Het hermeneutisch vertrekpunt

Wat oudheidkundigen doen

Waarom zouden we belangstelling hebben voor de Oudheid? Ik heb het niet over u en mij, die gewoon genieten van kennis en straks andere dingen gaan doen. Ik heb het over beroepsoudheidkundigen, die moeilijk kunnen zeggen dat alleen zij mogen genieten. Ze moeten zich rechtvaardigen. Het grote plaatje, groter dan de vele detailstudies, is dat zo iemand

  1. het verleden (een denkbeeld, samenleving, voorwerp, proces…) reconstrueert,
  2. constateert dit anders was dan tegenwoordig,
  3. begrijpt dat het mogelijk is dingen anders te doen of denken dan zoals wij in onze tijd doen of denken,
  4. een verklaring zoekt voor de verschillen en overeenkomsten,
  5. en door die op te sporen ervoor zorgt dat de mensheid zichzelf beter  begrijpt.

Kennis van het heden en kennis van het verleden leiden samen tot zelfkennis: het archeologisch museum waar ik bovenstaande kisten fotografeerde, vat het mooi samen. Stap twee veronderstelt echter – en dat is in dit blogje het springende punt – dat een oudheidkundige zijn eigen wereld begrijpt. Dat is, zeg maar, de nulde stap in bovenstaand lijstje.

Lees verder “Het hermeneutisch vertrekpunt” →

De Slavische volken (3) Archeologie

Archeologische culturen rond 600 na Chr. (met dank aan Kees Huijser)

[Dit is het derde van zes blogjes over de herkomst van de Slavischsprekende volken. Het eerste was hier.]

In het eerste van deze vier blogjes gaf ik aan dat het Proto-Slavisch tegen het einde van het tweede millennium v.Chr. gesproken lijkt te zijn geweest rond de Pripjatmoerassen, en in het vorige blogje sprong ik naar de zesde eeuw na Chr., toen Byzantijnse auteurs Slavischsprekende groepen aanwezen in een regio die zich vanaf de Weichsel naar het zuidoosten uitstrekte tot aan de Dnjepr. Over de tussenliggende periode weten we feitelijk niets, want ook al heb ik het in dit blogje over de archeologie: archeologen graven geen taal op. Ze kunnen wel beargumenteerd speculeren.

Ik vind het echter ingewikkelde materie, uiteraard ook omdat een archeologische cultuur hoogst zelden precies met één taalgroep correspondeert. Ik noemde in het eerste blogje het verschijnsel van de superfederatie: een groep stammen met uiteenlopende achtergronden, die tijdelijk samenclustert onder een charismatische leider, en na diens overlijden weer uit elkaar valt. In zo’n superfederatie nemen mensen van alles over van iedereen, zodat eventueel bestaande correspondenties tussen taal en archeologie wegvallen. Maar speculeren staat vrij en ik denk dat ik het – voor zover ik er überhaupt iets van begrijp – het beste kan uitleggen als we in de tijd van Jordanes beginnen.

Lees verder “De Slavische volken (3) Archeologie” →

De Slavische volken (2) Jordanes

De Slavische volken volgens Jordanes (met dank aan Kees Huijser)

[Dit is het tweede van zes blogjes over de herkomst van de Slavischsprekende volken. Het eerste was hier.]

In mijn vorige blogje verzuchtte ik: over de vroegste Germanen hebben we tenminste Latijnse teksten, hadden we die maar voor de vroegste geschiedenis van het gebied waar het Proto-Slavisch moet zijn gesproken! De eerste echte beschrijvingen van de Slavische volken dateren van het midden van de zesde eeuw na Chr., als Slavischsprekende stammen zich aandienen aan de grenzen van het Byzantijnse Rijk. Dan lezen we over Sklabenoi (Latijn Sclaveni), Antes en “Veneti”. Die laatste groep stond nog lange tijd bekend als de Wenden.

