Waarom klassieken? (2)

De “Ludovisi Aristoteles” (Museo Altemps, Rome)

Ik gaf in het vorige stukje aan dat de afstammelingen van de Griekse en Macedonische kolonisten die zich hadden gevestigd in het door Alexander de Grote veroverde Nabije Oosten zich graag presenteerden als Griek, omdat dit hun toegang verleende tot de hogere functies. De Griekse cultuur waarmee ze zich presenteerden, diende daardoor statisch te blijven, omdat ze anders niet herkenbaar was.

Er was nog een andere reden waardoor de Griekse cultuur van de vijfde en vierde eeuw dé standaard werd op literair en artistiek gebied. Even belangrijk was dat de bewonderde beschaving inderdaad op een bepaalde manier kon doorgaan voor superieur, en niet doordat ze militair nogal succesvol was geweest. Zo waren de Griekse beeldhouwers er als enigen in geslaagd de menselijke anatomie volmaakt weer te geven in brons of marmer. Hun oudste beelden waren even statisch geweest als de Egyptische en Fenicische sculptuur, en latere waren gekenmerkt door amandelogen, een onbeholpen glimlach en klutsknieën, maar uiteindelijk hadden kunstenaars de anatomische perfectie bereikt. Over de schilderkunst kon een vergelijkbaar verhaal van perfectionering worden verteld.

Lees verder “Waarom klassieken? (2)”

Waarom klassieken? (1)

In deze beroemde, in Aï Khanum gevonden inscriptie vertelt een zekere Klearchos naar Delfi te zijn gegaan om daar de uitspraken van de wijzen van weleer over te schrijven: “Als kind, wees geordend; als jongeman, wees rustig; als volwassene, wees rechtvaardig; als oudere, wees wijs; als stervende, wees zonder zorg.”

Voor de Grieken was het verleden normatief. De Ilias bevat een scène waarin de held Achilleus zichzelf vrolijk probeert te stemmen door op een lier “de roemruchte daden van de helden te bezingen”, volgens Herodotos waren in het verleden “de fatsoensnormen vastgelegd” en een revolutionair die de maatschappelijke status quo wilde veranderen, beriep zich op voorvaderlijke gewoonten. Bewondering voor het verleden was zó vertrouwd dat men het zich nauwelijks bewust was.

Dit begon te veranderen toen Alexander de Grote het Nabije Oosten onderwierp en de voorwaarden schiep waaronder de Griekse cultuur zich kon verspreiden tot in Egypte en Afghanistan. Voor zover in de jaren na de verovering ergens orde heerste, werd die gegarandeerd door de duizenden veteranen die Alexander had achtergelaten in steden als Iskenderun, Alexandrië, Kandahar en Kampyr Tepe. Daar kwamen Macedoniërs, Grieken, Perzen en andere volken op een tot dan toe ongekende schaal met elkaar in contact, en hoewel de Griekssprekenden een duidelijk herkenbare elite vormden, moesten ze samenwerken met de onderworpen volken. In die wereld, waarin traditionele vormen van gezag waren geërodeerd, begonnen Alexanders generaals – als het ware van onderaf – nieuwe rijken op te bouwen, waarbij ze steunden op hun landgenoten.

Lees verder “Waarom klassieken? (1)”

Semiramis

Een Assyrische koningin (Pergamonmuseum, Berlijn)

Eutropius, wiens door Vincent Hunink vertaalde Korte geschiedenis van Rome onlangs in de winkel is gekomen (full disclosure: ik schreef de inleiding), vermeldt ergens een keizerin Symiasera, waarmee hij Julia Soeamias bedoelt, een uit Syrië afkomstige heerseres. Ik denk dat de rare schrijfwijze geen toeval is. Eutropius wil een herinnering oproepen aan de legendarische oosterse heerseres Semiramis, een van de grote verzinsels uit de Oudheid.

De naam

Toegegeven, de náám Semiramis heeft bestaan. De echtgenote van de Assyrische koning Šamši-Adad V (r.824-811 v.Chr.) heette Šammuramat ofwel Semiramis. Toen haar man was overleden, was ze gedurende drie (misschien vijf) jaar regent voor haar nog minderjarige zoon Adad-Nirari III. De Assyrische legers voerden in deze jaren oorlog tegen de Meden in het oosten en tegen de stad Arpad in het westen. Business as usual dus, zij het dat de commandant een vrouw was of een door haar aangewezen generaal. Veel meer weten we niet over deze koningin, behalve dan dat ze in 787 v.Chr. nog in leven was.

