Faits divers (20)

Een deel van de Elgin Marbles (British Museum, Londen)

Een nieuwe aflevering van de onregelmatig verschijnende reeks “faits divers”, met ook deze keer een veelvoud aan onderwerpen. We gaan meteen van start.

Barry Kemp

In de eerste plaats: Barry Kemp is overleden. Hij heeft bijna een halve eeuw – zevenenveertig jaar, om precies te zijn – gewerkt in Amarna, de hoofdstad van Egypte ten tijde van koning Echnaton. Zoals de meeste oudheidkundigen van de vorige generatie lag zijn belangstelling in het laatste kwart van de vorige eeuw vooral bij de gewone mensen. Over de grote mannen en vrouwen was al te veel geschreven. Dat weerhield hem overigens niet om de monumentale architectuur van Amarna te conserveren, wat toch wel bij uitstek elitebouwwerken waren. Ook was hij, zoals zo veel archeologen, van mening dat onderzoekers wat meer tijd moesten besteden aan de materiële cultuur en wat minder aan de historische vragen. Kemps betekenis oversteeg dan ook de egyptologie. Voor iedereen die zich verdiept in de Oudheid, of dat nu Egypte betreft of een andere deel, en of dat nu gaat om archeologie of niet, is zijn boek Ancient Egypt. Anatomy of a Civilisation verplichte literatuur. Kemp werd vierentachtig.

Lees verder “Faits divers (20)”

Euthydemos van Baktrië (of niet)

Euthydemos van Baktrië? (Collectie Torlonia, Rome)

Totdat Rome afzakte tot hoofdstad van de Italianen – bonuspunten voor wie het citaat herkent – was het de hoofdstad van een universele wereldkerk. Een klein aantal families oefende de macht uit: de Colonna’s, de Orsini’s, de Borgheses. Daar kwamen later nieuwe families bij. De Torlonia’s zijn bijvoorbeeld achttiende-eeuwse nieuwkomers. Tijdens de Franse bezetting van de Kerkelijke Staat hielden ze het Vaticaan financieel op de been. Daar werden ze zelf niet slechter van en ze kochten titels als “hertog van Bracciano”, “hertog van Poli”, “markies van Romavecchia en Turrita”. Paus Pius VII verleende, kort na zijn terugkeer naar Rome, de titel van prins.

Kunstverzameling

De prinselijke familie nam niet alleen titels over maar ook kunstcollecties, zoals die van de familie Giustiniani. Ze deed ook opgravingen, onder andere in Portus, de haven van Rome naast Ostia. Zo ontstond het Torlonia-museum. Alleen de pauselijke collectie antiquiteiten in de Vaticaanse Musea, de stedelijke verzameling op het Capitool en (nadat Rome was afgezakt tot hoofdstad van de Italianen) de collectie in het Museo Nazionale Romano zijn groter. In 1960 ging het Torlonia-museum echter op slot. Sindsdien kon het publiek de honderden stukken sculptuur niet langer bezichtigen.

Lees verder “Euthydemos van Baktrië (of niet)”

Winckelmann (2)

Winckelmann (door Anton von Maron)

Gisteren heb ik het leven van Winckelmann kort beschreven, vandaag wil ik het hebben over zijn oeuvre en zijn betekenis. Soms was de Duitse kunsthistoricus heel traditioneel, zoals in zijn Description des pierres gravées du feu Baron de Stosch uit 1760: een redelijk normale catalogus, die ook zijn voorgangers zouden hebben kunnen maken. Ook had hij, net als zijn tijdgenoten, nog een normaal brede onderwerpskeuze: weliswaar was hij enthousiaster over de Griekse kunst dan over de oud-Oosterse culturen, maar in de Geschichte der Kunst des Altertums behandelde hij toch ook de kunst van de Egyptenaren, Feniciërs, Perzen en Etrusken.

Het vernieuwende zit in de brug die Winckelmann sloeg tussen enerzijds de welbeschouwd zielloze beschrijvingen van voorwerpen en anderzijds de ideeën van de Verlichting. Hij stelde namelijk dat er een soort ideale kunst bestond en probeerde vervolgens te verklaren door welke maatschappelijke factoren deze was ontstaan. Zijn poging schoonheid te definiëren aan de hand van vaste criteria komt op ons wat bizar over, maar de toenmalige kunstkenners keken er niet van op. Ze keken evenmin op van Winckelmanns opmerkingen dat het lichaam van een man mooier was dan dat van een vrouw, dat het lichaam het beste zonder versiering kon worden afgebeeld (lees: naakt) en dat het beter was als emoties beperkt bleven. Emoties waren immers tijdelijk en de ware, eeuwige schoonheid bleef onverstoord door tijdelijke passies. Niets was Winckelmann een grotere gruwel dan de sculptuur van Gian Lorenzo Bernini, die hij in Rome dagelijks moet hebben gezien en die volgens hem alleen een ongeschoold publiek zou kunnen imponeren en dan ook nog kortstondig. (Ik moet altijd aan dit oordeel denken als ik het Groninger Museum zie. Saai.)

Lees verder “Winckelmann (2)”

Humor in Rome

“Het tweede beest rees op uit de aarde en had twee hoorns als een lam maar sprak als een draak. … Wie doorzicht heeft, kan het getal van het beest berekenen: het duidt een mens aan, en het getal is 666.” (Openbaring 13.11, 18; gravure Doré)

Ik ben al een tijdje niet in Rome geweest en eerlijk gezegd: zonder spijt. Ooit kwam ik er twee keer per jaar en schreef ik er een boek over, Stad in marmer, maar kort na de publicatie daarvan ben ik het plezier een beetje kwijt geraakt.

Natuurlijk, er zijn altijd minder leuke kanten geweest. Rome heeft soms iets gruwelijk provinciaals – ik heb lang geleden eens een hele zaterdagmiddag lopen zoeken naar een functionerend fotokopieerapparaat. Ergens rond de millenniumwisseling is er echter iets veranderd. In de jaren negentig waren er eveneens racistische Romeinen, die zich bijvoorbeeld uitleefden op Chinese restaurants, maar de weerzin tegen immigranten werd na pakweg 2000 openlijker en gemener. De musea, waarvan er sommige altijd al druk waren, werden nu helemaal onprettig druk. De stad verslonsde: je zag het vooral op plekken waar de plantsoenendienst minder vaak langs kwam. Waarom zou je een stad ook schoonmaken als de toeristen toch wel komen? De neergang zal samenhangen met het catastrofale economische beleid: waar alle landen van Europa opbloeiden na de invoering van de euro, wist het Italië van Berlusconi er nauwelijks van te profiteren.

Lees verder “Humor in Rome”

Op zoek naar schoonheid

Een van de leukste aspecten van de oudheidkunde is haar geschiedenis. Ik wil andere vakgebieden in dezen niet tekort doen, maar het aantal prettig gestoorde mafketels in de oudheidkundige vakgebieden is opvallend hoog.

In de achttiende eeuw meende men dat de oude Grieken hadden ontdekt wat echte schoonheid was. Helaas was niemand het erover eens wat deze nu precies inhield. De Duitse geleerde J.J. Winckelmann (1717-1768) legde daarom lijsten aan van wat mooi was en wat niet. Het lichaam van een man was mooier dan dat van een vrouw, oordeelde hij. Een mens kon maar het beste zonder versiering (lees: kleren) worden afgebeeld. Sommige criteria zijn bepaald opmerkelijk: de rechter teelbal diende groter te worden afgebeeld dan de linker, aangezien men met het rechteroog ook scherper ziet.

Lees verder “Op zoek naar schoonheid”