Nieuwjaar: de jaarstijl

Kalendermozaïek met een jaar dat begint op 1 maart (Archeologisch museum, Sousse). Wonderlijk genoeg is het gemaakt de tweede of derde eeuw ná Chr., dus toen het jaar officieel op 1 januari begon.

Wie nog gewend is om gedrukte kalenders of agenda’s te raadplegen, zal deze na de jaarwisseling inmiddels hebben vervangen met een exemplaar waarop het jaar 2025 prijkt. Weinigen zullen zich afvragen waarom dit altijd meteen na 1 januari plaatsvindt, maar eigenlijk is het niet zo vanzelfsprekend. In de Oud-Romeinse kalender, waar onze huidige kalender immers van is afgeleid, was januari niet de eerste maar de één-na-laatste maand.

Romeinse kalenders

In de kalender die tijdens de Romeinse Republiek werd gehanteerd, begon het jaar om en nabij de lentenachtevening (equinox) met de maand Martius (vernoemd naar Mars) met vervolgens Aprilis (mogelijk vernoemd naar Apru, de Etruskische naam van Aphrodite), Maius (vernoemd naar Maia), Junius (vernoemd naar Juno), Quintilis (vijfde maand, later Julius genoemd), Sextilis (zesde maand, later Augustus genoemd), September (zevende maand), October (achtste maand), November (negende maand), December (tiende maand), Ianuarius (vernoemd naar Janus) en tenslotte Februarius (vernoemd naar de Februa, waarna soms een korte schrikkelmaand (mensis intercalaris) werd ingevoegd om het jaar in de pas met de seizoenen te houden).

Lees verder “Nieuwjaar: de jaarstijl”

Oudheidkunde en oudheidkundes

Niet dat dit theatermasker uit het museum in Thessaloniki iets wezenlijks over oudheidkunde overdraagt, maar ach, het is wel zo aardig.

Het kwam vorige week even ter sprake: wat is eigenlijk het verschil tussen al die oudheidkundige disciplines? Misschien is het zinvol om wat begripsverheldering te bieden, temeer omdat ik nogal eens word geconfronteerd met mensen die niet begrijpen dat geschiedenis een vak is.

De classici

De oude wereld wordt vanouds bestudeerd door mensen die ik classici zal noemen. Die staan in een prachtige traditie, teruggaand op de Renaissance, toen de inzet was dat de mensen graag beter wilden schrijven en de Oudheid als voorbeeld namen. Er waren destijds ook geleerden die de Oudheid niet zozeer wilden volgen maar gewoon wilden kennen. In feite zijn deze attitudes nog altijd aanwezig: er zijn nog volop classici die vooral bewondering voelen voor wat inderdaad mooi is – het boek van Simon Goldhill dat ik ooit besprak is een voorbeeld – en er zijn mensen die hun vakgroep liever “Griekse en Latijnse taal en cultuur” noemen. Meestal worden ze samen aangeboden, al oogt dat toch een beetje alsof je het hebt over de faculteit “Franse en Duitse taal en cultuur”, maar zo vreemd is dat niet: een groot deel van de Romeinse literatuur is nu eenmaal in het Grieks. Veel opvallender is eigenlijk de afwezigheid van het Aramees voor wie de literatuur en cultuur van de Romeinen wil bestuderen.

De archeologen

De tweede grote groep wetenschappers die zich met de oude wereld bezighoudt, zijn de archeologen. Oorspronkelijk waren dat vooral kunsthistorici à la Winckelmann, die de bewonderende houding deelden met sommige classici. Ik kan ver met hen mee gaan. Als ik niet meer minimaal eens per week zou denken “dit is mooi”, zou ik ander werk moeten gaan zoeken.

Lees verder “Oudheidkunde en oudheidkundes”