Arrianus en Ammianus

arrianus

Soms vertelt één noot meer dan een pagina tekst. Als Ammianus Marcellinus, de auteur van een magistrale militaire geschiedenis van het Romeinse Rijk in de jaren 353-378, het heeft over een “inspecteur van de kunstschatten van Rome”, legt classicus Daan den Hengst, die de Latijnse tekst heeft vertaald in mooi Nederlands, uit dat de taken van deze functionaris onvoldoende bekend zijn maar dat hij vermoedelijk toezag op historische gebouwen en oude kunstwerken. Dat lijkt het intrappen van een open deur, maar Den Hengst wijst de lezer hier op twee wezenlijke punten: enerzijds dat voor de Romeinen van de tweede helft van de vierde eeuw bewondering voor het verleden een heel serieuze zaak was en anderzijds dat we minder weten over deze periode dan we zouden willen.

Wat we wel weten, maakt nieuwsgierig. Het was in die tijd niet meer vanzelfsprekend dat de Romeinse legers elke oorlog wonnen; de traditionele, literair-geschoolde bovenlaag maakte plaats voor een gemilitariseerde elite; het christendom won aan invloed. Weliswaar probeerde keizer Julianus (reg. 360-363) het laatste proces te remmen, maar hij kwam om het leven tijdens een veldtocht tegen het Perzische Rijk, zodat zijn poging de kerstening te vertragen zonder gevolg bleef. De titel die Den Hengst heeft meegegeven aan de Nederlandse vertaling van Ammianus’ geschiedwerk, Julianus, de laatste heidense keizer, legt een accent dat de Romeinse schrijver zelf niet legt. Toen hij rond 390 zijn boek afrondde, was het conflict allang niet meer actueel. En bovendien: Ammianus was vooral krijgshistoricus.

Lees verder “Arrianus en Ammianus”

Klassieke literatuur (3a): Sapfo

Sappho (Capitolijnse Musea, Rome)
Sappho (Capitolijnse Musea, Rome)

[Bij mijn mail zat onlangs de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een persoonlijk antwoord geven, waarbij leesplezier voorop staat. Wie zich er echt in wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit bij een cursus aanschuiven, zoals deze. Voor de Latijnse literatuur is er Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus. Voor de Griekse en christelijke literatuur is zo’n boek er niet. Nu heldendicht en leerdicht zijn behandeld, begin ik vandaag aan twee of drie stukjes over alle andere poëzie. Eerst Sapfo, aan wier gedichten ik lange tijd veel plezier heb beleefd.]

Poëzie – ik haat haar en ik houd van haar. “Waarom zo ingewikkeld?” zou u kunnen vragen, en dan moet ik u een uitleg geven waarin ik evenveel vertel over de poëzie als over mezelf. Als ik iets indrukwekkend vind, wil ik het namelijk kunnen delen, erover vertellen. Maar dan moet ik het gedicht samenvatten en juist dan doe ik haar tekort. Desondanks wil ik u toch voorstellen aan enkele klassieke dichters.

Sapfo

De eerste daarvan is de Griekse dichteres Sapfo, die rond 600 v.Chr. in de stad Mytilene op het eiland Lesbos een schooltje lijkt te hebben gehad waar jonge, ongehuwde aristocratische meisjes een soort opleiding kregen. Een deel van haar charme is dat we alleen fragmenten hebben, waardoor we slechts glimpen opvangen van wat ooit een prachtig kunstwerk moet zijn geweest. Het mysterie verhoogt de charme – ik blogde daar al eens over.

Lees verder “Klassieke literatuur (3a): Sapfo”

Zwagermans mystiek

zwagerman_wakend_over_god

Ik blogde gisteren over de “great chain of being”, het door Homeros genoemde koord dat de oude Griekse filosofen benutten als metafoor om te beschrijven dat alle niveaus van het universum bij elkaar horen. Ik kwam het beeld ook tegen in de laatste, postuum verschenen poëziebundel van Joost Zwagerman, Wakend over God. In feite is het zijn Belijdenissen: het verslag van de spirituele ontwikkeling van een onrustige geest die niet geboeid is door een steriel katholicisme, God uit zijn bestaan wist maar constateert dat Hij toch bestaat (“een rotstreek”; “God is van verduveld lange duur”).

Zwagerman zijnde Zwagerman knipoogt hij voortdurend naar andere teksten: alleen al op één pagina komen Tolstoj, Lucebert en Komrij langs. Thematisch interessanter zijn verwijzingen naar de middeleeuwse mysticus Eckhardt en naar Gerard Reve, die beide expliciet worden genoemd. Zwagerman zal zeker hebben gedacht aan de beroemde regel uit Nader tot U:

Eigenlijk geloof ik niets,
en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.
Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,
dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,
en dat, in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt,
zoals ik U.

