Zes vragen aan Martine van den Berg

Martine van den Berg

De vaste lezers van deze blog kennen de rubriek “zes vragen”, waarin wetenschappers vertellen wat ze nu eigenlijk doen. Zeker als het gaat om Israël zijn er nogal wat misverstanden en daarom geef ik vandaag het woord aan archeoloog/religiewetenschapper Martine van den Berg, die momenteel werkzaam is in Jeruzalem.

***

Wat bestudeert u?
Mijn promotieonderzoek betreft de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 van onze jaartelling door de Romeinen, die in de contemporaine literaire bronnen als een alomvattende gebeurtenis wordt beschreven. Bovendien is deze verwoesting in de loop van de eeuwen voorzien van een theologische betekenis: voor christenen was het de vervulling van Jezus’ profetie en in het jodendom markeerde dit het einde van politieke autonomie en het begin van de diaspora.

Lees verder “Zes vragen aan Martine van den Berg” →

Brabantse sagen

Bronstijd-grafheuvels, Toterfout

De archeologische interpretatie stoelt op diverse poten. Zoals vergelijking: dit is een Romeins castellum want het lijkt op al bekende castella. Een meer tot de verbeelding sprekende interpretatiewijze noem ik gemakshalve “laboratorium”: door steeds weer nieuwe technieken is de archeologie momenteel de innovatiefste van de oudheidkundige disciplines. Verder benutten archeologen inzichten uit andere vakgebieden. Het ontstaan van de Taalgrens graaf je niet op, maar baseer je op teksten.

Archeologie in isolement

Nu volgt mijn maandelijkse gemopper: archeologen zijn met teksten onvoldoende vertrouwd. In de jaren ’80 propten de universiteiten de stof van vijf à zes jaar in vier jaar. De nadruk lag voortaan bij de technieken, terwijl kennis van de tekstwetenschappen gemarginaliseerd raakte. Deze smallere, technischere archeologie werd daarna geïnstitutionaliseerd in een onderzoeksschool, zoals ook andere disciplines in deze tijd geïnstitutionaliseerd versmalden.

Lees verder “Brabantse sagen” →

Zes vragen aan Fleur Kemmers

Fleur Kemmers

De vaste lezers van deze blog kennen de rubriek “zes vragen”, waarin wetenschappers kunnen vertellen wat ze nu eigenlijk doen. Dat is namelijk niet altijd wat het publiek denkt. Vandaag is het woord aan numismate Fleur Kemmers.

***

Wat bestudeert u?
Ik onderzoek de munten en het geld van de antieke wereld. Dat is het vakgebied van de numismatiek (nummus, “munt”), oftewel muntkunde. In de antieke wereld ontstaan de eerste munten rond het midden van de zevende eeuw v.Chr. in Lydië (nu Turkije). De productie van munten is sindsdien niet meer onderbroken geweest. Het fenomeen geld is natuurlijk veel ouder dan munten. Ook in de oude wereld waren er andere geldvormen dan munten (denk aan graan, baren edelmetaal, maar ook giraal geld). Omgekeerd kunnen munten meer functies vervullen dan alleen betaal- en spaarmiddel. De afbeeldingen en opschriften op munten zijn vanaf het begin gebruikt als politiek communicatiemiddel.

Lees verder “Zes vragen aan Fleur Kemmers” →

Het hermeneutisch vertrekpunt

Wat oudheidkundigen doen

Waarom zouden we belangstelling hebben voor de Oudheid? Ik heb het niet over u en mij, die gewoon genieten van kennis en straks andere dingen gaan doen. Ik heb het over beroepsoudheidkundigen, die moeilijk kunnen zeggen dat alleen zij mogen genieten. Ze moeten zich rechtvaardigen. Het grote plaatje, groter dan de vele detailstudies, is dat zo iemand

  1. het verleden (een denkbeeld, samenleving, voorwerp, proces…) reconstrueert,
  2. constateert dit anders was dan tegenwoordig,
  3. begrijpt dat het mogelijk is dingen anders te doen of denken dan zoals wij in onze tijd doen of denken,
  4. een verklaring zoekt voor de verschillen en overeenkomsten,
  5. en door die op te sporen ervoor zorgt dat de mensheid zichzelf beter  begrijpt.

