Interview Piet van der Horst

pieter[Het volgende interview met Piet van der Horst dateert van kort nadat hem in 2007 was verboden te spreken over de islamisering van het antisemitisme. Omdat het tijdschrift Momentum, waarin het oorspronkelijk verscheen, niet meer bestaat, en omdat de materie onverminderd actueel is, plaats ik het nu online.]

Sommigen zouden een naam als ‘Parnassos’ of ‘Helikon’ hebben gegeven aan het parkachtige oord in de Wassenaarse duinen waar geleerden zich een jaar kunnen terugtrekken om in alle rust te studeren, maar het heet ‘Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences’ (NIAS). Een van de gasten is Piet van der Horst, voormalig hoogleraar Nieuwe Testament, oud-christelijke literatuur, en de Joodse en Hellenistische wereld van het Vroege Christendom in Utrecht.

Van der Horst is een echt babyboomkindje: hij is geboren in 1946 in Driebergen, bezocht het gymnasium in Doorn, en terwijl zijn generatiegenoten de democratisering van de universiteiten bevochten, studeerde hij aan de Utrechtse rijksuniversiteit klassieke talen. Al snel kwam daar een studie Semitische talen bij. In 1969 kreeg hij een assistentschap aan de theologische faculteit aangeboden, en in 1978 verdedigde hij daar zijn proefschrift over de Joodse auteur die bekendstaat als Pseudo-Fokylides. De democratiseringsgolf liet hem in zoverre niet onberoerd dat hij gedurende zijn carrière Engelstalige wetenschappelijke publicaties afwisselde met boeken voor het grotere publiek in Nederland en Vlaanderen. In de zomer van 2006 beëindigde hij zijn dienstverband en sindsdien werkt hij in het NIAS aan een commentaar op een vijftiental antieke, in het Grieks gestelde Joodse gebeden.

Hij ontvangt me in een sobere kamer, en nadat hij koffie heeft geserveerd beginnen we aan een gesprek dat ongeveer twee uur zal duren. Vrijwel alle aspecten van zijn vakgebied passeren de revue, behalve, uitgerekend, die vijftien gebeden.

U was tot voor kort hoogleraar ‘Nieuwe Testament, oud-christelijke literatuur, en de Joodse en Hellenistische wereld van het Vroege Christendom’. Is dat geen pleonasme?

Die omschrijving van mijn vakgebied kwam tot stand door een samenloop van omstandigheden, maar het resultaat representeert wel degelijk een wetenschappelijke visie. Lange tijd werkten er drie hoogleraren voor mijn vakgroep: de eerste was gespecialiseerd in het Nieuwe Testament, de tweede in het Jodendom en de derde in het hellenisme, ofwel de Grieks-Romeinse wereld van die tijd. Toen die alle drie overleden en er tegelijk een bezuinigingsronde plaatsvond, kon er maar één hoogleraar voor al die terreinen worden aangesteld.

Maar je moet, zoals mijn leermeester Van Unnik altijd zei, het Nieuwe Testament niet geïsoleerd bestuderen. Het is geen uniek tekst. Je hebt je ook bezig te houden met de wortels van de Joodse mystiek, de Woestijnvaders, het antieke antisemitisme en de theologie van de stoicijnen, terwijl je je ook moet wagen aan filologische kwesties. In feite de totale cultuurgeschiedenis van het millennium tussen Alexander de Grote en Mohammed. Eigenlijk is dat hybris.

Ik ben er min of meer ingerold met mijn assistentschap. Van Unnik vroeg me of ik wilde meewerken aan de reeks Studia ad corpus hellenisticum Novi Testamenti, waarin hellenistische teksten werden onderzocht op hun relevantie voor de studie van het Nieuwe Testament. Ik zou me bezighouden met Aelius Aristides – die was vreselijk en ik heb er tot 1980 over gedaan. Veel aardiger bleek Hippokrates van Kos, de beroemde arts. In het op zijn naam staande traktaat Over sperma ontvouwt hij de theorie dat er zowel mannelijk als vrouwelijk zaad noodzakelijk is om een kind te verwekken, een gynaecologische opvatting die we bijvoorbeeld ook aantreffen in de Brief aan de Hebreeën, waarin staat dat Sara een zaaduitstorting kon hebben (Hebr. 11.11). De theorie is eveneens te vinden in de Talmoed. De grenzen tussen de Christelijke, Joodse en de algemene Grieks-Romeinse wereld vallen in feite niet te trekken.

