Ten tijde van de Republiek werden in het Senaatsgebouw zaken gedaan, maar in de Keizertijd was dat afgelopen. Toch waren de zittingen belangrijk. Als de Senaat niet met reces was (bijvoorbeeld tijdens de wijnoogst), kon de keizer hier aan de rijkste Romeinen meedelen wat hij had besloten. Door hen als eersten op de hoogte te brengen, liet hij zijn waardering blijken. Zo werd steeds opnieuw de loyaliteit bewerkstelligd van het college dat nog altijd legitimiteit verleende.
Verder fungeerde de Senaat als rechtbank voor gouverneurs die van wanbeheer waren beschuldigd. Hoewel de meeste gouverneurs zelf senator waren, kwamen veroordelingen wel degelijk voor, zodat een rechtszaak vaak spannend was. Al in de eerste fase, waarin de precieze aanklacht werd geformuleerd, kon het er heet aan toegaan. Senator Plinius de Jongere beschrijft hoe een advocaat optrad in een afpersingszaak:
In 161 na Chr. kwam keizer Marcus Aurelius aan de macht. Hij is interessant omdat de beeldvorming zo verschrikkelijk uit de pas loopt met zijn verdiensten. Enerzijds de beeldvorming: deze man was de ideale heerser, de filosoof op de troon waarover Plato een half millennium eerder al had nagedacht. Ik kan echter zo snel niets noemen waaruit blijkt dat zijn beleid werd ingegeven door welke wijsgerige gedachte dan ook. Marcus’ werkelijke verdiensten: de generaal die leiding gaf aan een van Romes grootste oorlogen. Hij deed gewoon wat van ’m werd verwacht.
Dat zijn zoon Commodus niet wilde deugen, heeft Marcus’ reputatie geholpen, want de Romeinse historiografische traditie zette graag contrasten neer: Drusus versus Tiberius, Titus versus Domitianus, Severus Alexander versus Heliogabalus, de good guy tegenover de bad guy. Commodus is dus te zeer geportretteerd als ontaard, Marcus is te zeer gepresenteerd als ideale heerser. Deze tendens heeft ook invloed op de portrettering van zijn echtgenote, keizerin Faustina II.
Ik blogde onlangs over de ruimtelijke grenzen van de Oudheid. Volgens mij is de traditionele verdeling naar op taal gebaseerde culturen – dus Griekenland, Egypte, Perzië enz. – inmiddels achterhaald en is het nu zinvoller het verleden te bestuderen aan de hand van maatschappijtypen. Immers, het maatschappijtype stelt grenzen aan wat een gegeven cultuur vermag en het eigene blijkt uit de binnen die grenzen gemaakte keuzes. Er is echter nog een tweede afbakening van de Oudheid: de begrenzing in de tijd. Ook die is historisch gegroeid.
Drie tijdperken, twee transities
Ik heb ooit geweten wie de verdeling Oudheid – Middeleeuwen – Nieuwe Tijdnoot Die laatste wordt weer verdeeld in Nieuwe Tijd en Nieuwste Tijd, maar dat laat ik even buiten beschouwing. heeft bedacht; het was een geestelijke die werkzaam was op Corsica, als ik me goed herinner. Feit is in elk geval dat men ten tijde van de Italiaanse Renaissance het idee had dat er een nieuwe tijd was begonnen en dat er twee verledens waren om uit te kiezen: de Romeinse tijd (goed) en de Middeleeuwen (slecht). In allerlei opzichten zocht men aansluiting bij de Oudheid. Men zocht antieke teksten, men probeerde de oude filosofie te doen herleven, men zette gebouwen neer met quasi-antieke façades, en men streefde naar herstel van het vroegste christendom.
Antoninus Pius (Archeologisch museum, Constantine)
[Laatste van drie gastblogs over keizer Antoninus Pius door Dieter Verhofstadt. Het eerste blogje was hier.]
Antoninus Pius stond hoog in aanzien bij zowel het Griekse als joodse establishment, en zelfs bij verre mogendheden zoals het Indische Kushanarijk. Zijn schitterende reputatie steunde niet alleen op zijn weldadige en rechtvaardige regime, maar ook op zijn knappe voorkomen.
Toen Antoninus de gezegende leeftijd van zeventig naderde, droeg hij de macht over aan niet één maar twee adoptiefzoons: Marcus Aurelius en Lucius Verus, zoals zijn voorganger Hadrianus het hem had opgedragen. Zijn laatste woord sprak hij volgens de overlevering tot een schildwacht, aan wie hij het wachtwoord voor de komende dag gaf: “gelijkmoedigheid”. Hij ging liggen als om te slapen en stierf. Zijn regering was de langste sinds Augustus en zou dat blijven tot Constantijn de Grote. Als we al het bovenstaande beschouwen en vooral geloven, moeten we hem zien als een van de beste keizers die Rome ooit heeft gekend.
