Tweeënzeventig uur Spanje (1)

Monument voor Cervantes, Madrid

Een tijdje geleden blogde ik over Segovia en daarna over de laatantieke en Arabische geschiedenis van Iberië. Dat had een reden: ik had een uitnodiging gekregen om naar Spanje te komen voor het Hay Festival in Segovia, waarover u hier meer kunt lezen. Het was afgelopen weekend. Ter voorbereiding had ik ook Giles Tremletts boek Ghosts of Spain willen lezen, maar het was daar niet van gekomen. Dat zou me nog spijten.

Een snoepreisje werd het niet. Ik zou in Segovia worden geïnterviewd over soft persuasion, wat je zou kunnen uitleggen als “desinformatie bestrijden vóór die zich voordoet”. Je kunt het ook een proactieve benadering noemen of prebunking. Of normale uitleg, waardoor mensen niet meteen slechte informatie vinden maar goede. Als het economische argument de doorslag moet geven: desinformatie mag dan een verdienmodel zijn, je kunt óók geld verdienen met informatie. Dan moet je alleen zorgen dat degene die goede informatie verspreidt, kan tonen waarom zijn inzichten beter zijn. Open access is dus een voorwaarde. De echte mafkezen overtuig je weliswaar nooit, maar door vroegtijdig correct te informeren, kun je wel verhinderen dat andere mensen in hun richting wegglijden. Over deze materie zou Jan-Willem Bok van de IE Universiteitnoot De afkorting staat voor Instituto de Empresa, zeg maar business school, maar dat is met de oprichting van andere faculteiten eigenlijk misleidend. me interviewen.

Lees verder “Tweeënzeventig uur Spanje (1)”

Romeins Andalusië

Een Iberisch-Romeinse dame (Archeologisch Museum, Córdoba)

Toen de Romeinse troepen rond 208 v.Chr. aankwamen in het huidige Andalusië, betraden ze een wereld waarop niets hun had voorbereid. Er waren steden en heuvelforten, er waren metaalmijnen, er waren uitgestrekte akkers en boomgaarden, en langs de kust lagen havensteden, waar kooplieden aankwamen en vertrokken naar alle plaatsen langs de Middellandse Zee. Ergens achteraan, niet ver van de monding van de Guadalquivir, lag Cádiz, waar schepen aanlegden met goud uit de Bambouk en tin uit Armorica. De Romeinen zouden dit gebied, dat ze eerst Hispania Ulterior (“het verre Spanje”) en later Baetica noemden, nooit meer opgeven.

Baetica is vernoemd naar de rivier de Baetis, die wij Guadalquivir noemen. Dat is een arabisme: het betekent Grote Rivier. Maar ook Baetis was al een semitische naam. Net als Guad is Baetis afgeleid van een woord dat rivier betekent, denk maar aan wadi. Het eerdere semitisme illustreert de vroege aanwezigheid van Fenicische kolonisten en Karthaagse heersers. Ook een naam als Málaga, “zoutstad”, is Fenicisch, terwijl het eerste element in Córdoba het Fenicische woord qrt weergeeft, “stad”. De Feniciërs dreven al sinds de negende eeuw v.Chr. handel met een lokaal IJzertijd-koninkrijk, dat we gewoonlijk Tartessos noemen. Deze naam leeft voort in die van het volk dat woonde op de vruchtbare vlakte bezuiden de Guadalquivir, de Turdetaniërs.

Lees verder “Romeins Andalusië”

Illegale oudheden

Een deel van de Elgin Marbles (British Museum, Londen)

Bezit is doorgaans simpel. Je gaat naar de supermarkt, koopt een brood en een stuk kaas, betaalt aan de kassa en vervolgens zijn die etenswaren van jou. Als iemand vraagt om bewijs, is er een bonnetje waarop staat dat dhr A. Heijn (voor Vlaamse lezers: dhr J. Delhaize) iets heeft overgedragen en daar geld voor heeft ontvangen. Soms is het echter complexer, zoals wanneer de vraag opkomt wie het verleden bezit. Er was namelijk geen antieke heer A. Heijn (of J. Delhaize) die het aan jou heeft overgedragen. Wie zich bezighoudt met het verre verleden, eigent zich iets toe. Dat is ook niet erg, want er zijn geen betrokkenen in het heden die eventuele schade kunnen ervaren.

Het wordt lastiger als het gaat om de materiële resten. Die zijn wél aanwezig in het heden en kunnen worden bezeten. Dat wil nog weleens lastig zijn. Het bekendste voorbeeld is de prachtige sculptuur die bekendstaat als de Elgin Marbles of de Parthenon Marbles: Griekenland eist ze op omdat ze onderdeel zijn geweest van de Atheense Parthenon-tempel, terwijl het British Museum daar anders over denkt. Tot de argumenten om ze niet aan Griekenland te geven, behoren onder meer dat het British Museum als zodanig ook een artistieke eenheid is, waarin deze sculptuur net zo goed aanwezig behoort te zijn als in Athene, en dat het artistieke belang van dit werelderfgoed het nationale Griekse belang overstijgt. Daar kun je het mee eens zijn of niet, maar het zijn argumenten die een zekere rationaliteit hebben.

Lees verder “Illegale oudheden”