Toneel in de Oudheid

toneel_in_de_oudheid

Wat je ook mag denken van de oude Grieken en Romeinen, ze weten de aandacht wél vast te houden. Al een eeuw of zes. En terecht, want wie zich in de antieke culturen verdiept, vindt steeds weer iets om zich over te verbazen en van te genieten. Veel fans zijn lid van het Nederlands Klassiek Verbond, dat volgend jaar alweer tachtig jaar bestaat, en lezen het daarmee geaffilieerde tijdschrift Hermeneus, dat nog tien jaar ouder is.

Vanouds geven beide handen en voeten aan het Renaissance-denkbeeld dat je door kennis van de oude wereld het betrekkelijke leert zien van je eigen tijd en wat wijsheid opdoet. Beide geloven bovendien in het mooie zeventiende-eeuwse ideaal dat het genot van deze kennis, het verworven inzicht en de ontdekkingsvreugde niet het privilege moeten blijven van een geleerde elite, maar bereikbaar dienen te zijn voor iedereen.

Lees verder “Toneel in de Oudheid”

Koekenbakker

koekenbakker

Het zou een uitspraak kunnen zijn van dominee Gremdaat: “‘Zoiets, Koekenbakker, zoiets’: kent u die uitdrukking?” Over die zegswijze heb ik namelijk een vraag. Ze dook laatst op in een discussie op Facebook en al vrij snel vroegen we ons af waar die uitdrukking vandaan kwam. Ik dacht even aan Gerard Reve en vond zelfs een artikel over een gedicht van de Volksschrijver waarin de zegswijze wordt geciteerd, maar niemand wist waar Reve het had gezegd.

Was het misschien Nescio? In De uitvreter wordt de ik-figuur “Koekebakker” genoemd, maar het precieze citaat kon niemand aanwijzen. Kortom, het werd tijd voor een speurtocht op het internet en die leverde ook al niets op, behalve het inzicht dat de uitdrukking vrij algemeen wordt gebruikt, zoals in de genoemde Blog over Reve en op het Viva-forum. Ik legde de vraag voor aan een aardige journalist die de beschikking heeft over een enorm bestand gedigitaliseerde Nederlandse teksten en ook hij kon “Zoiets, Koekenbakker, zoiets” niet vinden, ook niet met spellingsvarianten.

Lees verder “Koekenbakker”

Synesios

dans

Als er één classicus is van wie ik had verwacht dat hij nooit vroegchristelijke poëzie zou vertalen, dan is het Piet Gerbrandy, de auteur van het door mij bewonderde boek Het feest van Saturnus. In de inleiding tot dit overzicht van de Latijnse literatuur vraagt Gerbrandy zich af wat van dat onderwerp de grenzen zijn: wat rechtvaardigt dat de auteur van een Latijnse literatuurgeschiedenis stopt in de zesde eeuw n.Chr.? Is er niet méér Latijn geschreven ná de Oudheid dan in het Romeinse Rijk? Gerbrandy antwoordt hierop dat de Romeinse literatuur heidens van karakter is. De latere Latijnse teksten, zo schrijft hij, hebben meer raakvlakken met middeleeuwse theologen dan met klassieke auteurs als Lucretius, Horatius en Tacitus. Gerbrandy noemt ook een persoonlijk argument: hij voelt zich bij die heidense auteurs meer op zijn gemak. Godsdienst is een “interessant maar bedenkelijk atavisme”.

Hij staat hiermee in de beste humanistische traditie en ik neem aan dat hij over de Griekse literatuur hetzelfde zou betogen: “geef mij maar de schrijvers uit de klassieke, hellenistische en Romeinse tijd, een ander mag schrijven over de Byzantijnse literatuur of de kerkvaders”. Vandaar dat het me verbaasde dat Gerbrandy onlangs een mooi boekje publiceerde met zijn vertaling van negen christelijke hymnen van de Griekse auteur Synesios van Kyrene, Dans die het heelal omkranst.

Lees verder “Synesios”

Lof der botheid

stipriaan_botheid
Lof der botheid is het nieuwe boek van René van Stipriaan en dat is niet de eerste de beste. Van Stipriaan, die lange tijd heeft gewerkt bij de onvolprezen Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren, is bijvoorbeeld de auteur van Het volle leven: Nederlandse literatuur en cultuur ten tijde van de Republiek (ca. 1550-1800), een van de mooiste mij bekende boeken over de Gouden Eeuw. Ik was dus benieuwd naar Lof der botheid, ook door de ondertitel Hoe de Hollanders hun naïviteit verloren. Het boek stelde me niet teleur.

