Twee weken geleden, op 17 december, nodigde ik u uit om de inmiddels traditionele vragen rond de jaarwisseling te stellen. Ik ontving er vrij veel en zal nu mijn best doen ze te beantwoorden. Er waren betrekkelijk weinig vragen over het “klassieke” deel van de oude wereld, maar daarmee begin ik vandaag wel.
Wat vind je van de trailer van de verfilming van de Odyssee?
Historici hebben geen mening over kunst. Ik heb het n.a.v. de film Redbad al eens uitgelegd. We vragen filmmakers toch ook niet of ze een mening hebben over historische processen?
Krater uit Apulië (Museum für Kunst und Gewerbe, Hamburg)
Apulië, de “hak” van Italië, is een deel van de oude wereld dat ik niet goed ken. Ik ben er twee keer met de trein doorheen gekomen en een keer met de fiets, en dat is alles. Mijn gebrek aan kennis vreet een beetje, want in allerlei musea heb de wonderlijkste Apulische vazen gezien, zoals de krater (mengvat) hierboven, in het Museum für Kunst und Gewerbe in Hamburg. Zoals wel meer vazen uit Apulië, oogt ’ie wat rommelig.
De Kopenhagen-schilder, zoals kunsthistorici de rond 335 v.Chr. actieve kunstenaar noemen, heeft een aantal motieven los bij elkaar geplaatst. De oren zijn gevuld met twee portretten. Op de nek en hals staan diverse horizontale banden, vervolgens is er een los hoofd in een veld vol vegetatie. Na een band over de buik is er dan een afbeelding van een tempeltje, waarin een naakte krijger is te zien. Aan weerszijden van het tempeltjes staan wat vrouwenfiguren met voorwerpen in de hand, en tot slot is er een effen zwarte voet. Afgezien van de verticale symmetrieas zit er weinig systeem in. Zoals ik al zei: het oogt al met al nogal rommelig.
Kopie van een model voor leverschouw (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)
Eerlijk is eerlijk: het bovenstaande voorwerp is niet echt. Het is een replica, aanwezig in de collectie van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Voor het origineel moet u naar Piacenza in Noord-Italië, naar de Palazzo Farnese, waar de plaatselijke archeologische collectie is te zien. Het bronzen voorwerp stelt een schaapslever voor en is vermoedelijk eind tweede eeuw v.Chr. vervaardigd.
Het voorwerpje is iets kleiner dan een handpalm. Het was, om zo te zeggen het handboek van de ingewandenschouwer, de haruspex. Zo iemand kon de toekomst voorspellen – of beter, meende de toekomst te kunnen voorspellen – aan de hand van de uitstulpingen van de lever uit een offerdier.
Italische soldaat, vierde eeuw v.Chr. (Museum für Kunst und Gewerbe, Hamburg)
Ik geloof dat ik al eens heb verteld dat een van de plannen die ik voor de wat langere termijn heb voor deze blog, een geschiedenis is van Rome in de vierde eeuw v.Chr. Die bestaat in hoofdlijnen uit de boeken zes tot en met tien (“de tweede pentade”, in jargon) van de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius, in combinatie met andere bronnen, zoals Diodoros, en het archeologisch materiaal. In deze periode wist Rome, dat in 387 v.Chr. nog een nederlaag had geleden tegen een schare Gallische krijgers, centraal Italië aan zich te onderwerpen en de rest met verdragen aan zich te binden. In 295 v.Chr. was, met de slag bij Sentinum, een grootmacht ontstaan die het kon opnemen tegen de hellenistische staten in het oosten.
De materie behoort niet tot de “grote” oudheidkundige thema’s, zoals de Atheense democratie, de antieke economie of het keizerschap van Augustus. De Romeinse geschiedenis begint eigenlijk pas met de Tweede Punische Oorlog, terwijl archeologen meer belangstelling hebben voor archaïsch Italië – denk aan de Nederlandse opgravingen in Satricum en Crustumerium. Wat natuurlijk niet betekent dat er nóóit iets wordt opgegraven uit de vierde eeuw, maar ik heb niet de indruk dat er veel gebeurt.
Niet ver van het theater, amfitheater en het grote altaar van Syracuse, recht tegenover de wonderlijk mooie kerk van Onze Lieve Vrouwe van Tranen, bevindt zich het archeologisch museum. Naar goed Italiaans gebruik is het vernoemd naar een verdienstelijke archeoloog, in dit geval Paolo Orsi. De museale collectie is vermoeiend groot, en waanzinnig interessant.
Neem bovenstaande inscriptie uit Mendolito, een dorpje ten zuidwesten van de Etna. De vondstomstandigheden zijn duidelijk: dit zandstenen blok is in 1962 bij een officiële opgraving aangetroffen en maakte deel uit van een versterking uit het midden van de zesde eeuw v.Chr. Er staan zo’n vijftig letters op, die we van rechts naar links moeten lezen. Het interessante is dat we, ruim zestig jaar na de ontdekking, maar nauwelijks een idee hebben wat er staat.