Zo begon uw loopbaan. Vertel eens iets meer over uw eerste boek.

Ik had aan het begin van de jaren zeventig al een paar artikelen gepubliceerd. Het eerste boek ging over Alexandros van Lykopolis, een niet-christelijke auteur die het Manicheïsme bestreed. Dat was een levensbeschouwelijke stroming die een radicale tegenstelling predikte tussen goed en kwaad, licht en donker, geest en materie. Keizer Diocletianus verbood deze religie in 302 en vervolgde de aanhangers, en in ongeveer die tijd publiceerde Alexandros zijn geschrift. Hij had makkelijk aansluiting kunnen vinden bij de filosofie van die tijd, het Neoplatonisme, dat heel sterk de eenheid van de kosmos benadrukte: er is één, goede God, en de wereld is uit Hem ontstaan. Ook het Christendom heeft de ideeën van het Neoplatonisme geassimileerd. Het interessante is nu dat Alexandros ook teruggrijpt op een ouder filosofisch stelsel, het Middenplatonisme.

En daarop volgde uw proefschrift over Pseudo-Fokylides.

In 1978. De echte Fokylides kwam uit Milete, moet in de zesde eeuw v.Chr. hebben geleefd en schreef een reeks aforismen. Ergens tussen 100 voor en 100 na Christus heeft een anonieme Joodse auteur, die gemakshalve Pseudo-Fokylides wordt genoemd, een leerdicht gepubliceerd op naam van de Milesiër, die destijds bekendstond als een van de grootste wijzen. Daarin combineerde hij Griekse ethische voorschriften met ideeën uit de Joodse Bijbel. Een paar jaar later heb ik een Nederlandse vertaling uitgebracht bij Uitgeverij Kok in Kampen.

Het eerste van een lange reeks vertalingen.

Ja, ik heb altijd geprobeerd mijn wetenschappelijke publicaties af te wisselen met boeken voor het bredere publiek. In mijn Joods-Hellenistische poëzie (1987) zat bijvoorbeeld een vertaling van Ezechiël, een Alexandrijnse auteur die een tragedie heeft geschreven over het Uittochtverhaal. De twee delen van Bronnen voor de studie van de wereld van het vroege christendom (1997) zijn ontstaan omdat we er bij het geven van college behoefte aan hadden, en Uitgeverij Kok er wel iets in zag.

De lange Talmoedpassages daarin vond ik erg ingewikkeld.

Ik ook. De bestudering van de rabbijnse wijsheid van de Mishna en Talmoed is een hele aparte wetenschap. Maar gelukkig is het makkelijk hulp vragen bij specialisten. E-mail is een uitkomst en ik moet de eerste specialist nog ontmoeten die je niet wil helpen. Uiteindelijk bouw je een heel netwerk van mensen op. Sommige zijn vrienden geworden.

En de laatste tijd vooral de Woestijnvaders.

Woestijn, begeerte en geloof is de vertaling van een geschrift uit ongeveer 400 over het leven van de eerste monniken in Egypte, en in De Woestijnvaders (1998) komt hetzelfde onderwerp aan bod. Het bevat onder andere Athanasios’ biografie van Antonius, een van de eerste heremieten en in feite een van de grondleggers van het monastieke ideaal.

Dat was ook mijn eerste kennismaking met het verschijnsel internetkritiek: iemand heeft het idee dat je een fout hebt gemaakt en schrijft een online recensie, en je kunt reageren als het onzin is, maar in feite haalt dat weinig uit. In dit geval meende iemand dat Antonius geïnspireerd was door Indische wijsgeren. Je staat dan voor de keuze iemand uitleg te gaan geven waarom dat onzin is – er is gewoon geen bewijs – en dat kost je uren tijd, of het te negeren, zodat het door blijft werken. Juist toen ik had besloten niet langer te reageren, heeft de Nijmeegse classicus Vincent Hunink het voor me opgenomen door mijn criticus stevig van repliek te dienen.

De Woestijnvaders is overigens niet mijn laatste werk. Paula in Palestina verscheen in 2006 en is de biografie van een van de rijke dames die Hieronymus ondersteunden, de man die omstreeks 400 de Bijbel in het Latijn vertaalde. En ik publiceer in het Nederlands niet alleen vertalingen. Zo heb ik veel plezier beleefd aan het schrijven van een boek over de Samaritanen.

