Islamitisch recht (1) ontstaan

Negende-eeuwse Koran (Museum van islamitische kunst, Teheran)

Een tijdje geleden – een jaar, zo ontdek ik nu – vertelde ik hoe het Kalifaat was ontstaan: de laatste grote gebeurtenis uit de Oudheid. Ik onderscheidde de groei van die politieke structuur van die van de dominante religie, de islam. Misschien is het zinvol ook daar eens op in te gaan, want het is een interessant onderwerp.

Bekering, maar waartoe?

Religieuze veranderingsprocessen verlopen niet heel anders dan de introductie van nieuwe commerciële producten of diensten. Op de early adopters volgt een early majority, er is een late majority en tot slot zijn er laggards. Dat was bij de islamisering niet anders en dat proces voltrok zich langzaam, want de Koran stelt dat in geloofszaken geen dwang bestaan.noot Koran 2.256 en 10.99. Toen het Umayyadische kalifaat van Damascus in 750 ten einde kwam, was in de gebieden buiten het Arabische schiereiland hooguit een tiende van de bevolking overgegaan tot de religie van de overheersers. Vier eeuwen later, ten tijde van de Kruistochten, was het Midden-Oosten nog voor de helft christelijk.

Lees verder “Islamitisch recht (1) ontstaan”

Arabië anno 650: sterke vrouwen

Een Arabische man en vrouw (Louvre, Parijs)

In de pre-islamitische Arabische poëzie van pakweg 550 na Chr. wordt er in de inleiding (nasīb) van de langere gedichten dikwijls even teruggedacht aan een vrouw. De dichternoot Nou ja, het lyrische ik natuurlijk, maar dat praat zo lastig. Ik spreek hier gemakshalve maar van ‘de dichter’. herinnert zich het heerlijke samenzijn met een of andere Layla, Salwa, Salma of Hind, een tijd geleden al, en brengt daardoor bij zichzelf en zijn hoorders een weemoedige en gevoelige stemming teweeg.

Die duurt echter maar een paar regels. Zijn makkers of reisgenoten zeggen dat hij zich moet vermannen: er zijn immers nog meer vrouwen. Bovendien zijn er nu andere dingen te doen: trekken, jagen, vechten, de eigen stam roem bezorgen en andere schade toebrengen, een stamhoofd of een koning prijzen. Daarover gaat dan de rest van het gedicht. Een vrouw kan er nog op twee manieren in voorkomen: ten eerste als voorwerp van begeerte, als de dichter opschept over zijn seksuele vermogens, ten tweede als zeurende huisvrouw, die de man kritiseert omdat hij zijn bezit vergooit aan drank of gokken, of de traditionele deugden van vrijgevigheid en gastvrijheid zó uitvoerig toepast dat er voor vrouw en kinderen te weinig overblijft.

Lees verder “Arabië anno 650: sterke vrouwen”

Kreupelhout in de Koran

Op vier plaatsen komt in de Koran het Arabische woord ’ayka voor. Dat is geen moeilijk woord: het betekent “bosje van kreupelhout”. Die “mensen van het kreupelbos” zijn wél eigenaardig.

  • Ook de mensen van het kreupelbos (الأَيْكَةِ) waren onrechtplegers, en Wij namen ook wraak op hen.noot Koran 15:78-9; vert. F. Leemhuis.
  • De mensen van het kreupelbos (لْئَيْكَةِ) betichtten de gezondenen van leugens.noot Koran 26:176.
  • En de Thamoed en het volk van Loet en de mensen van het kreupelbos (لْئَيْكَةِ,); dat waren de partijen.noot Koran 38:13.
  • En de mensen van het kreupelbos (الأَيْكَةِ) en het volk van Toebba‘, allen betichtten zij de gezanten van leugens, dus werd Mijn aanzegging bewaarheid.noot Koran 50:14.

Bij nadere beschouwing blijkt er echter twee maal al-’ayka te staan, waarbij al- het lidwoord is, en tweemaal een raar gespeld l’ayka, terwijl het toch op alle vier plaatsen op hetzelfde betrekking heeft.

Lees verder “Kreupelhout in de Koran”

Mohammed en de joden

Mogelijk joods grafschrift uit Hegra

De relatie tussen Mohammed en de joden is een te groot en te ingewikkeld onderwerp om hier zomaar even te behandelen. In dit blogje zal ik alleen uitleggen waarom het zo ingewikkeld is.

De drie belangrijkste oude Arabische teksten waarin joden voorkomen, sluiten niet op elkaar aan en komen niet met elkaar overeen. De snippers in de oude poëzie, de fantastische verhalen in de hadith en de behandeling van de joden in iets latere geschiedwerken helpen ook niet verder.

