Fietsen naar Thessaloniki: de Povlakte

Wat je ziet als je afdaalt naar de Povlakte: Exilles

Ik had u, beste lezer van het zomerfeuilleton waarvan de eerste aflevering hier was, achtergelaten aan de grens tussen Frankrijk en Italië. Het was de twaalfde dag van mijn reis en ik was in acht-en-een-halve dag door heel Frankrijk getrokken. Ik wil niet zeggen dat ik haast had, maar de Maastrichtse vriend bij wie ik had gelogeerd vóór ik aan deze reis begon, zou over een week aankomen in Rome en we hadden daar schertsend afgesproken. Ik had een ruime week om de stad te bereiken die Hannibal alleen maar vanaf een afstandje had zien liggen.

Maandag 11 mei 1992

Aan de afdaling naar de Povlakte zou het niet liggen. Ik suisde naar beneden en was al snel op de schaduwrijke helling naar het noorden waar Hannibals mannen sneeuw hadden gevonden die nog uit het voorafgaande jaar was. Niet veel verderop moest ik in de remmen omdat daar ineens recht voor me de abdij lag die u kent uit De naam van de roos.

Nu zegt u: “dat was fictie, Jona”, en dan heeft u gelijk.

Maar!

Lees verder “Fietsen naar Thessaloniki: de Povlakte” →

Fietsen naar Thessaloniki: de Alpen

Op weg naar de Alpen: fiets met volle tassen.

Ik heb u al eens verteld over Peter Connolly, de Britse tekenaar die zoveel heeft gedaan voor de bestudering van de antieke krijgskunst. Je kunt de redacteuren die beeldmateriaal gebruiken om de oude wereld te tonen, rustig indelen in twee groepen: degenen die menen dat een rechtenvrij Renaissance-schilderij of een negentiende-eeuwse gravure goed genoeg zijn en degenen die wél de kwaliteit willen die Connolly haalde. Hij kon echter ook goed schrijven en het was zijn verhaal over Hannibal dat me ertoe bracht de Alpen over te gaan. [[Vul hier zelf uw grap over olifanten en fietsen in.]]

Over de vraag welke pas Hannibal heeft genomen, is veel geschreven, maar voor zover ik kan zien heeft Connolly het probleem al in de jaren zeventig nuchter tot normale proporties teruggebracht en opgelost. U leest hier mijn mening. Het ging om de Col de Montgenèvre tussen Briançon en Turijn. En daarover wilde ook ik Italië binnenrijden.

Lees verder “Fietsen naar Thessaloniki: de Alpen” →

Fietsen naar Thessaloniki: Midden-Frankrijk

Reconstructie van Caesars belegeringswerken bij Alesia (Archéodrome, Beaune)

Was er in Sombernon, waar ik had overnacht, een echte camping of heb ik in het wild gekampeerd? Ik weet het niet meer. Ik heb destijds geen aantekeningen gemaakt; ik schrijf dit allemaal uit mijn hoofd. Ik ontdekte pas toen ik dit begon te schrijven dat dit verhaal zich afspeelt in 1992 en niet, zoals ik altijd had gedacht, in 1991. Er zal nog een moment komen waarop u zult merken dat ik de chronologie niet precies meer weet.

Bourgondië

Maar voor het moment: ik werd wakker met uitzicht op een meer, waar een prachtige ochtendmist overheen hing. Het was sereen stil en ik voelde me bijna schuldig dat ik de idylle doorbrak door Sombernon binnen te rijden.

Lees verder “Fietsen naar Thessaloniki: Midden-Frankrijk” →

Fietsen naar Thessaloniki: Noord-Frankrijk

Voor Frankrijk is Alesia een lieu de mémoire: het beeld van Vercingetorix

Ik had u achtergelaten in Reims, waar ik mijn tent had opgeslagen op de plaatselijke camping na een verregende maar mooi geëindigde tweede reisdag.