[Tweede van drie gastblogs over keizer Antoninus Pius door Dieter Verhofstadt. Het eerste blogje was hier.]
De vredelievende keizer
Het bijzonderste aan de regering van Antoninus Pius was dat hij, in tegenstelling tot de meeste van zijn voorgangers en opvolgers, geen animo toonde voor oorlog of veroveringen. Meer nog, hij zou Rome nooit verlaten hebben en amper een legioen van dichtbij hebben gezien. Er waren weliswaar opstanden in Brittannia en Mauretania, maar daar stuurde hij bekwame generaals heen, die het oproer snel konden bezweren.
Omdat ik me met de mensheid om me heen schuldig maak aan citius, altius, fortius, durf ik me wel eens wagen aan een “favoriete Romeinse keizer”. Als kind, toen ik nog met Playmobilridders speelde en als tiener, toen ik in de ban raakte van Risk, vergaapte ik me aan keizers die oorlogen wonnen en het rijk uitbreidden. Augustus dus, maar vooral Trajanus, die toch maar mooi de Roemeense bult als Dacia toevoegde aan het al omvangrijke territorium.
Als volwassene, behept met moraal, begon ik anders te denken. Ik begreep dat “de Grote” een afkorting is voor “de grootheidswaanzinnige”: Alexander, Constantijn, Karel … al die groten der verbrande aarde waren psychopaten met een onlesbare dorst naar onderwerping. Ik keek dus met een nieuwe blik, door een welopgevoede bril, naar keizers: wie was een kundig bestuurder, wie verbeterde het leven van de burgers en wie zorgde vooral voor vrede, niet de zoveelste oorlog.
Alexander met een diadeem met ramshoorns (Numismatisch museum, Athene)
Het nadeel van een blog die al bijna veertien jaar loopt, is dat je weleens in herhaling moet vervallen. Ik heb weleens eerder geblogd over diademen, die voornaamste tekens van koninklijke waardigheid in de Oudheid. Zo lepelde ik een keer de mooie anekdote op dat op een dag, toen Alexander de Grote een boottochtje maakte op de Eufraat, zijn diadeem afwaaide en in het moeras belandde, en dat Seleukos die zwemmend ophaalde, waarbij hij de haarband droog hield door die op zijn eigen kruin te plaatsen. Zijn koning beloonde hem én liet hem slaan omdat hij het koninklijk attribuut had gedragen – en achteraf bleek het een voorteken van Seleukos’ koninklijke macht.
Eerst even twee voorlopers. De beroemde wagenmenner van Delfi, een van de indrukwekkendste beelden uit de Oudheid, heeft een inderdaad een haarband; een praktisch ding als je in een vierspan moet racen. Het beroemde, rond 420 v.Chr. door de beeldhouwer Polykleitos vervaardigde beeld van de Diadoumenos toont een jonge atleet die zijn haar aan het binden is – de door Winckelmann gegeven naam is een beetje een misvatting. De diadeem werd pas meer dan een gewone haarband toen de Griekse alleenheersers van Syracuse gouden kransen rond hun hoofd begonnen te binden.
Eén van de kwesties die tot vervelens toe terugkeren, is die van de zogenaamde val van het Romeinse Rijk. Wanneer mensen daarover beginnen, gaat het eigenlijk steevast over de verdwijning van het keizerlijk gezag in westelijk Europa in de loop van de vijfde eeuw na Chr. Op andere terreinen overheerste de continuïteit. Jeroen Wijnendaele wijdde er een tijdje geleden op Twitter een draadje aan, waarin hij het interne geweld centraal stelde.
***
1. De vraag wat de oorzaak was van de verdwijning van het keizerschap uit de westelijke provincies van het Romeinse Rijk, kan verder worden verfijnd. Keizer Justinianus herstelde immers het keizerlijk gezag over diverse westelijke regio’s (inclusief Rome). Zijn opvolgers regeerden nog eeuwenlang over delen van Italië. In Apulië zelfs een half millennium!
2. Waar we uiteindelijk mee te maken hebben, is niet de verdwijning van het keizerlijke gezag, maar de verdwijning van het West-Romeinse keizerschap als zodanig. Dit verdwijnt eind vijfde eeuw en zal nooit meer terugkeren. Als we het hebben over “de val van Rome”, dan gaat het feitelijk hierom. Dus wat gebeurde er?
[Dit is het laatste blogje van Lauren van Zoonen over regering en religie van keizer Heliogabalus. Het eerste is hier.]
Het moge duidelijk zijn: keizer Heliogabalus leidde niet wat anderen beschouwden als een Romeins leven. In de hoofdstad van het Romeinse Rijk volgde hij de regels van zijn Syrische religie. Zijn hogepriesterschap vergde veel van hem en hij verwaarloosde de staatzaken, die hij overliet aan zijn moeder Julia Soaemias en zijn grootmoeder Julia Maesa.
