WvdK | Thoukydides over revolutionaire veranderingen

Thoukydides (Mozaïek uit Gerasa, nu in het Altes Museum, Berlijn)

Taal verandert in alle tijden, maar tijdens een revolutie valt het misschien wat meer op dat onze woorden wijzigen van betekenis. Een Griekse auteur die daarop wees, is Thoukydides – of Thucydides, als u de Latijnse spelling wil gebruiken. Zijn observaties over veranderende taal, die ik hieronder citeer, zijn terecht beroemd.

De vraag is wat hij ermee wil zeggen en om dat te achterhalen is  het zinvol eerst te kijken naar wat hij eigenlijk aan het doen is. Hij lijkt namelijk een historicus, maar dat is hij niet. Hij doet verslag van een reeks gebeurtenissen tussen pakweg 435 en 411 v.Chr., die wij aanduiden als de Archidamische Oorlog, de Siciliaanse Expeditie en de Dekeleïsche Oorlog, met daartussen enkele jaren die we kunnen typeren als een interbellum, waarin even goed veldslagen plaatsvonden zoals die bij Mantineia. Thoukydides nam alles samen en dan spreken we van de Peloponnesische Oorlog, maar als je je netten zo wijd werpt, moet je ook een later conflict, de Korinthische Oorlog, erbij nemen. Dat hij zijn netten te wijd of niet wijd genoeg werpt, toont dat hij niet werkelijk is geïnteresseerd in het verleden; wat hij wil is doorgronden wat er feitelijk gebeurt. Wat is een volksmenner? Wat vermag een goede toespraak? Wat is een oorzaak? En: wat is revolutie?

Lees verder “WvdK | Thoukydides over revolutionaire veranderingen”

Op de doorluchtige zege van Groninge

Vondel (Rijksmuseum, Amsterdam)

Op de doorluchtige zege van Groninge

Alias inter caput extulit urbes.

O GRONINGE, pilaer en hooftstadt van de Vriezen,
Van waer begint men best t’ ontvouwen uwen lof?
Uw bouheer Grunus most u tot zijn wijk verkiezen,
Zoo vroegh voor Christus komste, en boude hier zijn hof;
Of liever, zoo men zegt, de broêr van ’t hooft der Franken
Ontworp u arm en slecht. Nu, sestigh jaer geleên
En noch vijfhondert, most gy uwe stichters danken,
Die u bevestighden met toornen, graft en steen.

Maer namaels, aengegroeit in maght en burgeryen,
Ontzaeghtge min ’t gewelt, en proefde menighwerf
Het wisselbaere lot des oorloghs onder ’t stryen,
Doch noit met meer gevaers van ’t uiterste bederf,
Dan toen de Keurvorst en de Vorst van Munster t’zaemen,
Gesterkt met Fransche maght, u vielen op het lijf,
Met gloênde kogelen u overstulpen quamen,
En teffens out, en jongk, en maeght, en man, en wijf
Zich quijtende, noch storm, noch doots gevaer ontzagen,
Tot dat de vyanden verlieten uwen wal,
Na zulck een zwaer verlies, en droeve nederlaegen,
Waerop de zegegalm zich uitspreide overal.

Uw schermheer RAVENHOOFT, hebt gy, naest Godt, te loven
Voor uw behoudenis. Dees terger van de doot
Bewaekte u, tot dat gy het onheil quaemt te boven,
En stont de stormbuy uit van bommen vier en loot.
O GRONINGE, uit het puin en asch en stof verrezen,
Vergeet de weldaet niet, die Godt u heeft bewezen.

Joost van den Vondel

Lees verder “Op de doorluchtige zege van Groninge”

Klassieke literatuur (11): briefliteratuur

Brief van een in Italië gestationeerde vlootsoldaat aan zijn familie in Filadelfia (Egypte). Let op de tekst in de marge: schrijfmateriaal was kostbaar. (Neues Museum, Berlijn)

[Bij mijn mail zat een tijdje geleden de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een persoonlijk antwoord geven, waarbij leesplezier voorop staat. Wie zich er echt in wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit bij een cursus aanschuiven, zoals deze. Voor de Latijnse literatuur is er Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus. Voor de Griekse en christelijke literatuur bestaat zo’n boek helaas niet. Vandaag behandel ik de briefliteratuur.]

Een brief was in de Oudheid nooit zomaar een brief. Je ziet het aan de aanhef van de oudste exemplaren, kleitabletten die beginnen met iets als “Tot de koning van X, spreek:”. Dat was de instructie die de briefschrijver bedoelde voor degene die het document zou voorlezen. In een tijd waarin vrijwel iedereen ongeletterd was, veronderstelde een brief dus niet alleen een afzender en een ontvanger, maar ook een voorlezer en een klerk. Die laatste was er zelfs als de afzender geletterd was. Iemand van stand bevuilde zich niet en liet het aan anderen over inktvingers te krijgen. Zelfs als het epistel was verzegeld, waren dus allerlei mensen van de inhoud op de hoogte. Alle reden om verzorgd te schrijven. Zo ontstond de briefliteratuur.