Een recent werk is uw commentaar op Tegen Flaccus van Filon van Alexandrië, een van de beroemdste teksten over het Alexandrijnse Jodendom en antieke Jodenvervolgingen. Valt daar nog eer aan te behalen?

De tekst zelf is natuurlijk geweldig interessant. In de zomer van 38 vond in Alexandrië een pogrom plaats, en de Alexandrijnse, Joodse geleerde Filon publiceerde daarover twee geschriften. In het Gezantschap naar Caligula verhaalt hij hoe hij naar Rome reisde om keizerlijke hulp in te roepen, hoe zijn tegenstander Apion daar ook bleek te zijn, en hoe hij zijn verhaal moest zien te doen aan Caligula, die echter vooral bezig was met de inrichting van zijn nieuwe paleis en tussen de bedrijven door instructies gaf over de inrichting. In Tegen Flaccus beschreef Filon de gebeurtenissen in zijn vaderstad en het lot van de Romeinse gouverneur, de Flaccus uit de titel.

Een veel-bestudeerd geschrift, maar er valt nog altijd eer te behalen. Tegen Flaccus valt uiteen in twee delen. De weergave van de gebeurtenissen tijdens de pogrom is voor een historicus goed bruikbaar, maar de tweede helft, over het naargeestige levenseinde van Flaccus, is pure fictie en besluit dan ook met de woorden dat dit ‘het onweerlegbare bewijs is dat God het volk van de Joden nooit in de steek laat’. Voor ik mijn commentaar publiceerde was bij mijn weten nog nooit zo duidelijk aangegeven hoe bewust Filon de rol van historicus afwisselde met die van pastoraal bewogen leider van een Joodse gemeenschap – het is echt geen toeval dat beide helften zowat evenveel zinnen tellen. Het eerste exemplaar van het commentaar heb ik overigens aangeboden aan Gé de Vries, die beide geschriften zo fraai in het Nederlands heeft vertaald.

Antisemitisme verandert nauwelijks. Is het daarom dat u er in uw slotcollege aandacht aan besteedde?

Ja, wat dacht je dan? Het probleem wordt almaar groter en dat baart me grote zorgen. De beschuldigingen die destijds door de Alexandrijn Apion zijn opgeschreven, worden nog altijd herhaald. In een van zijn geschriften vertelt hij dat de Joden de gewoonte hadden elk jaar een vreemdeling vet te mesten en op te eten. Dat is de kern van de mythe van het Joodse kannibalisme. In de Middeleeuwen dachten Christelijke polemisten te weten dat Joden Christelijke kinderen slachtten. De Nazi’s gebruikten het motief eveneens.

Ik heb er in mijn rede op gewezen dat we momenteel het antisemitisme in toenemende mate zien islamiseren, een proces dat al is begonnen in de jaren dertig, toen de grootmoefti van Jeruzalem, Haj Amin al-Hoesseini, zich door Hitler liet inspireren. Hans Jansen, de theoloog die ook Christelijke theologie na Auschwitz publiceerde, heeft het voortleven van de anti-Joodse mythen in de hedendaagse Arabische wereld ruimer kunnen documenteren dan je in je ergste nachtmerries kunt voorstellen.

Kwam de rel onverwacht?

Ja en nee. Ik had zien aankomen dat er mensen aanstoot aan zouden nemen, maar ik was totaal niet voorbereid op de heftigheid van de reactie, en mijn persoonlijke leven is daardoor een tijd lang een hel geweest. Het begon met een gesprek met de rector magnificus, waarbij ik me moest verantwoorden over een eerste versie van de toespraak. Er waren twee bezwaren: het gebrek aan wetenschappelijk niveau van mijn rede en mijn persoonlijke veiligheid.

Wat betreft het eerste: ik meen dat het bewijsmateriaal dat Jansen en anderen aandragen voldoende is en heb op dat punt dan ook de bijval gekregen van een andere Hans Jansen, de Utrechtse arabist. Het veiligheidsargument kon ik niet op korte termijn beoordelen en daarom heb ik een aangepaste rede uitgesproken, maar er is ook na de publicatie van de ongekuiste versie niet één boze reactie geweest van een beledigde Moslim. Jansen, de arabist, was daar niet verbaasd over. Zo lang je niets lelijks zegt over Allah, Mohammed of de Koran, kan er heel veel, zegt hij, en Jodenhaat is zo gebruikelijk dat maar weinig Moslims in het Nabije Oosten het beledigend vinden als je het bestaan daarvan constateert.

