
[Tweede van vier blogjes over het verblijf van Alexander de Grote in Babylon. Het eerste was hier.]
Alexander wist niet beter of de stad die hij op het punt stond in te nemen, Babylon, was de grootste ter wereld. Ze was omgeven door een stadsmuur van honderd meter hoog. Dat had althans de Grieks onderzoeker Herodotos van Halikarnassos geschreven en ook Aristoteles was van mening dat de muren eerder een compleet land omringden dan een enkele stad. Zulke verdedigingswerken waren zelfs voor het leger dat Tyrus had ingenomen te hoog.
Onderhandelingen
De Babylonische Astronomische Dagboeken bewijzen dat de koning van Macedonië het niet wilde laten aankomen op een belegering. Al in een vroeg stadium opende hij onderhandelingen. Daarbij probeerde hij zich te presenteren als een goede Babylonische vorst, een attitude die hij tot het einde van zijn leven heeft bewaard. Hier is de tekst van zo’n dagboek.
Van de eerste tot de [lacune] dag van de maand tashritu kwamen Macedonische gezanten naar Babylon met de boodschap: “De Esagila zal worden herbouwd en de Babyloniërs mogen hun tienden betalen aan de schatkist van de Esagila.”
Op 11 tashritu [18 oktober] vaardigde Alexander te Sippar de volgende boodschap uit: “Men zal uw huizen niet binnengaan.”
Op de dertiende kwamen Grieken door de Sikilla-poort en de buitenpoort van de Esagila, en maakten daar een voetval.
Op de veertiende offerden deze Grieken een stier [lacune] korte ribben, vet ingewandenweefsel en [lacune].
Op de [vijftiende?] betrad Alexander, de koning van de wereld, Babylon. Paarden en tuigage [lacune]. De bewoners van stad en land van Babylon kregen een op perkament geschreven brief voorgelezen, waarin stond [afgebroken]. noot
De Babyloniërs – of althans degenen die de ons bekende teksten schreven – verwachtten dat een goede koning zorg droeg voor de tempels, in het bijzonder die van de oppergod Marduk, de Esagila (“het huis dat zich verheft”).

Deze godheid was zo eerbiedwaardig dat de Babyloniërs zijn naam niet uitspraken, maar hem in plaats daarvan aanduidden als Bel, “heer”. Hij had de kosmos geschapen. De Babylonische schrijver Berossos vertelt:
Bel, wiens naam ze vertalen met “Zeus”, doorkliefde de duisternis en scheidde hemel en aarde. En hij gaf alles in de kosmos zijn plaats. Maar de dieren verdroegen de kracht van het licht niet en kwamen om. Toen Bel zag dat het land woest en ledig was, beval hij een van de goden hem het hoofd af te snijden, aarde met zijn wegstromende bloed te kneden, en mensen te vormen en dieren die de lucht konden verdragen.noot
De rol van Mazaios
Alexanders adviseur had hem datgene ingefluisterd waarmee hij zich geliefd zou maken, namelijk de belofte dat de Esagila zou worden hersteld. Deze adviseur moet goed op de hoogte zijn geweest van de Babylonische verwachtingen, en was waarschijnlijk niemand anders dan de Babylonische officier in Perzische dienst Mazaios, die na de slag bij Gaugamela naar Babylon was teruggekeerd en Alexander tegemoet was getrokken toen deze de stad naderde. De koning van Azië had de satraap en zijn zonen vriendelijk ontvangen en zou hem een maand later herbenoemen.
Het staat ondertussen te bezien of de Esagila werkelijk zo vervallen was dat herbouw noodzakelijk was, want uit de bewaarde archieven van de tempel blijkt dat de cultus nooit onderbroken is geweest. Tot meer kleitabletten bekend zijn kunnen we de conflicterende gegevens het beste harmoniseren door aan te nemen dat Mazaios Alexander had verteld dat het tijd was voor groot onderhoud. Babylonische tempels werden immers gebouwd van kleitichels, en die zijn nogal vergankelijk.

Volgens de Astronomische Dagboeken kondigde Alexander ook aan dat de Babyloniërs belasting mochten blijven betalen aan de Esagila. Hij beloofde de stad dus geen schatting op te leggen. Eenzelfde regeling had de koning getroffen in Efese. Overigens wil het niet zeggen dat hij financieel niet profiteerde van de inname van Babylon, want als de nood aan de man kwam kon een vorst destijds altijd geld “lenen” in een tempel.
De woorden “men zal uw huizen niet binnengaan” betekenen vermoedelijk dat de stad niet zou worden geplunderd en de soldaten niet bij de burgers zouden worden ingekwartierd. Dit zal voor de gewone Babyloniër het meest geruststellend zijn geweest.
Alexanders ambassadeurs
Op 20 oktober kwamen Alexanders ambassadeurs aan in Babylon om de Esagila te bezoeken, waar ze, zoals voorgeschreven, een voetval maakten voor het beeld van Marduk en de volgende dag een offer brachten. De schrijver van de Astronomische Dagboeken vermeldt als bijzonderheid dat de afgevaardigden Grieken waren. Dus geen Macedoniërs.

Misschien waren het mensen die al eens in Babylon waren geweest, bijvoorbeeld omdat ze ooit als huurling dienst hadden gedaan in een Perzisch leger of omdat ze afkomstig waren uit een stad die tot enkele jaren daarvoor deel had uitgemaakt van het Perzische wereldrijk. Of misschien vond Alexander het tactloos Macedoniërs te zenden, die drie weken eerder nog hadden gevochten tegen de Babylonische cavalerie. Na de offers keerden de gezanten terug naar het Macedonische kamp, dat nooit heel ver van Babylon kan zijn geweest. Alexander moet op 22 oktober Babylon zijn binnengetrokken.
[Wordt vervolgd. Een overzicht van alle blogjes over Alexander de Grote is hier.]
Zelfde tijdvak
Mohisme 8: Mohistische metafysicajuni 23, 2026
Kybele in Anatoliëjuli 10, 2023
De Babylonische Astronomische Dagboekenapril 26, 2019

“Het staat ondertussen te bezien of de Esagila werkelijk zo vervallen was dat herbouw noodzakelijk was, want uit de bewaarde archieven van de tempel blijkt dat de cultus nooit onderbroken is geweest. …….. Babylonische tempels werden immers gebouwd van kleitichels, en die zijn nogal vergankelijk.”
[https://eartharchitecture.org/?p=1071]
Een compact artikel over de vergankelijkheid van bouwen met gedroogde klei en de duurzaamheid van eenvoudig regelmatig onderhoud. Hevige stortbuien zijn waarschijnlijk de grootste bedreiging, intacte pleisterlagen zijn meestal voldoende om matige regen te weerstaan.
Ik meende begrepen te hebben dat in de Babylonische kronieken/dagboeken uit die tijd Alexander nooit met zijn naam wordt aangeduid, maar met ‘de koning’ of soortgelijke titels?
Hij wordt aangeduid als Aliksa en als “koning van de wereld”. Dat laatste is een vertaling van “koning van Azië”, een begrip dat ze in Babylon niet begrepen,
Aliksa werd gebruikt – dat is echt nieuw voor mij in ieder geval.