Lees verder “Klassieke literatuur (11): briefliteratuur”

Het Nibelungenmuseum van Worms

Hagen en het Rijngoud (standbeeld in Worms)

Volgens de Gallo-Romeinse kroniekschrijver Prosper Tiro maakte de Romeinse generaal Aetius in het jaar 435 een einde aan de heerschappij van de Bourgondische leider Gundihar:

Rond deze tijd versloeg Aetius Gundihar, de koning van de Bourgondiërs die woonden in de Gallische provincies. Toen hij om vrede smeekte, werd die hem verleend. Gundihar genoot echter niet lang van die vrede, aangezien de Hunnen hem en zijn volk uitroeiden.

Dit incident vormt de historische kern van het tweede deel van het Nibelungenlied, het nationale gedicht van Duitsland. Het is een duistere tekst over onheil en loyaliteit, die eerst de ondergang beschrijft van de stralende held Siegfried en in de tweede helft de verschrikkelijke wraak die zijn echtgenote Kriemhild neemt op degenen die verantwoordelijk zijn voor de dood van haar man. De eerste helft speelt in Worms, de residentie Gunther, en de tweede helft in het paleis van koning Etzel – namen waarin we Gundihar en Attila herkennen. Het is zeker mogelijk dat Attila als jonge man heeft deelgenomen aan de door Prosper Tiro vermelde veldtocht die resulteerde in de dood van koning Gundihar.

Lees verder “Het Nibelungenmuseum van Worms”

Keltische verhalen

Cernunnos (Musée de Cluny, Parijs)

Als de Vlaamse auteur Herman Clerinx, aan de trouwe lezers van deze blog bekend als de auteur van door mij bewonderde boeken over de hunebedden en de Romeinen in de Lage Landen, in zijn nieuwe boek Het oudste geheugen op aarde. Verhalen uit de Keltische wereld de La Tène-cultuur moet typeren, dus de tweede grote fase van de Keltische beschaving, schrijft hij:

deze kunstenaars leefden gelijktijdig met de meesters van de klassieke Griekse kunst. Maar terwijl de Grieken bedreven waren in het realistisch afbeelden van mensen, hadden de Keltische kunstenaars een andere belangstelling. De dagelijkse werkelijkheid boeide hen niet; zij toonden liever hun dromen, hun angsten, hun fantasie en hun mythen. Ook dat herkennen we in de verhalen uit de Keltische wereld. Realistisch kunnen we die moeilijk noemen, fantasierijk des te meer.

Ineens dacht ik: ja, dát is het. Wonderlijke goden met hertengeweien of drie gezichten, toverketels waar allerlei goeds in zit en dat in oneindige hoeveelheden, wezens van het duister, rondzwervende demonen: het zijn droomgezichten, fantasieën en soms ook angsten. Clerinx is een goede docent die vaak precies de juiste formulering weet te vinden.

Lees verder “Keltische verhalen”

Literaire hoogtepunten

Een boekenkast van vijftien meter hoog (Lootsstraat 34, Amsterdam)

Er was een tijd, niet eens zo lang geleden, dat op hotelkamers nog weleens een Bijbel lag. Die werd goed gelezen; Hunter S. Thompson begint een van zijn boeken met herinneringen aan de hotellectuur van de Openbaring van Johannes, waarvan de verschrikkingen in het niet vallen bij wat hij in de rest van zijn boek zou gaan vertellen. De bijbels werden vaak gestolen, zeer tot vreugde van de organisatie die ze plaatste, de Gideons, aangezien diefstal betekende dat Gods woord in vruchtbare aarde was gevallen. Ze grapten dat de Bijbel het meest gestolen boek ter wereld was.

Bijbels waren niet de enige boeken die je kon aantreffen naast je bed. In een Franse hotelkamer heb ik weleens een boek gevonden met hoogtepunten uit de Franse literatuur. Dat spookt nog steeds door mijn hoofd omdat ik altijd het idee heb te weinig te weten van de Franse cultuur. Een recent bezoek aan Parijs rakelde weer op wat een verlies dat is. Hoe één boek op een hotelkamer je na tientallen jaren nog een schuldcomplex kan bezorgen.

Lees verder “Literaire hoogtepunten”

Martialis compleet

Ivoren doosje (Museu Arqueologic de Catalunya, Barcelona)

De dichter Marcus Valerius Martialis, die u moet plaatsen in het laatste kwart van de eerste eeuw n.Chr., geldt als de grootmeester van het Romeinse puntdicht. Over zijn leven is weinig meer bekend dan wat hij in zijn gedichten vertelt: dat hij uit Spanje kwam, dat hij in Rome ergens drie hoog achter woonde en het niet breed had, dat zijn gedichtjes goed gelezen werden, dat hij het gaandeweg wat breder kreeg en dat hij zich tegen het eind van zijn leven terugtrok in Spanje.