Zaterdag 2 mei 1992

De derde dag van mijn tocht naar Griekenland begon ik met een bezoek aan het plaatselijke archeologische museum, waarvoor ik even terug moest rijden, om daarna verder te fietsen naar het zuidoosten. Ik passeerde een in de Eerste Wereldoorlog aan flarden geschoten fort, waar ik even een kijkje nam alvorens door te gaan. Ik was nu in Champagne en waar ik heden ten dage misschien een bezoek zou brengen aan een van de wijnboerderijen, liet ik ze die zomer links liggen.

Via Châlons-en-Champagne reed ik verder, nu pal zuid over een kaarsrechte weg naar Troyes. Dit waren ooit de Catalaunische Velden: hier versloegen de Visigoten en Franken, gecommandeerd door de Romeinse generaal Aetius, in 451 de Hunnen van koning Attila. Ik wilde al jaren naar dit gebied en het trof me hoe open en groen het landschap was. Ik herinner me ook dat ik voor de eerste keer de TGV zag rijden, snel als de bliksem. In Arcis kocht ik mijn eerste ansichtkaarten, want ik had toegezegd een bevriende familie elke dag te laten weten waar ik was. We moesten van thuisblijvers geen spoorzoekers maken.

Lees verder “Fietsen naar Thessaloniki: Noord-Frankrijk” →

Fietsen naar Thessaloniki: België

Ergens in België of (vermoedelijk) Noord-Frankrijk

Mijn gastheer, Peter Flaton, hing de vlag uit. Het was namelijk Koninginnedag 1992. Nog even omkijkend zag ik hoe hij en zijn echtgenote me nazwaaiden terwijl ik uit Maastricht wegfietste. Ik reed op een mooie witte hybride – dit is een type fiets – die ik RIH op mijn maat en naar mijn voorkeuren had laten bouwen. Met twee paar remmen, extra dikke banden, een bagagedrager achter én voor en met vier tassen. In die tassen zaten onder meer een tent, landkaarten en een kartonnen fotocameraatje. (Zie boven voor de kwaliteit van de fotografie.) En ergens in een gordel om mijn middel zaten mijn paspoort en een stapel eurocheques.

Op reis

De sportfiets had ƒ1865,- gekost en was betaald, maar het geld had ik moeten lenen van vrienden en bekenden. Ik had haast gehad om weg te komen, wilde nadenken en omdat denken me het beste afgaat als ik op de fiets zit, reisde ik nu af naar Griekenland.

Lees verder “Fietsen naar Thessaloniki: België” →

Fietsen

Veerpont bij Loevestein

Ergens rond mijn zeventiende of zo kreeg ik de geest: fietsen is leuk. Vanuit Apeldoorn, waar ik opgroeide, reed ik naar Amersfoort of Utrecht, naar de Athenaeumbibliotheek in Deventer, naar Arnhem en Nijmegen. En dan later op dezelfde dag weer terug. Dat ging destijds makkelijker dan nu. Er waren minder Vinexwijken en verkeersdrempels, je kon gewoon lekker over je stuur hangen, in een bepaald ritme komen en een bijna verslavende cadans opbouwen. Nu lukt dat, geloof ik, alleen nog op de Afsluitdijk, waar ik inmiddels, nu ik mijn hobby heb hernomen, alweer tweemaal overheen ben gegaan.

In december 2013 ben ik er dus opnieuw mee begonnen. Een tocht van Amsterdam naar Apeldoorn was de eerste grote rit. Meteen een goede les: het stuk tot Amersfoort is niet langer geschikt om door te donderen. Zoals gezegd: Vinexwijken en verkeersdrempels. Voorbij Amersfoort bleek het die dag wel weer te kunnen: bijna blindelings kon ik over Leusden, Barneveld, Kootwijkerbroek, Kootwijk en Assel naar Apeldoorn rijden. Eén van mijn oude favoriete routes was nog nauwelijks veranderd en ik zat al snel weer lekker in de cadans.