Trias
De cultus van Elagabal was in Rome al bekend, maar hij probeerde – zoals in Syrië gebruikelijk – een “trias” ofwel drie-eenheid te vormen. Door met een priesteres van Vesta te trouwen en het palladium naar de tempel van Elagabal te brengen, verhief hij een godin tot de zijns inziens rechtmatige plaats. Vervolgens werd ook de Karthaagse godin Tanit, de Hemelse Venus, naar Rome gebracht en uitgehuwelijkt aan Elagabal. Zo verhief Heliogabalus ook de tweede vrouwelijke godheid. Andere Romeinse goden werden geëerd door hun cultusvoorwerpen over te brengen naar de tempel van Elagabal.
Julia Soaeamias (Archeologisch Museum, Antalya)
Zo overtrad hij allerlei Romeinse wetten. Heliogabalus wilde de andere erediensten echter niet vernietigen maar integreren in de cultus voor de voornaamste god, de zon. Mogelijk heeft hij Elagabal gezien als koning der goden en de andere godheden als leden van zijn huishouding. De bewoners van Rome begrepen zulke acties echter niet. Zij zagen vooral heiligschennis. Een keizer die tijdens de offers gekleed ging in zijn zijden gewaden en die zich door muzikanten en dansers liet begeleiden, was in het begin weliswaar spectaculair, maar de aandacht zal zijn verflauwd toen het nieuwe ervan af was. Bovendien stond deze extravagantie haaks op de Romeinse gravitas, “ernst”. De keizerlijke onbeschaamdheid, of wat men daarvoor hield, was nog nooit eerder gezien.
De beschuldigingen dat kinderen zijn geofferd, zijn vrijwel zeker lasterpraatjes. Verhalen over tempelprostitutie en castratie zullen daarentegen een kern van waarheid bevatten. Weliswaar hangen tempelprostitutie en castratie meestal samen met vrouwelijke goden, maar Heliogabalus kan deze handelingen hebben willen verrichten als deel van zijn trias.
Kritiek
De in onze bronnen weergegeven kritiek is vooral afkomstig van Romes aristocraten. Na verloop van tijd zwol echter ook onder het volk en de soldaten de ontevredenheid aan. Iedereen bekritiseerde een religie waarvan men eigenlijk maar weinig wist. De oosterse religies waren weliswaar enigszins bekend – Isis en Dolichenus zijn andere voorbeelden – maar de Romeinen moesten nu zien dat de keizer publiekelijk voorging in een oosterse eredienst. Dat was een schok. De man die Romeinse deugden moest belichamen, was in alle opzichten een Syriër en bewees vooral dat alle oude vooroordelen juist waren. Wat in Emesa aanvaardbaar was, was dat in Rome niet.
We hebben we in elk geval een antwoord op de vraag hoe de cultus werd ervaren, te beginnen met kritiek van de elite, die spoedig steun instemming kreeg van andere bevolkingsgroepen. De groep van fanatieke vereerders zal niet heel groot zijn geweest. Weliswaar vond de keizer dat hij mensen een eer bewees door ze te laten deelnemen aan de offers, maar niet iedereen zag dat zo. Als de Romeinse adel al voor de nieuwe eredienst te winnen was, moet het exotische gedrag van Heliogabalus de leden al snel van gedachten hebben doen veranderen.
Romeinen waren doorgaans tolerant ten opzichte van nieuwe religieuze gebruiken, zolang de Romeinse wetten en moraal maar werden gerespecteerd. De jonge keizer leek dat respect niet te kunnen opbrengen en kon het rijk niet leiden met zijn voorbeeldige gedrag. Weinigen zullen hebben getreurd om zijn dood.
[Dit is het voorlaatste van acht blogjes die Lauren van Zoonen schreef over regering en religie van keizer Heliogabalus. Het eerste is hier.]
Tempelprostitutie, (zelf)castratie, dierentuinen en (heel misschien) mensenoffers behoorden tot de Syrische cultus van Elagabal. Het is aannemelijk dat de auteurs van onze geschreven bronnen deze praktijken verkeerd hebben begrepen en benutten om de keizer gruwelijker te presenteren dan hij was. Desondanks resteert de vraag hoe Heliogabalus’ daden passen in de cultus in het algemeen. Tempelprostitutie en castratie waren aspecten van de cultus van specifieke godinnen – wat was hun relatie tot Elagabal, wat was het grote geheel?
Er is wel aangenomen dat er in de derde eeuw een tendens naar monotheïsme bestond. Zo’n tendens valt ook in de religieuze hervormingen van Heliogabalus te ontwaren. Het is zelfs mogelijk te denken dat de cultus van Elagabal later, via de zonnecultus van keizer Aurelianus en Constantijn de Grote, de weg bereidde naar het christendom. Dat wil niet zeggen dat Heliogabalus de architect van het monotheïsme was. In Emesa werden ook andere goden aanbeden en, zoals we hebben gezien, negeerde Heliogabalus die niet. Het is niet zo dat de keizer alle andere goden wilde vernietigen om alleen zijn eigen god te vereren.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.