Ik heb me zelden in mijn leven zó in mijn oudheidkundige waanwijsheid betrapt gevoeld als op een grijze decemberdag, nu een jaar of twintig geleden, in Rome. Ik was met twee studenten op het Forum Romanum en we wandelden naar de Palatijn, de heuvel waar ooit de keizerlijke paleizen stonden en waar Romulus de stad zou hebben gesticht. Uiteraard moest ik alles uitleggen en stond ik al in de doceerstand toen een van de studenten (de Lauren van Zoonen die hier ook weleens leuke blogs schrijft) zei dat dit toch wel een magische plek was.
Bam. Dat was ik even vergeten. Maar Rome is natuurlijk niet slechts een plaats waar allerlei oudheidkundig interessants is te zien. Het is ook een plek die je moet ervaren. Er is niets mis met Ruinenlust. Zeker op de Palatijn, waar de overblijfselen van de oude gebouwen zijn opgenomen in een prachtig park, dat zelfs op een grijze decemberdag magisch is.
[Dit is het vijfde van acht blogjes over het Colosseum in Rome. Het eerste was hier.]
Ik vertelde in het derde blogje dat een dag in het Colosseum begon met jachtpartijen, vervolgde met executies en eindigde met gladiatoren. In de twee vorige blogjes beschreef ik de jacht en de executies. Nu is het tijd voor de gladiatoren.
Ooit, toen het geloof nog bestond dat de geesten van de doden gunstig werden gestemd met mensenbloed, offerden de ouden bij uitvaarten gevangenen of slaven van geringe kwaliteit, die voor dat doel werden aangeschaft.noot Tertullianus, De schouwspelen 12.2.
Deze theorie van de christelijke auteur Tertullianus wordt bevestigd door Nikolaos van Damascus. De hieronder geciteerde woorden veronderstellen dat de ziel van de gestorvene gezelschap krijgt van de gedode gladiator. Dat is althans de enige manier om te verklaren waarom iemand bij testament bepaalt dat zijn geliefden op leven en dood moeten strijden:
Een goed museum brengt bezoekers van buiten de regio tot begrip van die regio. En omgekeerd kan een goed museum bezoekers uit de eigen regio kennis laten maken met iets buiten die regio. Museum Wierdenland in het Groningse dorpje Ezinge is zo’n goed museum. De niet-Groninger krijgt er informatie over het leven op de wierden, terwijl de Groninger er momenteel kennis kan maken met iets waar ’ie anders 1600 kilometer voor op reis moet: de Etrusken.
De expositie “Etrusken – Pracht en Macht” begint wat verontschuldigend met de constatering dat op het moment dat de eerste bewoners zich vestigden op de wierde van Ezinge, dus zo’n 2500 jaar geleden, ook de Etruskische cultuur bloeide. Even verderop lezen we over de overeenkomst tussen de wierden en de Etruskische tumuli (allebei heuvels) en over het feit dat waterbeheer zowel in het Nederlands kustlandschap als in Etrurië belangrijk was. Zulke beweringen zijn overbodig. Aandacht voor de Oudheid behoeft geen rechtvaardiging. Het tijdvak is uit zichzelf voldoende interessant. En interessant zijn de Etrusken: een stedelijke cultuur die even oud is als de Griekse en die een handelsnetwerk had dat zich, via de Hallstatt– en de La Tène-mensen, uitstrekte tot in het hoge noorden.
Wapenrusting uit de tijd van de Samnitische Oorlogen (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)
De Italiaanse havenstad Paestum is gesticht als een Griekse nederzetting aan de Tyrrheense Zee, bij het land van de Lucaniërs. Rond 410 v.Chr. namen die de macht in de stad over. Dat was geen ongebruikelijke gang van zaken. Op dat moment namen wel meer volken uit het Italische binnenland de steden aan de kust over. Het is ook niet zo dramatisch als het lijkt: er waren al heel lang intensieve culturele uitwisselingen. Op een zeker moment volgde echter een nieuwe machtsovername: Paestum kwam in Romeinse handen. Dat dateren we meestal rond de tijd van de oorlog tegen Pyrrhos, dus zeg maar rond 275 v.Chr. Maar wanneer was het eerste contact?
Dat is ingewikkeld. In de jaren dertig van de vierde eeuw v.Chr. groeiden in Centraal-Italië twee regionale grootmachten. De ene was Rome, dat de Latijnse steden had onderworpen. De ander was Samnium in de Abruzzen, dat geconfronteerd was geweest met een invasie van een Grieks leger, gecommandeerd door Alexandros van Molossis. Deze oorlog had de bewoners van Samnium, de Samnieten, gedwongen tot samenwerking. De relatie tussen de twee staten-in-opbouw was niet slecht; er waren afspraken over de grens en hoewel er aanwijzingen zijn voor een “Eerste Samnitische Oorlog”, is de consensus lange tijd geweest dat die niet heeft plaatsgevonden. Inmiddels zijn er theorieën dat er misschien toch iets is gebeurd, maar ook dan was het een kleinschalig conflict.
Een nieuwe aflevering van de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer rare munten, een interessante expositie, een interview, iets achter een betaalmuur en reclame.
Incusum
Op de expositie over Paestum in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden is, vrij aan het begin, een vitrine waarin wat munten uit de vroegste bewoningsfase zijn te zien. Zeg maar uit de kolonisatieperiode, al geldt die benaming inmiddels als wat ongelukkig. In Leiden zie je de voorkant, de obverse. Zie boven. In de Staatliche Münzsammlung in München zag ik een paar weken geleden de achterkant, de reverse – zie de foto hieronder.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.