanuit de frontlinie moeten leiden.
Julianus zou deze twee lessen opvallend negeren.
Rome en Perzië
[6] Julianus’ Perzische veldtocht in de zomer van 363 vormt een uitzondering in de Romeinse oostelijke politiek, waardoor de verhoudingen tussen ca. 300 en 600 grotendeels ongewijzigd bleven. De Sassanidische dynastie had een einde gemaakt aan de heerschappij van de Parthen, die in de tweede eeuw hadden moeten toezien hoe de Romeinse legers maar liefst drie keer de hoofdstad Ktesifon (even ten zuiden van Bagdad) hadden geplunderd.

[7] De Perzen waren zulke Romeinse invallen beu. Maar ondanks de retorische modder die de Perzen en Romeinen over en weer gooiden, was de Romeinse grens nooit de grootste zorg van de Sassaniden. Dat was hun Centraal-Aziatische grens, waar steeds nieuwe nomadische groepen steeds opnieuw een bedreiging vormden.
[8] Het is geen toeval dat na de Sassanidische machtsovername de enige succesvolle Romeinse aanval op Ktesifon plaatsvond in 283, ten tijde van keizer Carus, toen Perzië was afgeleid door grotere problemen in het noordoosten. Tot keizer Maurikios 300 jaar later met een Romeinse leger intervenieerde in een Perzische burgeroorlog, zou Rome geen expedities meer organiseren in het land van Eufraat en Tigris. De uitzondering is Julianus.
Wederzijdse defensie
[9] De machthebbers van de late derde en de vierde eeuw wilden de eerdere mislukkingen niet herhalen. Vandaar dat zelfs de meest succesvolle Perzische oorlog, die van Galerius in 295, beperkt bleef tot een militaire overwinning, het bemachtigen van buit en de herovering van een verloren stukje grondgebied dat een eeuw eerder door Septimius Severus was geannexeerd.

[10] Grootschaliger oorlog was simpelweg het risico niet waard. Een grote onbekende bij dit alles is hoe de Perzische veldtocht van Constantijn de Grote zou zijn verlopen als hij niet aan de vooravond ervan zou zijn overleden. Zijn zoon Constantius II erfde een oorlog die hij niet was begonnen, maar zijn regeringsjaren tonen dat het vernieuwde Romeinse Rijk functioneerde.
[11] Immers, van 337 tot 350 wist Constantius de aanvallen van de Perzische vorst Shapur II af te slaan met uitsluitend de eigen troepen en middelen. Zijn broer Constans hoefde nooit hulp te sturen, maar dreigde op een gegeven moment wel met een burgeroorlog. Zelfs onder die kwetsbare omstandigheden hield de oostelijke rijksverdediging stand.
[12] De verklaring is dat de defensie was gebaseerd op versterkte steden. Dat waren aanzienlijke obstakels voor de Perzen. De oorlog bleef beperkt tot aanvallen en tegenaanvallen in de eigenlijke grenszone.
[Deze gastbijdrage van Jeroen Wijnendaele, de auteur van De wereld van Clovis, verscheen in het Engels op Bluesky en wordt vervolgd. Dank je wel Jeroen!]

Celtic Fields
Meditrina
Ausonius aan de Moezel
“De oorlog bleef beperkt …”
Dit vind ik typrend. Als 21e eeuwer zou ik toch denken dat de Romeinen en de Perzen een gemeenschappelijk belang hadden:
“steeds nieuwe nomadische groepen steeds opnieuw een bedreiging vormden”
Een blijvende overeenkomst mbt de Romeins-Perzische grens was dus in beider voordeel geweest. Zo dachten zijzelf er dus niet over.
Het lijkt er toch op dat de Romeinen en Perzen dit zelf hebben beseft, gezien de lange pauze in de debatten.
Toch kan een occasionele wederzijdse drang tot gebiedsuitbreiding net te maken hebben met de nomadische dreigingen aan de andere zijden van hun rijk. Zowel Rome als Perzië was een sterk ontwikkelde maatschappij, met een dito economie en een belastingstelsel dat gemeenschappelijke uitgaven, zoals defensie, ondersteunde. Als die kosten stijgen, moet je ergens opbrengsten zien te vinden en dan is een ontwikkelde buur een verleidelijk doelwit, omdat je dan gewoon diens structuur kan overnemen. Nomadische groepen aan je buitengrenzen zijn een veel minder evident wingewest, omdat je daar nog moet beginnen met een industriële revolutie, als die al mogelijk is vanwege het terrein.
Natuurlijk is het naïef en optimistisch te denken dat je die goed georganiseerde buur wel even zal overrompelen, maar dat optimisme was voor sommige keizers wellicht geschikter dan de idee te stagneren. Nochtans had o.a. Hadrianus al met relatief succes een “tot hier en niet verder”-politiek gevoerd, en zijn opvolger Antoninus Pius hield de schatkist op peil zonder noemenswaardige veroveringen, louter her en der een voorbeeld stellen. Toch wordt juist die laatste aangewreven dat hij zijn opvolger opzadelde met trappelende invalslustigen, omdat hij niet genoeg “preemptive strikes” had gepleegd. Dat is dan weer singulier causaal, want er speelde wellicht een globale sociaal-economische en klimatologische context.
Fascinerend, die oudheid!