De Koran

De Koran vermeldt de joden bij name (yahūd) en voert hen daarnaast, samen met de christenen, ook op onder de benaming ‘de mensen van de Schrift’ (ahl al-kitāb). De joden worden nu eens tot de gelovigen gerekend, dan weer tot de ongelovigen. Hun zonden in het verleden worden in religieuze termen vervat, die grotendeels parallel lopen met die in het Nieuwe Testament: de joden hebben profeten gedood en wilden ook Jezus doden; zij hebben zich niet aan de regels van hun eigen Thora gehouden en de meesten beschouwen zich als het uitverkoren volk — ten onrechte.

Lees verder “Mohammed en de joden”

Wilde Mohammed zelfmoord plegen?

Djibrīl en Mohammed bij de berg Hira

In het grote geschiedwerk van Al-Tabarī (839-923) staat ook het verhaal van Mohammeds biograaf Ibn Ishāq (704-770) over hoe Mohammed de eerste Koranopenbaring ontving op de berg Hirā’. Het verhaal is de profeet zelf in de mond gelegd; wie anders immers zou als bron aannemelijk zijn? Het hele verhaal staat hier; voor het ogenblik licht ik er het fragment uit over Mohammeds gedachte aan zelfmoord. De profeet heeft net verteld hoe hij in een droom door Djibrīl (Gabriël) de eerste Koranverzen onderwezen heeft gekregen.

Twee versies

In Al-Tabarī’s versie van Ibn Ishāq vervolgt hij:

… Dat reciteerde ik; toen liet hij mij los en ging weg, en toen ik ontwaakte uit mijn slaap was het alsof het in mijn hart gegrift stond. Nu was er geen schepsel waar ik een groter hekel aan had dan dichters en bezetenen; ik kon ze niet zien of luchten. En ik dacht: “O wee, deze nietswaardige” — hij bedoelde zich zelf — “is een dichter of een bezetene. Maar dat zullen de Qurayshieten nooit van mij zeggen! Ik zal hoog de berg opklimmen en mij eraf storten; dan heb ik rust.” Dus ging ik met die bedoeling op weg en toen ik halverwege de berg was hoorde ik een stem uit de hemel die zei: “Mohammed! Jij bent de gezant Gods en ik ben Djibrīl.” … noot Al-Ṭabarī, [Taʾrīkh al-rusul wal-mulūk] Annales, uitg. M.J. de Goeje e.a., deel 1 (1879) 1150.

Lees verder “Wilde Mohammed zelfmoord plegen?”

Midden in de winternacht …

De ster van Betlehem (Gevelsteen, Prinsengracht 162, Amsterdam)

… ging de hemel open en God zond het kindje Jezus neder, overeenkomstig zijn geboortester, terwijl de engelen hymnen zongen. Zo staat het in Soera 97 van de koran — maar enkel en alleen zoals Luxenberg die leest. Een moeder komt hier niet ter sprake, een stal evenmin.

Kerstmis in de Koran

Chistoph Luxenberg is het pseudoniem van een Syrische christen, woonachtig in de buurt van het bijna gelijknamige groothertogdom. Hij verwierf een zekere roem met zijn Die syro-aramäische Lesart des Koran. Ein Beitrag zur Entschlüsselung der Koransprache (2000), waarin hij stelt dat de Koran geschreven is in een Syrisch-Arabische mengtaal en dat vele teksten pas begrijpelijk worden als je ze als Syrisch leest. Het beroemdst werd wel zijn opvatting dat de houri’s in het paradijs eigenlijk alleen maar witte druiven zijn. Alsof een mens daarvoor al die moeite zou doen! Zijn boek kreeg veel aandacht in de pers, werd vijfmaal herdrukt en in het Engels vertaald; en dat hoewel het alleen leesbaar is voor semitisten met kennis van het Syrisch en het Arabisch. Vlak na 9/11 kreeg de Luxenberg-these de wind in de rug, omdat veel mensen het een prima idee vonden dat ‘de islam’ eens een flink pak slaag kreeg.

Lees verder “Midden in de winternacht …”

Het Arabisch van de Koran

[Vandaag een gastbijdrage over het Arabisch van de Koran door mijn goede vriend Richard Kroes.]

De Leidse onderzoeker Marijn van Putten bewees dat de tekstoverlevering van de Koran schriftelijk moet zijn geweest. Alsof dit niet genoeg is, is hij bij mijn weten de eerste en enige die werkt aan een tekstkritische uitgave van de Koran. Maar dat is allemaal slechts bijvangst begrijp ik, nu ik zijn monografie Quranic Arabic, from its Hijazi Origins to its Classical Reading Traditions (2022, open access) gelezen heb. In deze monografie wordt de vraag “In welke taal is de Koran nu eigenlijk precies geschreven?” op een verpletterend complete manier onder de loep genomen. Ik denk dat ik niet overdrijf als ik zeg: we zijn eruit.

De bronnen

Dat kan omdat we een heleboel bronnen hebben. Voor de Koran hebben we er liefst drie:

  • de traditionele, canonieke reciteerwijzen van de tekst van de Koran, waarvan er twintig zijn,
  • citaten uit reciteerwijzen die niet canoniek zijn, maar die wel in de vroege islamitische periode door geleerden zijn opgetekend
  • vroege Koranmanuscripten waarin de tekst is vastgelegd in een defectief schrift.

