Romeinse normen en waarden

plinius_milano
Wat resteert van Plinius’ inscriptie (Milaan)

Ik zal nooit in het openbaar geld inzamelen voor een goed doel en ik zal ook nooit hardlopen tegen kanker of op Radio 538 een liedje kopen om zielige moeders te redden. Zo ik al goed doe, doe ik dat in het geheim, want zo ben ik opgevoed. Wantrouw iedereen die zich op zijn Goede Werken laat voorstaan.

Dat schrijft de door mij gewaardeerde columnist Theodor Holman vanavond in Het Parool. Ik kon een glimlach niet onderdrukken. Niet alleen omdat ik de weerzin tegen “hardlopen tegen kanker” en “een liedje kopen om zielige moeders te redden” herken, maar ook omdat de auteur, die christenen pleegt te vergelijken met honden, hier een door-en-door christelijk standpunt inneemt. De beroemdste verwoording is te vinden in het Evangelie van Matteüs:

Beoefent uw gerechtigheid niet voor het oog van de mensen om de aandacht te trekken … als je een aalmoes geeft, laat je linkerhand dan niet weten wat de rechter doet (Mt 6.1, 3).

Nu een humanist een christelijk standpunt inneemt, is dat een ongezochte gelegenheid om het christendom eens op zijn merites te beoordelen. Het eerste voordeel is dat de partijen nu erkennen dat ze iets met elkaar gemeen hebben, zodat een totale wederzijdse verkettering niet mogelijk is. Dat bevordert de kwaliteit van de discussie. Een tweede voordeel is dat de discussie kan gaan over de inhoud, en niet blijft steken in opmerkingen over pedofiele priesters. Een wereldbeschouwing verdient het immers te worden beoordeeld aan de hand van de inhoud en niet aan de hand van de gedragingen van Gods grondpersoneel. En een derde voordeel is dat de hier genoemde norm – als je iets goeds doet, doe het dan in stilte – zich leent voor een analyse.

Zoals de bekende existentialistische filosoof Bruce Willis het samenvat in Die Hard: “Les hommes meurent et ils ne sont pas heureux. Life is shit and then you die.”  Waarom zou je in deze absurde wereld, waarin het menselijk lijden onvermijdelijk is, iets doen voor een ander? De existentialist heeft een antwoord: hij kan een heroïsche daad stellen en de wrede logica van deze absurde wereld ontkennen. De christen gelooft dat deze wereld niet de enige is en dat een weldaad, hier bewezen, in de andere wereld zal worden beloond.

Beide standpunten zijn eigenlijk niet zo overtuigend. Je zou wat meer zekerheid willen hebben dan geloofszekerheid, die immers is gebaseerd op onbewezen aannames. En hoe heroïsch het ook mag zijn om de absurditeit van deze wereld te ontkennen, veel schiet je er zelf niet mee op. Je kunt je heroïsche daad net zo goed achterwege laten.

De oude Romeinen bazuinden hun liefdadigheid zo luid mogelijk rond. Hieronder volgt de tekst van een van de beroemdste inscripties uit de Oudheid, ooit te zien in een badhuis te Como. De Romeinse senator om wie het gaat, aan gymnasiasten bekend als Plinius de Jongere, somt eerst zijn carrière op en vervolgens zijn weldaden.

Caius Plinius Caecilius Secundus, zoon van Lucius, uit het Oufentijnse district, consul, augur, legaat met consulaire bevoegdheden in Bithynië-Pontus en door keizer Trajanus krachtens senaatsbesluit naar die provincie gezonden, curator van de bedding en oevers van de Tiber en van de riolering van Rome, schatkistprefect, prefect van de militaire pensioenkas, praetor, volkstribuun, keizerlijk quaestor, zevenman van de ridderstand, officier in het Derde Legioen Gallica en president in het hof van honderd rechters, stichtte bij testament dit badhuis ter waarde van [lacune] sestertiën en schonk 300.000 sestertiën om het te versieren en de rente van 200.000 sestertiën voor het onderhoud. Voorts liet hij 1.866.666²∕₃ sestertiën na om honderd vrijgelaten slaven te onderhouden en de armen in de stad te voeden. Tijdens zijn leven gaf hij 500.000 sestertiën voor het onderhoud van de kinderen van de stad en 100.000 sestertiën voor dat van de bibliotheek.

In de Oudheid lazen mensen niet in stilte. Wie het badhuis betrad en de inscriptie las, sprak deze woorden uit en liet zo ook de vele ongeletterden weten hoe goed Plinius was geweest. Er zijn honderden van dit soort inscripties; een fraai voorbeeld uit de Lage Landen is te lezen in het Thermenmuseum in Heerlen. De weldoener kreeg destijds alle eer – en dat was waarom ’ie het deed. Tegenover je weldaad stond een concrete tegenprestatie: aanzien binnen de gemeenschap.

Mensen stelden er zó veel eer in iets voor de gemeenschap te doen, dat ze bereid waren zich te ruïneren of ruzie riskeerden met andere aanzienlijken, die het niet konden velen dat een ander meer eer kreeg dan zij. De Romeinse provincie Bithynië-Pontus kwam er aan het begin van de tweede eeuw n.Chr. zó ernstig door in de problemen dat het leidde tot een keizerlijke ingreep: de elite had haar financiële reserves uitgeput en kon daardoor de provinciale belastingen niet langer voorfinancieren. Keizer Trajanus zond daarop de genoemde Plinius als een soort interim-manager naar het crisisgebied.