Veneti

En misschien, misschien, is er een voorgeschiedenis. De Romeinse auteurs Plinius de Oudere en Publius Cornelius Tacitus kennen namelijk ook Veneti, die ergens in het oosten woonden, voorbij de Weichsel, dus zeg maar richting Polen. Tacitus schrijft expliciet dat hij niet weet of hij deze Veneti wel moet rekenen tot de Germanen, hoewel ze in hun gewoontes en leefwijze lijken op hun westerburen.noot Tacitus, Germania 46. Voor een Romein wilde dat zeggen: het waren heel primitieve boeren, een punt dat belangrijk is voor een volgend blogje. Ze waren echter “anders” dan de Germanen en dat andere zou weleens de taal kunnen zijn geweest.

Lees verder “De Slavische volken (2) Jordanes” →

De Slavische volken (1) Inleiding

Een ram uit Jordanów in zuidelijk Polen, de regio waar rond 2000 v.Chr. het allervroegste Proto-Slavisch werd gesproken (Archeologisch museum, Wroclaw)

Waar komen de sprekers van de Slavische talen, zoals Russisch en Pools en Bulgaars, vandaan? Als u dacht dat de vraag naar de herkomst van de Germaanssprekenden lastig te beantwoorden was, met bronnen vol tegenstrijdige aanwijzingen, dan zijn de Slavischsprekenden een nachtmerrie, want bij deze vraag zijn er zelfs geen geschreven bronnen. Het enige dat we weten, is dat ze een Indo-Europese taal spraken, dat ze in de Oudheid ergens verbleven in oostelijk Europa, dat Byzantijnse auteurs in de zesde eeuw volksverhuizingen vermeldden en dat er in de Middeleeuwen koninkrijken ontstonden waarin Slavische talen werden gesproken en geschreven. Dat laat veel aan duidelijkheid te wensen over, maar laat onverlet dat er hypothesen mogelijk zijn en dat we kunnen aangeven welke waarschijnlijker zijn en welke minder waarschijnlijk.

Soorten samenleving

Maar eerst even dit: voordat er Slavische koninkrijken waren, leefden de Slavischsprekenden – wie dat ook waren – in stamverbanden, superfederaties en vroege staten. Dit zijn problematische categorieën, maar aangezien dit een blog is en niet de Jagiellonische Universiteit in Krakau, beperk ik me tot losse definities.

Lees verder “De Slavische volken (1) Inleiding” →

Schoolmeesters en taalwetenschappers in Rome

Portret van een Romein uit de tijd van Macrobius (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

De wortels van de taalwetenschap liggen in de didactiek. Mensen willen weten hoe een taal in elkaar zit omdat ze die taal willen leren. Het helpt dan als iemand ze regelmatigheden aanwijst; het bijvoeglijk naamwoord staat altijd voor het zelfstandig naamwoord in deze taal, en de derde persoon enkelvoud eindigt altijd op een p. Maar het wordt pas wetenschap als je dat praktisch nut loslaat, als je je afvraagt waarom dat bijvoeglijk naamwoord daar staat en hoezo talen eigenlijk een derdepersoonsvorm van een werkwoord hebben.

In de vijfde eeuw na Chr. legde bijvoorbeeld ergens in het Romeinse Rijk een geleerde heer twee talen naast elkaar die hij allebei al perfect beheerste en die hij aan niemand leren wilde. Geen enkel praktisch doel had hij, hij wilde alleen maar snappen hoe het zat.

Lees verder “Schoolmeesters en taalwetenschappers in Rome” →

Faits divers (53) Bananen

Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer – serieus! – een mogelijkheid om uw redacteur in Leiden te zien optreden als banaan 🍌. Maar eerst andere zaken.

