Berlijn, 1928

Een tijdje geleden blogde ik over wat de laatste Bernie Gunther-roman leek te zijn, Greeks Bearing Gifts. De auteur van de reeks, Philip Kerr, was namelijk overleden. Om eerlijk te zijn had ik de indruk dat het maar beter was dat er een einde kwam aan de serie, want de brille van het vroege werk was er vanaf. Greeks Bearing Gifts was boeiend als altijd, maar het decor was niet afgewerkt met de zorg die ik gewend was.

Vorige week zag ik op Schiphol echter een allerlaatste deel liggen, Metropolis, en omdat ik een dag in het vliegtuig naar Yerevan zou zitten, nam ik het boek toch maar mee. Spoiler-vrije samenvatting: u krijgt alles wat u mag verwachten. Het is 1928, een vrij jonge Bernie Gunther wordt eerst geconfronteerd met een Jack the Ripper-achtige moordenaar en vervolgens met iemand die oorlogsveteranen doodt. Gunther lost de zaken natuurlijk op, er is natuurlijk een liefdesrelatie die natuurlijk mislukt, er zijn natuurlijk wat rake one-liners en Gunther is natuurlijk weer eens belezener dan geloofwaardig voor een hard-boiled detective (dit keer is zelfs Antoni van Leeuwenhoek van de partij). Maar vooral: we vernemen natuurlijk een boel over het slangenei dat de Weimarrepubliek nu eenmaal was.

Een miskoop was mijn boek niet, en ik ben na aankomst in Yerevan wat later naar bed gegaan dan gepland omdat ik, toen ik het vliegtuig verliet, nog twintig pagina’s had te gaan en de ontknoping wilde weten. Metropolis is echter niet de beste Bernie Gunther-roman. Of beter: het is helemaal geen Bernie Gunther-roman. Het boek is feitelijk geen whodunnit en gaat alleen in schijn over Duitsland.

Lees verder “Berlijn, 1928”

De Mainzer Beobachter (de echte)

Je heb bloggers en bloggers. Sommigen beperken zich tot één hoofdthema, anderen schrijven over alles wat maar bij ze opkomt. Je moet eens weten hoeveel van die laatsten ergens in hun CV schrijven dat ze over alles een mening klaar hebben liggen. Zou Multatuli in onze tijd leven, hij zou hebben behoord tot die tweede categorie: iemand die over elk onderwerp wel een opiniërend stukje kon schrijven. Pak van Sjaalman.

Dat werd begin 1866 wat lastig, omdat hij gedwongen was Nederland te verlaten. Of beter: hij was wegens openlijke geweldpleging (“het moedwillig toebrengen van slagen … waardoor geene ziekte of beletsel van te werken van langer dan 20 dagen is ontstaan”) veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf en voelde zich te goed om die uit te zitten. Omdat hij, gevlucht naar het Rijnland, geld nodig had, ging hij stukjes schrijven voor de Opregte Haarlemsche Courant: vrij uitgebreide, redelijk betaalde samenvattingen van wat de Duitse kranten zoal te melden hadden. Broodschrijverij dus.

Lees verder “De Mainzer Beobachter (de echte)”

Literaire quiz (7)

De foto hierboven heb ik een beetje bewerkt omdat, als u de naam van dit etablissement zou kunnen lezen, het antwoord wel érg simpel te googelen zou zijn. Noem de plaats, noem de auteur die hier vaak kwam en noem ook de zanger.

Uw goede antwoord zal voor eeuwig bekend blijven, aangezien deze website wordt bewaard in het Nationaal Archief. Onsterfelijke roem dus.

Ella en Elegast (4)

[In het eerste, tweede en derde deel van het verhaal over koningin Ella vertelde ik dat ze, verkleed als ridder, midden in de nacht op pad was gegaan omdat ze wilde gaan inbreken. In het bos ontmoette ze haar oude vriend Elegast, die ze ooit had weggestuurd uit haar kasteel maar die een heel eerlijke man bleek te zijn. Toen ze inbraken in het kasteel van Eggerik, hoorde Elegast dat die van plan was koningin Ella gevangen te zetten.]