Kennis van het heden en kennis van het verleden leiden samen tot zelfkennis: het archeologisch museum waar ik bovenstaande kisten fotografeerde, vat het mooi samen. Stap twee veronderstelt echter – en dat is in dit blogje het springende punt – dat een oudheidkundige zijn eigen wereld begrijpt. Dat is, zeg maar, de nulde stap in bovenstaand lijstje.

Lees verder “Het hermeneutisch vertrekpunt” →

De Slavische volken (3) Archeologie

Archeologische culturen rond 600 na Chr. (met dank aan Kees Huijser)

[Dit is het derde van zes blogjes over de herkomst van de Slavischsprekende volken. Het eerste was hier.]

In het eerste van deze vier blogjes gaf ik aan dat het Proto-Slavisch tegen het einde van het tweede millennium v.Chr. gesproken lijkt te zijn geweest rond de Pripjatmoerassen, en in het vorige blogje sprong ik naar de zesde eeuw na Chr., toen Byzantijnse auteurs Slavischsprekende groepen aanwezen in een regio die zich vanaf de Weichsel naar het zuidoosten uitstrekte tot aan de Dnjepr. Over de tussenliggende periode weten we feitelijk niets, want ook al heb ik het in dit blogje over de archeologie: archeologen graven geen taal op. Ze kunnen wel beargumenteerd speculeren.

Ik vind het echter ingewikkelde materie, uiteraard ook omdat een archeologische cultuur hoogst zelden precies met één taalgroep correspondeert. Ik noemde in het eerste blogje het verschijnsel van de superfederatie: een groep stammen met uiteenlopende achtergronden, die tijdelijk samenclustert onder een charismatische leider, en na diens overlijden weer uit elkaar valt. In zo’n superfederatie nemen mensen van alles over van iedereen, zodat eventueel bestaande correspondenties tussen taal en archeologie wegvallen. Maar speculeren staat vrij en ik denk dat ik het – voor zover ik er überhaupt iets van begrijp – het beste kan uitleggen als we in de tijd van Jordanes beginnen.

Lees verder “De Slavische volken (3) Archeologie” →

De Slavische volken (2) Jordanes

De Slavische volken volgens Jordanes (met dank aan Kees Huijser)

[Dit is het tweede van zes blogjes over de herkomst van de Slavischsprekende volken. Het eerste was hier.]

In mijn vorige blogje verzuchtte ik: over de vroegste Germanen hebben we tenminste Latijnse teksten, hadden we die maar voor de vroegste geschiedenis van het gebied waar het Proto-Slavisch moet zijn gesproken! De eerste echte beschrijvingen van de Slavische volken dateren van het midden van de zesde eeuw na Chr., als Slavischsprekende stammen zich aandienen aan de grenzen van het Byzantijnse Rijk. Dan lezen we over Sklabenoi (Latijn Sclaveni), Antes en “Veneti”. Die laatste groep stond nog lange tijd bekend als de Wenden.

Veneti

En misschien, misschien, is er een voorgeschiedenis. De Romeinse auteurs Plinius de Oudere en Publius Cornelius Tacitus kennen namelijk ook Veneti, die ergens in het oosten woonden, voorbij de Weichsel, dus zeg maar richting Polen. Tacitus schrijft expliciet dat hij niet weet of hij deze Veneti wel moet rekenen tot de Germanen, hoewel ze in hun gewoontes en leefwijze lijken op hun westerburen.noot Tacitus, Germania 46. Voor een Romein wilde dat zeggen: het waren heel primitieve boeren, een punt dat belangrijk is voor een volgend blogje. Ze waren echter “anders” dan de Germanen en dat andere zou weleens de taal kunnen zijn geweest.

