De Karolingische Renaissance (2)

Karel de Grote, de initiator van de Karolingische Renaissance (Louvre, Parijs).

[Dit is het tweede blogje in een reeks over de Karolingische Renaissance. Het begin vindt u hier.]

De “Karolingische Renaissance”, zoals historici de culturele ambities van Karel de Grote noemen, had tot doel van de Europeanen een gens sacrata te maken, een “geheiligd volk”. Daar zat een somber mensbeeld achter, namelijk dat de mensen niet in staat waren op eigen kracht het goede te doen. Volgens de kerkvader Augustinus was het daarom een van de belangrijkste taken van de overheid de ingezetenen te behoeden voor de alomtegenwoordige zonde en hen te helpen op het moeizame pad der deugd. Een tweede reden om de heiliging van het Frankische volk ter hand te nemen was dat een aan God gewijd volk mocht hopen op Zijn steun. Steun die hard nodig was. De christelijke volken hadden immers veel terrein verloren aan de Arabieren met hun nieuwe geloof, de islam. Dat kon alleen betekenen dat God ontevreden was over zijn christenen.

Misstanden?

Gedurende zijn ruim vijfenveertigjarige regering deed Karel de Grote daarom verscheidene pogingen misstanden te corrigeren. De kopieeractiviteit waarover ik al schreef, was slechts één aspect. In het voorwoord van de Algemene vermaning (789) vergeleek hij zich met de bijbelse koning Josia, die een ethisch reveil onder zijn volk had bewerkstelligd. Vervolgens gaf Karel een overzicht van tweeëntachtig bepalingen die de kerkelijke concilies en synodes hadden uitgevaardigd. Allerlei praktijken werden hiermee buiten de wet gesteld, en daarbij moeten we niet alleen denken aan zaken als bloedwraak maar ook aan het verzinnen van namen voor aartsengelen.

Lees verder “De Karolingische Renaissance (2)”

De stichting van Rome

Nijlpaard op een munt die Philippus Arabs sloeg ter herdenking van het duizendjarig bestaan van Rome (Allard Pierson-museum, Amsterdam)

Het was in de IJzertijd niet ongebruikelijk dat mensen woonden op heuveltoppen en de vallei van de Tiber was geen uitzondering. Ook voor Rome is het gedocumenteerd: we weten dat er boeren woonden op de toppen van de Palatijn, Velia, Capitool en Quirinaal. Dat de Romeinen later dachten dat hun stad was gesticht door herders, is nog maar een eerste vergissing. Dat de stad was gesticht op 21 april is een volgend misverstand, ingegeven door het feit dat de Romeinen zich niets primitievers konden voorstellen dan herders en de herders in Latium op die dag een oud lentefeest vierden.

Wat in feite gebeurde is dat in de late negende eeuw v.Chr. de heuveltopdorpjes begonnen samen te werken. Een echo klinkt door in een opmerking van de Romeinse taalkundige Festus, die het woord Septimontium, “zevenheuvelenfeest”, moet verklaren en zegt dat

op zeven plaatsen offers werden gebracht: op de Palatijn, op de Velia, op de Fagutal, in de Subura, op de Germalus, op de Caelius, op de Oppius en op de Cispius.

Lees verder “De stichting van Rome”

De stichting van Rome

Herders vinden Romulus en Remus; de riviergod Tiber en de adelaar van Jupiter houden een oogje in het zeil (Palazzo Massimo, Rome)

Het is binnenkort 21 april, de dag waarop de oude Romeinen de stichting van hun stad herdachten. Daarover wil ik vandaag alvast wat misverstanden opruimen. Noem het voorwaartse verdediging tegen de gemakzuchtige stukjes die eraan zitten te komen.

Om te beginnen: dat de mensen in de Oudheid de stichting van een stad op een bepaalde datum herdachten, wil vanzelfsprekend niet zeggen dat ze meenden dat die stad op die datum was gesticht. Van (ik meen) Trier is bijvoorbeeld bekend dat het de viering van zijn stichting verplaatste van een datum in de winter naar een datum in de zomer om zo een wit voetje te halen bij een keizer die op die zomerse datum de troon was bestegen. Je kunt de datum van de herdenking van een stadstichting niet gelijkstellen aan de datum van de stadstichting.

Lees verder “De stichting van Rome”