Lees verder “Semiramis”

Herman Vanstiphout (1941-2019)

Enkidu, Gilgameš en de hemelstier: reliëf uit Nuzi (Pergamonmuseum, Berlijn)

Er is maar één Oudheid geweest en we weten er veel te weinig van. Dataschaarste is hét centrale thema van de oudheidkunde, een thema dat de oudheidkundigen onderscheidt van andere wetenschappers en onderling verbindt. Desondanks is het vakgebied verdeeld. Om te beginnen is er de op een negentiende-eeuwse traditie gebaseerde tegenstelling tussen archeologen en filologen, vervolgens is er de even verouderde tegenstelling tussen enerzijds Griekenland en Rome en anderzijds het Nabije Oosten, en tot slot is er een tegenstelling tussen de wetenschap en de publieke kennis. Het is geen mens gegeven al die tegenstellingen op te heffen maar de onlangs overleden Groningse geleerde Herman Vanstiphout deed zijn best in elk geval de kloof tussen wetenschap en publiek te overbruggen.

Twee boeken verdienen uw aandacht. In Eduba (2004) toonde hij aan de hand van allerlei vertaalde teksten hoe in het oude Sumerië de school- en schrijfcultuur zijn ontstaan. Het boek is antiquarisch nog wel te krijgen en ik kan het u aanraden. Het andere boek is zijn vertaling van het Epos van Gilgameš (2001), waarover ik al eens blogde. Het epos is weleens getypeerd als het nationale gedicht van de Babyloniërs. Daarmee is het tekortgedaan, want het werd ook gelezen in de Hethitische hoofdstad Hattusa en in het verre Megiddo in Kanaän, er lag een exemplaar in de Bibliotheek van Aššurbanipal in de Assyrische hoofdstad Nineveh, terwijl de kern bestaat uit verhalen over een Sumerische vorst. Er zijn echo’s in de Griekse literatuur. Zo het iets is, dan toch het gedicht van de eerste drie millennia van de menselijke geschiedenis.

Lees verder “Herman Vanstiphout (1941-2019)”

Leidens Ontzet

Leidens Ontzet
Leidens Ontzet

P.C. Hooft is geen schrijver die nog veel lezers trekt. We kennen hem zoals we Vondel kennen: er is een straat of een park naar zo iemand genoemd, en dat is het dan. Zo gaan die dingen nou eenmaal en dat is niet erg. Dat laat onverlet dat die auteurs wel wisten hoe ze een verhaal moesten vertellen en mooi Nederlands schreven. Hieronder volgt een stukje uit Hoofts Nederlandse Historiën (1642) dat ik tijdens een slapeloze nacht heb overgetypt. Gegeven de datum – dit gaat online op 3 oktober – kunt u het onderwerp wel raden: het ontzet van Leiden.

De situatie: de dijken zijn doorgestoken, de vloot van Lodewijk van Boisot nadert de belegerde stad en hoeft alleen de Lammenschans nog in te nemen, maar de postduif waarmee dit de Leidenaren wordt aangekondigd, valt in Spaanse handen. De belegeraars besluiten echter geen soldaten nodeloos op te offeren en trekken zich geordend terug. Het geschut, dat ze niet kunnen meenemen door het geïnundeerde gebied, wordt onklaar gemaakt door de stukken in het water te werpen.

Lees verder “Leidens Ontzet”

Vondel in Keulen, bis

Gedenksteen voor Vondel in Keulen

Een tijdje geleden blogde ik over een bezoekje aan Keulen, waarbij ik in de Große Witschgasse vergeefs had gezocht naar het gedenksteentje op het geboortehuis van Joost van den Vondel. Ik schreef:

De moderne straat herinnerde ik me goed. De seksbioscopen in de omgeving herinnerde ik me eveneens goed. De nabijheid van de Rijn herinnerde ik me eveneens correct. Maar die gevelsteen? Niets.

Speelt mijn geheugen me parten? Het zou kunnen. Ik ben vierenvijftig. Heb ik slecht gekeken in een drukke straat? Kan ook. Of is die gevelsteen verwijderd? Het zou ook kunnen. Ging het om het huis dat in verbouwing was? Ik weet het niet maar in elk geval hoort er op die plek gewoon een gevelsteen te zijn, klaar.

Lees verder “Vondel in Keulen, bis”