De wijdere discussie is natuurlijk die over de academische vrijheid. Mag een universiteit een medewerker dwingeneen publicatie aan te passen? Ik heb de rede in zijn ongekuiste vorm laatst nog eens gehouden, hier op het NIAS, en hoewel de discussie stevig was, bleef het inhoudelijk en was iedereen van mening dat wat ik had gezegd viel binnen de grenzen van de academische vrijheid.

Wat zijn de conclusies?

Wat niet in de kranten staat, is dat de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen de gelegenheid heeft aangegrepen een debat te initiëren over de academische vrijheid. Zijn er grenzen en, zo ja, waar liggen die? Zijn er criteria om die grenzen te bepalen? Moeten er richtlijnen komen? Het bestuur van de KNAW gaat een commissie instellen die zich over deze vragen zal buigen. Ik denk dat dit een heel belangrijk gevolg is, zoals ik ook denk dat als deze gebeurtenis de Jodenhaat in het Midden-Oosten bespreekbaar heeft helpen maken, het allemaal ergens goed voor geweest.

En tot slot, ik denk dat wel bewezen is dat ideeën van tweeduizend jaar geleden een beangstigend lang leven kunnen hebben.

5 gedachtes over “Interview Piet van der Horst

  1. Wat me altijd zal blijven verbazen is waarom nou toch de joden speciaal zijn uitverkoren als algemeen mikpunt. Tuurlijk als je zoekt zal je vinden en zijn er altijd wel ‘redenen’ te vinden die daartoe geleid hebben. Maar als je zoekt zul je je ook ‘redenen’ vinden om welke groep dan ook speciaal te haten.

    Is het nou echt zo simpel als het jezus vermoorden sprookje dat ten grondslag ligt aan al deze afkeer? Bestond anti-judaisme voor het onstaan van het christendom?

    1. De polemiek tussen de diverse volken was, in de Oudheid, ongekend fel en heftig. Wat Romeinen over Germanen schreven, liegt er niet om (“het enige wat er menselijk aan is, is dat ze armen en benen hebben”). De meeste van die polemiek is achterhaald omdat die volken niet meer bestaan. De Joden bestaan nog steeds en er zijn christenen die de polemiek een andere draai hebben gegeven. Dus ik denk dat christelijke attitudes een op zich normaal antiek sentiment een draai hebben gegeven. De biologische ontwikkelingen in de negentiende eeuw en de stichting van de staat Israël hebben het lelijke beest zijn huidige gezicht gegeven.

  2. MNb

    Ik denk dat de kernvraag van Petrossa al beantwoord is door JL: sinds de Oudheid, toen iedereen elkaar ontmenselijkte. In dat licht zijn de gruwelijkheden uit het Oude Testament (Amalekieten, Jericho en nog zo’n paar) veel gemakkelijker te begrijpen.
    Daarom lijkt mij de kernvraag hoe deze sentimenten tegen te gaan. Want joden zijn beslist niet het enige mikpunt. In bepaalde kringen kun je soortgelijke rotzooi vernemen over homo’s, atheïsten, Oost-Europeanen en – oh misselijke ironie – moslims.
    De conclusie dringt zich dan ook op dat de mensheid sinds de Oudheid in ethisch opzicht minder vooruitgang heeft geboekt in termen van wederzijdse tolerantie dan we ons in het westen wel eens verbeelden.
    In Suriname, waar ik woon, bestaat hier een eigenaardige variant van. De vooroordelen die leden van de verschillende (en het zijn er veel) bevolkingsgroepen hier over elkaar koesteren én luidop uitspreken zijn voor iemand als ik tenenkrommend. Ik heb ze eens voor een vriend van het Amerikaanse Youth Corps samengevat. Toch lijdt dit maar hoogst zelden tot groepsgeweld. Abina een paar jaar geleden (Aucaners tegen Brazilianen) was (voorlopig? het lijkt erop) een uitzondering die de hele samenleving schokte. Het is iets dat ik na 16 jaar nog steeds niet echt begrijp. Idem voor de constatering dat religie in het MO een katalysator lijkt te zijn, maar in Suriname een temperende werking lijkt te hebben.
    Tussen 1989 en 1993 heb ik in Par’bo gewoond, vlak na de militaire dictatuur dus. Toen heb ik er iets van meegekregen wat het betekent om mikpunt te zijn. Het is niet leuk, ook niet met de luxe van een Nederlands paspoort op zak.

Reacties zijn gesloten.