Dat laatste wil zeggen dat niet alle klinkers werden opgeschreven (die moest je erbij bedenken) en dat niet alle medeklinkers die met hetzelfde teken werden geschreven, consequent uit elkaar gehouden werden. Die manuscripten functioneerden dus meer als een soort partituur voor wie de tekst al uit zijn hoofd kende dan als “leestekst”. Ze zijn dus ook niet altijd even bruikbaar voor wie wil weten wat de oudste teksten nu “precies” zeggen, maar daarom zijn ze nog niet onbruikbaar.

Lees verder “Het Arabisch van de Koran”

Mohammed. Van profeet tot legerleider

Vorige week zou Mohammed. Van profeet tot legerleider van wetenschapsjournalist Marcel Hulspas zullen zijn gepresenteerd, maar de auteur was ziek. Dit boek verdient echter wel aandacht, want het is echt aardig. Ik zal het echter niet bespreken, aangezien ik meelezer ben geweest.

Moet u dit boek lezen? Een historische belangstelling behoeft natuurlijk geen rechtvaardiging. En zeker Mohammed, de beroemdste Arabier aller tijden, verdient een behoorlijke biografie. Hulspas is dan ook beslist niet de eerste die er een schrijft. Sterker nog, in feite is dit Hulspas’ vierde boek over de periode tussen pakweg 550 en 650 na Chr. Eerst publiceerde hij een lijvige biografie, namelijk deze. Vervolgens was er een boekje over de wijze waarop Mohammed moderne moslims inspireert. Daarna was er Uit de diepten van de hel. In dat boek behandelde Hulspas de christelijke geloofsconflicten, de daaruit voortvloeiende verzwakking van het Byzantijnse Rijk en de opkomst van de islam. En nu dus een boek dat als werktitel De kleine Mohammed had maar zoveel nieuws bevat dat het moeilijk kon doorgaan voor een samenvatting van het voorafgaande. Een geheel nieuw boek dus, dat ik met plezier heb gelezen.

Lees verder “Mohammed. Van profeet tot legerleider”

De vier families van de Koran

Negende-eeuwse Koran (Museum van islamitische kunst, Teheran)

Ik heb al vaker geblogd over de Lachmannmethode: de methode waarmee de vervaardigers van een tekstuitgave door middel van schrijffouten of afwijkende spellingen een stamboom (“stemma”) opstellen om een tekst te reconstrueren die zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke tekst komt. Die gereconstrueerde tekst heet het archetype. Daarnaast heb ik al geblogd over de bestudering van heel oude Korans, waarvan sommige onwaarschijnlijk vroeg zijn gedateerd. Twee onderwerpen die me boeien dus. Daarom was ik blij afgelopen zondag in Leiden een lezing te kunnen bijwonen van taalkundige Marijn van Putten, die allebei de onderwerpen behandelde. Dat ik aanwezig kon zijn, stemt tot dankbaarheid, want door de corona-maatregelen konden er maar veertien toehoorders zijn.

Vier oer-Korans?

Van Putten legde het traditionele verhaal uit. In 632 overleed Mohammed, waarna kalief Abu Bakr de openbaringen liet opschrijven. Zestien jaar later, rond 650, liet kalief Othman een standaard-Koran maken: vier exemplaren voor de vroeg-islamitische steden Medina, Basra, Kufa en Damascus. Alle Korans gaan, volgens de traditie, terug op dit viertal.

Lees verder “De vier families van de Koran”

Jezus in Kashmir

Moslims gedenken Christus’ laatste dagen

Voor de profeet Mohammed was Jezus van Nazaret (“Isa, de zoon van Maryam”) een belangrijk persoon maar met diens wederopstanding uit de dood kon Mohammed weinig. De Koran gaat op de kwestie in naar aanleiding van een citaat:

“Wij hebben de messias, Isa de zoon van Maryam gedood” – maar zij hebben hem niet gedood, noch hem gekruisigd, maar de gelijkenis van Isa werd op een andere man gelegd. En degenen die daarin van mening verschillen zitten vol twijfel. Zij hebben daar geen kennis over, zij volgen niets anders dan gissingen en zij doodden hem niet. (Koran 4.157-158)

Westerse geleerden ontwaren hierin een gnostische (of beter: docetische) invloed op de jonge islam: de man die aan het kruis stierf, stierf slechts in schijn, had een schijnlichaam of was iemand waarvan de soldaten ten onrechte dachten dat het Jezus was. Er zijn ook islamitische gelovigen die denken dat het wel Jezus was die werd gekruisigd maar dat de marteling niet lang genoeg duurde om hem te laten sterven. Er is hier duidelijk een punt waar de weg van de islam een andere is dan die van de westerse wetenschap, die criteria heeft om authenticiteit vast te stellen en de kruisdood beschouwt als historisch feit. Dat hoeft ons hier niet bezig te houden. De vraag is: wat gebeurde er daarna?

Lees verder “Jezus in Kashmir”