Het verlangen van Nescio

Een enkel woord betekent soms meer dan je denkt. Je moet het kraken als een noot om te ontdekken wat erin schuil gaat.

Waarom bijvoorbeeld heet Nescio’s derde verhaal, dat over de ongelukkige Eduard, eigenlijk Dichtertje? De hoofdpersoon heeft weliswaar een bundel gepubliceerd en de kritiek noemde hem veelbelovend, maar hij is in de eerste plaats echtgenoot, vader, kostwinner, kantoorman. Die kwaliteiten domineren zijn bestaan. Hij is een burgerman. Dichten is vooral wat hij níet doet.

‘Maar in dit nette, onschadelijke, jonge burgerheertje leefde nog iets, dat geen heertje was, maar een mensch, die niet zoo maar dood wou gaan, die zichzelf een toren wou oprichten tot de blauwe lucht, om te staan in eeuwigheid. En een beest dat zich zat wilde vreten aan al ’t onverschillige levende en doode, dat maar deed of hij er niet was en zich wederom zat wilde vreten tot ’t alles opgevreten had en alleen over was met ’t niet.

Lees verder “Het verlangen van Nescio”

Maand van de Bijbel

Mozes (Gevelsteen, Mozeskerk, Amsterdam)

Ik weet niet waar de mode vandaan komt om denkers, dichters, boeren en buitenlui des vaderlands aan te stellen, maar we blijken een theoloog des vaderlands te hebben. Een soort ambassadeur dus die de bestudering van systemen van wereldbeschouwing – zoals het cliché wil – op de kaart moet helpen zetten. De theoloog des vaderlands heet Samuel Lee en gaf onlangs een interview aan De Volkskrant omdat vandaag de Maand van de Bijbel begint.

U zult aan de openingszin al wel gemerkt hebben dat ik moeite heb met mensen des vaderlands en de trouwe lezers van deze blog weten dat ik ook niet blij word van maanden des dinges. Vaak is de geboden informatie vooral aandachttrekkerij en dient ze niet de werkelijke verspreiding van inzicht. De doublure van een Romeinenweek naast de Week van de Klassieken moge dit illustreren. Die schreeuwerigheid lijkt dit keer echter te ontbreken en bovendien: afgezien van een uitglijder over Moeder Teresa zegt Lee een paar interessante dingen.

Lees verder “Maand van de Bijbel”

Mina Kruseman

Mina Kruseman? Die dacht ik te kennen. Dat was een van de eerste feministes. Ze was ook de actrice die Multatuli’s Vorstenschool gespeeld kreeg en zelf de hoofdrol voor haar rekening nam, die vervolgens ruzie kreeg met de auteur over de royalties en die Douwes Dekker het briljant geformuleerde commentaar ontlokte dat één Multatuli blijkbaar slechts een vijfde Kruseman waard was. Ik meende verder te weten dat ze het conflict met Multatuli naar haar hand had weten te zetten, domweg doordat ze beschikte over meer mensenkennis. Het optreden van Kruseman in Marc van Oostendorps zaterdagse Multatuli-cursus op Neerlandistiek had me weinig aanleiding gegeven dat beeld beslissend te herzien en ik was eigenlijk wel nieuwsgierig toen Van Oostendorp verwees naar de Krusemanbiografie van Annet Mooij, Branie. (Full disclosure: ik heb Mooij twee of drie keer ontmoet.)

Nou, ik wist dus niks. Ja, Kruseman bewerkstelligde op het toneel de doorbraak van Multatuli en die was het oneens met haar over het geld, maar het conflict eindigde in een debacle voor haarzelf: het toneelgezelschap ontbond haar contract en verving haar door een andere actrice. Dat was echter maar een deel van de mislukking. Ze had geprobeerd een meer natuurlijke speelwijze te introduceren in het Nederlands toneel en dat was hiermee eveneens mislukt.

Lees verder “Mina Kruseman”

Een soirée met Drs.P.

[Vanavond even een gastbijdrage aan deze blog, ingezonden door egyptologe/archeologe Sigrid van Roode, die u vorige week zag in dit filmpje.]

Een broze Drs.P. zit in een rolstoel naast de vleugel in de OBA te Amsterdam. Zijn jonge begeleider speelt De Gezusters Karamazov, de dan al demente doctorandus zingt de tekst. Kraakhelder en foutloos komen de vertrouwde woorden voorbij. Als de laatste akkoorden wegsterven, licht het gezicht van de hoogbejaarde doctorandus op. Hij straalt en zegt enthousiast: “Júist!” Het is één van de korte filmfragmenten in het eerbetoon dat Erik van Muiswinkel in de Leidse schouwburg opvoerde en waar ik in gezelschap van twee mede-adepten op een koude dinsdagavond naartoe was gegaan.

Ik hou van taal, van mensen die zich daarvan weten te bedienen en van mensen die daar net zo blij van worden als ik. Ik hou van Vondels rinkinkerende Aeneas en val als een blok voor de elegante zinnen van Frits van Oostrom in zijn Maerlants Wereld. Eén van de cassettebandjes, in onze studententijd door mijn beste vriendin meegebracht naar een opgraving, leverde eenzelfde plezier: dat was Drs.P. Compilé sur CD, of althans zoveel daarvan als op het bandje paste. De enjambementen in De Grenadiertjes, het enthousiasme in Sla, de uitsmijter van De Commensaal: ik genoot van zijn taalbehendigheid en oubollig krakende stem. Sneker Café en O wat leuk werden tot officieuze opgravingsliederen, en bij nader inzien bleek ik Dodenrit en Knolraap en Lof, Schorseneren en Prei allang te kennen. Want zo gaat dat, zei mijn gezelschap tijdens ons diner voorafgaand aan de voorstelling: Drs.P. hoef je niet uit je hoofd te leren, dat ken je op een gegeven moment gewoon.

Lees verder “Een soirée met Drs.P.”

Waarom klassieken? (4)

Het theater van Dionysos in Athene.

Geen van de auteurs uit het Alexandrijnse pantheon der Griekse letteren leefde na 300 v.Chr. Al in de derde eeuw was op deze wijze afgebakend wat klassiek zou worden: wat aan Alexander de Grote voorafging verdiende navolging, wat erop volgde was op z’n best van onduidelijke waarde.

Er zouden nog talloze belangrijke boeken worden geschreven, maar ze zouden nooit zo populair worden als de teksten van vóór Alexander. Nieuwe genres, zoals literaire brieven, liefdesgeschiedenissen, idyllen, biografieën en satiren, zouden nooit de status verwerven die het heldendicht, de lyriek en de tragedie bezaten. Dit gebrek aan populariteit heeft ervoor gezorgd dat deze teksten minder goed zijn overgeleverd dan het klassieke materiaal.

Lees verder “Waarom klassieken? (4)”