Niemand zag dat Elegast over de muur terug klom, het kasteel uit. “En?” vroeg Ella, opnieuw met een mannenstem, “Heb je goed kunnen inbreken? Heb je mooie dingen gestolen?”

Elegast zei niets. “Elegast!”, zei Ella, “Wat zie je eigenlijk bleek. Alsof je een spook hebt gezien! Is alles wel goed met je?”

“Met mij gaat het wel goed,” zei Elegast, “Maar ik heb een vreselijk verhaal gehoord, beste Ellus. Ik hoorde dat Eggerik morgen met al zijn ridders naar het kasteel van koningin Ella wil gaan, de koningin wil verrassen en gevangen nemen. Dan wil hij zelf koning zijn.”

Lees verder “Ella en Elegast (4)”

Ella en Elegast (3)

[In het eerste en tweede deel van het verhaal over koningin Ella vertelde ik dat ze, verkleed als ridder, midden in de nacht op pad was gegaan omdat ze wilde gaan inbreken. In het bos ontmoette ze haar oude vriend Elegast, die ze ooit had weggestuurd uit haar kasteel maar die een heel eerlijke man bleek te zijn. Samen gingen ze inbreken in het kasteel van Eggerik, die was getrouwd met Ella’s zus Gisella.]

Elegast sloop over de binnenplaats van het kasteel. De maan was al een beetje aan het ondergaan, het was donker en niemand zag hem. Daar zag hij een raam openstaan. Snel klom hij naar binnen. Het was een donkere, lege kamer, leek het. Hij stak een kaars aan en zag toen ineens dat hij recht tegenover het bed stond van Eggerik en Gisella. Oei! Daar was hij zomaar de slaapkamer binnengeklommen! Als ze wakker zouden worden, zouden ze hem vast snel kunnen vangen. Hij hield zijn adem dus in en blies de kaars weer uit.

Aan de muur had hij echter een prachtig paardenzadel zien hangen. Dat wilde Elegast wel stelen. Als hij het kon verkopen, zou hij zeker voor een maand te eten hebben en niet hoeven inbreken. Maar hij had pech. Omdat de kaars uit was, had hij niet gezien dat er aan het zadel belletjes zaten vastgemaakt. Toen hij het zadel van de muur af haalde, rinkelden die. In het bed werd Eggerik wakker.

Lees verder “Ella en Elegast (3)”

Ella en Elegast (2)

[In het eerste deel van het mooie en ware verhaal over koningin Ella vertelde ik dat ze, verkleed als ridder, midden in de nacht op pad was gegaan omdat ze wilde gaan inbreken. In het bos kwam ze een ridder tegen in een zwart harnas.]

“Wie ben jij, ridder in je stralende gouden harnas?” vroeg de zwarte ridder. Ella dacht: “Ik kan niet zeggen dat ik koningin Ella ben en dat ik ben gaan stelen.” Snel sloeg ze het vizier van haar helm neer, zodat de ridder haar gezicht niet kon zien. Ze zetten een zware mannenstem op en riep terug: “Zeg eerst maar wie jij bent en vertel ook waarom je midden in de nacht hier in het bos bent. Normale mensen liggen te slapen.”

“Ik heet Elegast,” zei de zwarte ridder. “Vroeger was ik een ridder van koningin Ella, maar toen ik een keer ziek was, ben ik in slaap gevallen terwijl ik op wacht stond. Ze heeft me toen weggestuurd en nu woon ik in een boshut en moet ik leven als dief. Ik moet toch te eten hebben hè. Maar zeg mij nu wie jij bent en wat jij ’s nachts doet in het bos. Je gouden harnas schittert alsof het de zon zelf is!”

Ella dacht even na. Ze was blij dat het Elegast was maar ze kon natuurlijk niet vertellen dat zij, de koningin, was gaan stelen. Opnieuw zette ze haar mannenstem op: “Ik heet El-…, eh, ik heet Ellus! En ik ben ook dief.”

Lees verder “Ella en Elegast (2)”