Laat ik het zwakke punt maar meteen benoemen, dan hebben we dat ook gelijk gehad: Lof der botheid is een bundel ongepubliceerde lezingen en in ontoegankelijke tijdschriften gepubliceerde artikelen. Weliswaar zijn er voldoende terugkerende motieven om het geheel meer te maken dan de som der delen, maar de waarheid gebiedt te zeggen dat het soms een wat onaffe indruk maakt. Zo is er een hoofdstuk dat zou moeten gaan over de memoires van Jan Francken, de knecht van Johan van Oldenbarnevelt, maar in feite gaat over de carrière en ondergang van die laatste. Juist als je denkt “mooi, ik begrijp de context, nu wil ik weten wat die Francken te melden heeft over de raadspensionaris”, breekt het hoofdstuk af. Uit de verantwoording blijkt dan dat het de inleiding is geweest bij Thomas Rosenbooms hertaling van Franckens herinneringen aan Van Oldenbarnevelt.

Lees verder “Lof der botheid”

Krepel wil altijt voor dansen

Breughel, "De parabel der blinden" (1568)
Breughel, “De parabel der blinden” (1568)

Ik beken dat ik de naam “Jacob Cats” altijd heb geassocieerd met bravehendrikkenpoëzie. Geen idee waarom, of het moest zijn omdat elke auteur die in de Gouden Eeuw vaak werd gelezen, op voorhand verdacht is van rijmelarij & de combinatie van God, Nederland en Oranje.

Ik had moeten weten dat dat onzin was. Een auteur als Vondel wist immers heel goed wat bijten was, zoals prins Maurits moest ontdekken. Dat blijkt ook te gelden voor Jacob Cats: met mijn eenentwintigste-eeuwse waanwijsheid ben ik erin geslaagd tot mijn tweeënvijftigste levensjaar een eigenlijk best leuke auteur te negeren.

Hieronder is het gedicht dat mijn aandacht trok. Ik kende het niet, al blijkt het overal te vinden. Het heeft niets aan actualiteit ingeboet en bewijst (voor wie daaraan mocht twijfelen) dat het Nederlands de allersuperieurste taal van de wereld is met de allersuperieurste literatuur.

Cats leefde van 1577 tot 1660. Het schilderij dat ik hierboven toevoeg, is uit 1568 en heeft niets te maken met de kreupele danser uit het gedicht, maar is Breughels “De parabel der blinden”, dat dezelfde gedachte verbeeldt: dat onze bestuurders incompetent zijn. Kreupel of blind.

Lees verder “Krepel wil altijt voor dansen”

Augustinus (4)

lane_fox_augustine

[Dit is het vierde deel van een artikel over Augustinus, geschreven n.a.v. Lane Fox’ Augustine. Conversions and Confessions (2015). Het eerste deel is hier.]

Zoals gezegd vond ik Lane Fox’ Augustine. Conversions and Confessions een fijn boek om te lezen en ik heb er genoeg moois in gevonden. En toch overtuigde het me niet: er zit te veel speculatie in. Nu is dat onvermijdelijk bij dit onderwerp, dat, als ik het wat deftig mag uitdrukken, een dubbele hermeneuse veronderstelt.

“Hermeneuse” is de kunst om anderen goed te begrijpen. In een gesprek is dat natuurlijk niet zo moeilijk want als je iets niet snapt, kun je opheldering vragen. Het wordt al iets lastiger als je iets leest, want dan moet je de auteur zien te bereiken. Als de auteur dood is, schreef in een vreemde taal en leefde in een ons volstrekt vreemde samenleving, is antwoord uitgesloten. De aanname achter de wetenschappelijke hermeneuse is dat we desondanks toch zijn bedoeling wel enigszins kunnen benaderen: we lezen een tekst, vormen een beeld van het geheel en begrijpen – als we de tekst herlezen – de details beter doordat we weten wat we mogen verwachten, en doordat we de details nu snappen, begrijpen we de hoofdlijn weer beter. Dat is een in principe eindeloze cyclus, waarin je steeds beter begrijpt wat de tekst betekent, zeker als je haar leest met andere teksten en dezelfde cyclus toepast op de antieke samenleving. Zo zou je inzicht in een oude tekst uit een vervlogen tijd moeten groeien, maar de discussies die al twee millennia over de Bijbel worden gevoerd illustreren dat het niet per se leidt tot consensus. Er blijft een fors subjectief element.

Lees verder “Augustinus (4)”