Lees verder “Zwagermans mystiek”

De Vesuvius in vlammen

vesuvius_in_vlammen

Voor Plinius de Jongere heb ik altijd een zwak gehad: met plezier heb ik op het gymnasium enkele van zijn brieven vertaald en later heb ik een boekje over de man geschreven, Een interimmanager in het Romeinse Rijk. Het tiende boek van zijn correspondentie bestaat uit brieven die hij schreef aan keizer Trajanus en maken het mogelijk te reconstrueren hoe een gouverneur met buitengewone volmachten een crisissituatie bezweert. Ja, Plinius is een interessante man en zijn brieven zijn de moeite waard.

Dat vond ook Vincent Hunink, die werkzaam is aan de Nijmeegse Radbouduniversiteit en daar het werk doet waar universiteiten voor zijn: ervoor zorgen dat de samenleving beschikt over de actueelste wetenschappelijke inzichten. Ik ken hem – full disclosure – persoonlijk en sta altijd weer versteld van zijn enorme productiviteit als vertaler én als spreker. Er lijkt geen week voorbij te gaan waarin hij niet op Facebook vertelt over een lezing en er lijkt wel geen maand voorbij te gaan zonder dat hij een nieuwe vertaling produceert. Dit keer zijn het de brieven die Plinius schreef aan zijn vriend, de historicus Tacitus.

Lees verder “De Vesuvius in vlammen”

Lucy op het schoolplein met olijven

schoolplein

Als ik iets aardigs ga schrijven over de verhalenbundel Lucy op het schoolplein met olijven – en dat ga ik – kan het zijn dat ik een beetje bevooroordeeld ben. Ik ken de schrijfster, Inez van Eijk, weliswaar niet heel goed maar al wel heel lang. Een jaar of tien denk ik, misschien meer. Ik ben er echter heel zeker van dat ik óók iets aardigs over dit boek zou schrijven als ik de schrijfster niet zou hebben gekend – al vrees ik dat ik het boek dan nooit zou hebben gelezen. Dat zou jammer zijn geweest, want Lucy op het schoolplein met olijven is echt fijne lectuur.

De verhalen, meest gesitueerd in een stad die lijkt op Amsterdam, gaan over allerlei gewone mensen die heel gewone dingen meemaken. Een dame serveert een maaltijd aan een heer. Een oorlogsheld krijgt weer zin in het leven. Een vakantieliefde en een verloren liefde. Een hond die komt aanwandelen. Een echtpaar dat zich ontfermt over een jonge man. Een meisje verschijnt op het schoolplein met een delicatesse die de andere schoolkinderen niet lusten: olijven. Kortom, verhalen over alledaagse mensen en alledaagse dingen. Al vindt er ook een moord plaats.

Lees verder “Lucy op het schoolplein met olijven”

Klassieke literatuur (1b): epiek

lateur_odyssee

[Bij mijn mail zat onlangs de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een persoonlijk antwoord geven, waarbij leesplezier voorop staat. Ook mijn leesplezier: ik ben geen veilingmeester die álles kan aanprijzen. Wie zich er echt in wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit bij een cursus aanschuiven, zoals deze. Voor de Latijnse literatuur haalt u in de Openbare Bibliotheek Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus, een van de beste boeken die ooit zijn gewijd aan een aspect van de antieke cultuur. Voor de Griekse en christelijke literatuur is zo’n boek er helaas niet.

Ter zake nu: ik was bezig met de antieke epiek en ik moest nog twee dingen behandelen: de vertalingen en de teksten die door Homeros zijn beïnvloed.]

Vertalingen

Wat zijn fijne vertalingen? De meeste vertalers kiezen ervoor poëzie als poëzie weer te geven. Vertalers zijn doorgaans zelf taalliefhebbers, voor wie de vorm van de tekst net zo belangrijk is als de inhoud. Door poëzie als proza te vertalen, raak je wel heel veel van de vorm kwijt en heb je de oude literaire tekst in feite ontdaan van de artistieke component. De vertaler die het kunstige belangrijk vindt, zal minimaal proberen een nieuw kunstwerk te scheppen en dat kan bijvoorbeeld betekenen dat hij zijn vertaling perst in het keurslijf van een versmaat. Of zichzelf rijmdwang oplegt, al gebeurt dat niet zo vaak. Met deze zelfopgelegde beperkingen verklein je echter de mogelijkheid precies te vertalen.

Lees verder “Klassieke literatuur (1b): epiek”