Lees verder “De Slavische volken (2) Jordanes” →

De Slavische volken (1) Inleiding

Een ram uit Jordanów in zuidelijk Polen, de regio waar rond 2000 v.Chr. het allervroegste Proto-Slavisch werd gesproken (Archeologisch museum, Wroclaw)

Waar komen de sprekers van de Slavische talen, zoals Russisch en Pools en Bulgaars, vandaan? Als u dacht dat de vraag naar de herkomst van de Germaanssprekenden lastig te beantwoorden was, met bronnen vol tegenstrijdige aanwijzingen, dan zijn de Slavischsprekenden een nachtmerrie, want bij deze vraag zijn er zelfs geen geschreven bronnen. Het enige dat we weten, is dat ze een Indo-Europese taal spraken, dat ze in de Oudheid ergens verbleven in oostelijk Europa, dat Byzantijnse auteurs in de zesde eeuw volksverhuizingen vermeldden en dat er in de Middeleeuwen koninkrijken ontstonden waarin Slavische talen werden gesproken en geschreven. Dat laat veel aan duidelijkheid te wensen over, maar laat onverlet dat er hypothesen mogelijk zijn en dat we kunnen aangeven welke waarschijnlijker zijn en welke minder waarschijnlijk.

Soorten samenleving

Maar eerst even dit: voordat er Slavische koninkrijken waren, leefden de Slavischsprekenden – wie dat ook waren – in stamverbanden, superfederaties en vroege staten. Dit zijn problematische categorieën, maar aangezien dit een blog is en niet de Jagiellonische Universiteit in Krakau, beperk ik me tot losse definities.

Lees verder “De Slavische volken (1) Inleiding” →

Schoolmeesters en taalwetenschappers in Rome

Portret van een Romein uit de tijd van Macrobius (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

De wortels van de taalwetenschap liggen in de didactiek. Mensen willen weten hoe een taal in elkaar zit omdat ze die taal willen leren. Het helpt dan als iemand ze regelmatigheden aanwijst; het bijvoeglijk naamwoord staat altijd voor het zelfstandig naamwoord in deze taal, en de derde persoon enkelvoud eindigt altijd op een p. Maar het wordt pas wetenschap als je dat praktisch nut loslaat, als je je afvraagt waarom dat bijvoeglijk naamwoord daar staat en hoezo talen eigenlijk een derdepersoonsvorm van een werkwoord hebben.

In de vijfde eeuw na Chr. legde bijvoorbeeld ergens in het Romeinse Rijk een geleerde heer twee talen naast elkaar die hij allebei al perfect beheerste en die hij aan niemand leren wilde. Geen enkel praktisch doel had hij, hij wilde alleen maar snappen hoe het zat.

Lees verder “Schoolmeesters en taalwetenschappers in Rome” →

Faits divers (53) Bananen

Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer – serieus! – een mogelijkheid om uw redacteur in Leiden te zien optreden als banaan 🍌. Maar eerst andere zaken.

Klaas Worp

Papyroloog Klaas Worp is overleden. Hij gold als een van “the big three”, waarmee werd bedoeld dat hij behoorde tot de meest geciteerde en invloedrijkste geleerden in zijn vakgebied. Ik heb hem leren kennen toen ik werkte aan mijn boek Bedrieglijk echt, en ik zou aan de necrologie op de website van de Leidse universiteit twee dingen willen toevoegen. Het eerste is dat zijn onmiskenbare liefde voor zijn vak tegen het einde van zijn leven begon af te nemen. Eén van zijn ergernissen was dat zijn waarschuwingen voor Dirk Obbink in de wind zijn geslagen. Als zoiets ter sprake kwam, kon hij zich weleens een brompot betonen. Het andere dat ik noem is dat ik hem tijdens onze samenwerking altijd heb ervaren als hoffelijk, als oprecht geïnteresseerd en als een uitstekende docent, voor wie werkelijk geen moeite te veel was. Dat klinkt wellicht wat obligaat, maar het komt uit mijn hart.

Lees verder “Faits divers (53) Bananen” →