Misschien is het waar, maar het zou mij niet verbazen als het allemaal pose is geweest en als Tout-Rome wist dat Martialis elke ochtend een cappuccino kwam wegtikken aan de Via Cavour, in de middag zat te lunchen op de Piazza Navona en ’s avonds meewandelde in de pantoffelparade door de Via dei Serpenti. Dat zo’n society-dichter pretendeerde in armoede te leven, maakt de poëzie alleen maar geiniger.

Lees verder “Martialis compleet”

Het oudst-bekende verhaal van de wereld (7)

Reliëf uit Khorsabad van een heldhaftige figuur, vaak geïdentificeerd met Gilgamesj (Louvre, Parijs; voor volwassenen is er deze afbeelding)

[Voor het laatst is de blog voor kinderen die het verhaal van Gilgamesj nog niet kennen. Het staat u vrij het verhaal voor te lezen aan een achtjarige. Het eerste deel was hier.]

Gilgamesj had gehoopt dat Ut-Napisjtim en Emzara hem hadden kunnen vertellen hoe ook hij onsterfelijk had kunnen worden, maar dat was op niets uitgelopen. Hij begreep dat hij voor niets helemaal was gereisd tot voorbij de randen van de aarde. Maar toch – hij wilde zo graag onsterfelijk zijn.

Ut-Napisjtim probeerde hem nog één keer uit te leggen dat ook hij, de machtige koning van Uruk, ooit zou sterven. “Weet je wat?” zei Ut-Napisjtim, “Dood zijn is een beetje zoals slapen. Probeer eens of je zeven dagen en zes nachten wakker kunt blijven. Dan ontdek je wel dat onsterfelijk zijn zo eenvoudig niet is.”

Lees verder “Het oudst-bekende verhaal van de wereld (7)”

Het oudst-bekende verhaal van de wereld (6)

Een mudhif, een gastenhuis, zoals de “Moeras-Arabieren” al eeuwen bouwen.

[Voor de vaste bezoekers van deze blog: vandaag zijn jullie even niet aan de beurt, maar is de blog voor kinderen die het verhaal van Gilgamesj nog nooit hebben gehoord. Daar moet verandering in komen. Het staat u natuurlijk vrij een achtjarige voor te lezen. Het eerste deel was hier.]

Toen zijn vriend Enkidu was overleden, was koning Gilgamesj van Uruk bang geworden dat hij ook dood zou gaan. Dus ging hij op zoek naar de enige mensen die ooit onsterfelijk waren geworden, Ut-Napisjtim en Emzara. Zij hadden lang geleden de Grote Overstroming overleefd en woonden sindsdien voorbij de rand van de wereld. Misschien ontvingen ze Gilgamesj in een huis zoals hierboven, gemaakt van riet. Zulke gastenhuizen maakten ze in Irak vroeger en nu nog altijd.

Ut-Napisjtim vertelde aan Gilgamesj dat de goden op een kwade dag hadden besloten de wereld onder water te zetten. De allereerste mensen hadden allemaal slechte dingen gedaan en daarom hadden de goden besloten dat ze opnieuw wilden beginnen, zonder de slechte mensen. De goden spraken af dat ze het geen mens zouden zeggen.

Lees verder “Het oudst-bekende verhaal van de wereld (6)”

Het oudst-bekende verhaal van de wereld (5)

Een schorpioenman (British Museum, Londen; voor volwassenen is er deze afbeelding)

[Voor de vaste bezoekers van deze blog: vandaag zijn jullie even niet aan de beurt, maar is de blog voor kinderen die het verhaal van Gilgamesj nog nooit hebben gehoord. Daar moet verandering in komen. Het staat u natuurlijk vrij een achtjarige voor te lezen; morgen rond ik af. Het eerste deel was hier.]

Enkidu, de beste vriend van koning Gilgamesj van Uruk, was overleden. Hij was er gewoon niet meer. Nooit zou Gilgamesj meer lachen om grapjes over scharnieren van cederhout. Nooit zouden ze meer samen eten, samen een biertje drinken, samen door de stad wandelen, samen op jacht gaan. Ruzie hadden ze niet meer gehad sinds hun eerste ontmoeting, maar Gilgamesj zou nog liever ruzie hebben met een levende Enkidu dan dat Enkidu er niet meer was.

Niet alleen was Gilgamesj ontroostbaar, hij was ook angstig. Voor het eerst in zijn leven was de machtige, sterke, stoere koning… bang. Toen hij had gevochten met Humbaba en de Hemelstier had hij niet geweten wat angst was, maar nu ineens begreep hij dat hij zelf ook een keer dood zou gaan en er niet meer zou zijn. Hij sprak erover met zijn moeder Ninsun, de godin van de buffels, maar die kon hem niet troosten: “Alleen de goden en de godinnen gaan nooit dood,” zei ze. “Die leven eeuwig. Mensen moeten sterven, allemaal.”

Lees verder “Het oudst-bekende verhaal van de wereld (5)”