Klaas Worp

Papyroloog Klaas Worp is overleden. Hij gold als een van “the big three”, waarmee werd bedoeld dat hij behoorde tot de meest geciteerde en invloedrijkste geleerden in zijn vakgebied. Ik heb hem leren kennen toen ik werkte aan mijn boek Bedrieglijk echt, en ik zou aan de necrologie op de website van de Leidse universiteit twee dingen willen toevoegen. Het eerste is dat zijn onmiskenbare liefde voor zijn vak tegen het einde van zijn leven begon af te nemen. Eén van zijn ergernissen was dat zijn waarschuwingen voor Dirk Obbink in de wind zijn geslagen. Als zoiets ter sprake kwam, kon hij zich weleens een brompot betonen. Het andere dat ik noem is dat ik hem tijdens onze samenwerking altijd heb ervaren als hoffelijk, als oprecht geïnteresseerd en als een uitstekende docent, voor wie werkelijk geen moeite te veel was. Dat klinkt wellicht wat obligaat, maar het komt uit mijn hart.

Lees verder “Faits divers (53) Bananen” →

Het model van David Clarke

Het model van David Clarke (klik=groot)

Vorige week blogde ik over de Ladder van Hawkes: een manier om de relatie tussen de diverse oudheidkundige deelgebieden te conceptualiseren. Een archeoloog kan aan de hand van zijn vondsten vrij robuuste uitspraken doen over het technologisch peil van een samenleving, en als dat eenmaal is vastgesteld, blijft er maar een beperkt aantal configuraties over waarmee, op een hogere tree van deze “ladder”, de economie valt te organiseren. De economie stelt weer beperkingen aan de sociale verhoudingen, weer een tree hoger, en de sociale verhoudingen hebben weer enige invloed op de ideologie.

Er zit veel in dit concept dat de moeite van het overwegen waard is. Hoe hoger we komen op deze ladder, hoe minder robuust onze kennis is en hoe vaker archeologen een beroep moeten doen op andere vakgebieden. En er is een zwak punt: het is niet zo dat uitsluitend lagere treden beperkingen opleggen aan de hogere; het omgekeerde gebeurt ook. Het schema van de Britse archeoloog David Clarke, gepubliceerd in 1968, houdt daar rekening mee. Het is het plaatje hierboven. Het eerste wat opvalt is dat het enorm complex is, maar gelukkig heeft Kees Huijser, die dit plaatje voor u maakte, er kleur aan toegevoegd. Dat helpt.

Lees verder “Het model van David Clarke” →

Wat is er mis bij het INT?

Het is de laatste tijd stil op mijn favoriete wetenschapsblog Neerlandistiek.nl. Ik sta er elke dag mee op, want het is een leuke en informatieve website over een vakgebied dat me boeit. Maar sinds vorige week dinsdag, dus alweer een week geleden, is het stil. Je las eerst een verklaring van het Instituut voor de Nederlandse Taal (INT), waar de server staat, dat men kampte met een ernstige storing en dat het meerdere dagen zou duren voor de diverse websites, zoals Neerlandistiek, weer online zijn. Inmiddels worden bezoekers doorgestuurd naar de website van hoofdredacteur Marc van Oostendorp.

Maar die kan niet de woordenboeken en dergelijke online plaatsen die, om zo te zeggen, de core activity zijn van het INT. Op dit moment ligt een fors deel van de wetenschap stil, al een week lang.

Lees verder “Wat is er mis bij het INT?” →

Hans en Grietje

Banketbakkerij Hans en Grietje, Plovdiv

De wetenschap kent verscheidene hoaxes, mystificaties, falsificaties of hoe je ze ook maar wilt noemen. Ze worden om allerlei redenen in elkaar gezet: als academische grap, om iets aan te tonen, om verwarring te stichten of om geld te verdienen. Niet zelden is serieus onderzoek nodig om zo’n falsificatie te ontmaskeren. Gaat het dan om een inmiddels beroemd geworden mystificatie, dan krijgt zo’n werk een eigen intrinsieke waarde. Wie zou niet een “echte Van Megeren” willen hebben?

Op deze blog zijn ons eigen Nederlandse Oera Linda Boek, de Moabitische beeldjes en de Vrouw van Jezus al eens behandeld, en omdat het 1 april is, kan er nog wel wat bij: de “historische” Hans en Grietje.

Lees verder “Hans en Grietje” →