Lees verder “Fietsen” →

Bij ons in het dorp (6)

dorpsstraat_nieuw

Elke Amsterdammer weet het: er zijn te weinig plekken om je fiets te stallen. Dat is het gevolg van een op zich goed beleid om het fietsen te stimuleren. Fietsen is schoon, is gezond, is snel. Helaas of gelukkig is dat beleid iets té goed gelukt en nu zitten we dus met een tekort aan stallingsmogelijkheden.

De situatie bij de stations is ronduit catastrofaal en wordt er niet beter op doordat de gemeente vrij radicaal alle fietsen weghaalt die niet in maar bij een rek staan. Je moet je fiets dus niet alleen in een rek plaatsen, maar het ook nog met een extra slot vastzetten om te beletten dat een mede-Amsterdammer jouw fiets eruit haalt en de zijne op jouw plek zet. Dan staat jouw fiets immers bij het rek en dan kun je je karretje gaan ophalen op een industrieterrein ter hoogte van Halfweg.

Lees verder “Bij ons in het dorp (6)” →

Fietsers voorrang

“Dames en heren, fietsen hebben voorrang.”

Alsof reizen met de trein nog niet erg genoeg is.

Op maandagavond strandde ik in Arnhem: iemand had zelfmoord gepleegd op het spoor bij Wolfheze en het alternatief dat de NS aanboden (omreizen via Nijmegen en Den Bosch, met de nachttrein van Utrecht naar Amsterdam) zou hebben betekend dat ik mijn bed niet voor drie uur zou zien. Dus nam ik een hotel in Arnhem, waar ik de avond afrondde met het mailen van mensen met wie ik dinsdagochtend afspraken had.

Lees verder “Fietsers voorrang” →

Fietstelweek

Betondorp: het is niet ieders smaak maar ik vind het mooi.
Betondorp: het is niet ieders smaak maar ik vind het mooi.

Ik had vandaag twee afspraken: een in Betondorp en een in Utrecht. Het was bovendien mooi weer en ik had geen haast, dus ik besloot op de fiets te gaan, wat voor Betondorp niet meer dan logisch is en voor Utrecht wat minder logisch. Het tochtje langs de Angstel en de Vecht is echter alleszins de moeite waard en ik heb een zwak voor de Amsterdamsestraatweg waarover je Utrecht binnenrijdt: een eindeloze straat die tegelijk iets grootstedelijks en iets intiems heeft. Ik had zin in mijn fietstochtje.

Het fietsen in Amsterdam was probleemloos. Ik weet welke kruising opgebroken ligt en welke brug momenteel wordt opgeknapt. Op de minuut nauwkeurig was ik op mijn afspraak in Betondorp. Daarna werd het lastiger.

Lees verder “Fietstelweek” →

Bij ons in het dorp (3)

Radeloze fietsster slaat de armen ten hemel.

Toen een Iraanse vriendin een paar jaar geleden in Amsterdam kwam wonen, keek ze haar ogen uit naar de dingen die ze van thuis niet kende. Het meeste vond ze leuk en over niets heeft ze ooit haar afschuw uitgesproken, op één ding na: de fietsers. Hun onvoorspelbare snelheid en hun lak aan de regels verbijsterden haar. Ze moest erg lachen om het stukje, onlangs op De Speld, dat Amsterdammers boos waren om de invoering van verkeersregels. Ze heeft soms wat moeite met De Speld, maar dit herkende ze in één keer.

Laten we er niet omheen draaien: Amsterdamse fietsers zijn inderdaad vreselijk. Ik geloof geen bal van de conclusie van een onlangs verschenen onderzoek, waarin staat dat we hier keurig rijden en dat het beeld van roekeloosheid is gebaseerd op maar 6% van de fietsers. Niet dat ik redenen heb om dat percentage te betwijfelen, maar ik vind het niet zo laag dat we de conclusie eraan mogen verbinden dat Amsterdammers heren in het verkeer zijn. Kom nou zeg.

Lees verder “Bij ons in het dorp (3)” →