Over zijn krankjorume titel “legaat met consulaire bevoegdheden in Bithynië-Pontus en door keizer Trajanus krachtens senaatsbesluit naar die provincie gezonden” zou nog een blogpost zijn te schrijven, maar het gaat me om een ander punt: het Romeinse systeem, waarin je in ruil voor een weldaad eer en aanzien genoot, werkte. Het bracht mensen ertoe hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen. Op het riskante af.

Je kunt het platvloers vinden. Een weldaad in ruil voor eer is inderdaad zoiets als opzichtig hardlopen tegen kanker of een liedje voor de zielige moeders. Het mist het heldhaftige van iemand die in stilte goed doet. Maar het werkt, en vermoedelijk zelfs efficiënter dan de christelijke norm dat je je linkerhand niet moet laten weten wat je rechterhand doet. Ik heb althans nog nooit gehoord dat Staphorst, Urk of Spakenburg zich ruïneerden uit compassie met minderbedeelden.

Begrijp me niet verkeerd: ik heb enorme bewondering voor de miljonair die zijn geld gebruikt om jonge mensen de kans te geven een ongebruikelijk idee te verwezenlijken, voor een ex-vriendin die als tropenarts ging werken in Malawi en voor een echtpaar dat de verpleging betaalt van iemand met een chronische aandoening. Allemaal zonder dat ze zich erop laten voorstaan, uit medemenselijkheid, uit religieuze overtuiging of uit ontkenning van de absurditeit van het leven.

Ze leven naar een hondsmoeilijke ethiek. Voor middelbare talenten is het Romeinse systeem misschien beter. Als de gemeenschap er baat van ondervindt, gun weldoeners dan wat eer. Vraag niet van ze dat ze alles in stilte doen, want dan doen ze vermoedelijk niets. De christelijke ethiek is voor de gemiddelde mens vermoedelijk te zwaar.

10 gedachtes over “Romeinse normen en waarden

  1. Vroege christenen hielden zich ook niet altijd aan “de christelijke norm dat je je linkerhand niet moet laten weten wat je rechterhand doet.” In de gebedshal in Kefar ‘Othnai (Legio/Megiddo) bijvoorbeeld lieten de sponsors van dit ‘kerkje’ hun namen in het mozaïek vereeuwigen.

  2. De correcte quote is: Life is a bitch and then you die. Maar goed. Ik heb het niet zo met religieuze waarden aangezien deze compleet tegen de aard van het beestje ingaan. En aangezien het beestje nou eenmaal ons gedrag bepaald, zijn gristelijke waarden irrelevant. Me dunkt dat de geschiedenis dat wel overtuigend heeft aangetoond. Van klooster bordelen in de late middeleeuwen tot pedofilie tot op heden. Niets beestachtigs is de gristelijke mens vreemd.

  3. Het lijkt mij een nogal primitieve en eenzijdige interpretatie van christendom, ‘dat deze wereld niet de enige is en dat een weldaad, hier bewezen, in de andere wereld zal worden beloond.’ Zo versimpeld is het inderdaad nogal makkelijk scoren. En die Plinius jr. zou het denk ik goed doen op LinkedIn.

    1. Natuurlijk ga ik kort door de bocht. En ik behandel ook maar één norm. Maar je moet ergens beginnen, en het was een mooie gelegenheid eens genuanceerd-kritisch (hoop ik) over het christendom te schrijven. Kritiek gaat tegenwoordig alleen maar over bijzaken, zoals de kerkelijke administratie, pedofiele priesters of wat dies meer zij. Over de inhuod spreekt niemand.

  4. Otto Cox

    Boeiend stukje. Roept bij mij wel de vraag op wat de christenen ertoe heeft bewogen om een blijkbaar werkend systeem van liefdadigheid te vervangen door ‘het in stilte goed doen’.
    Overigens kan ook het biologisch/sociaalpsychologisch perspectief interessant zijn: er zijn inmiddels verschillende studies die aangeven dat (een mate van) altruïsme de mens als soort een evolutionair voordeel gaf. De verschillende wereldbeschouwingen hebben daar vervolgens op hun eigen manier een verhaal bij gemaakt om daar invulling aan te geven. Net zoals wij als individu heel veel van onze intuïtieve beslissingen achteraf van een rationele uitleg voorzien.

  5. MNb

    “zodat een totale wederzijdse verkettering niet mogelijk is”
    Welke niet-christen en specifiek welke atheïst doet aan totale verkettering van het christendom? The Skeptic Annotated Bible bijvoorbeeld heeft een aparte categorie thumbs up.
    Riekt naar een stropop.

    “Een wereldbeschouwing verdient het immers te worden beoordeeld aan de hand van de inhoud en niet aan de hand van de gedragingen van Gods grondpersoneel.”
    Ik wil best afspreken om het eens niet over katholieke pedofielen te hebben. Deze reden is echter nogal lamlendig, omdat deze wereldbeschouwing pretendeert de aanhangers in moreel opzicht tot betere mensen te maken.
    Een andere keer.

    “Waarom zou je in deze absurde wereld, waarin het menselijk lijden onvermijdelijk is, iets doen voor een ander?”
    De psychologie geeft een antwoord: het verlicht dat lijden, maakt die absurde wereld gemakkelijker te dragen. Daar een norm van maken is typisch utilitaristisch, evenals het betoog waarmee je voor het Romeinse systeem pleit.
    Persoonlijk kies ik een middenweg. Iedereen mag weten dat ik aan de rand van de jungle woon en daar inderdaad iets nuttigs doe. Een paar andere dingen hoeft niemand te weten, doodgewoon omdat ik daar geen behoefte aan heb.

    “De christelijke ethiek is voor de gemiddelde mens vermoedelijk te zwaar.”
    Een vluchtige vergelijking met de idioot hoge eisen die Jezus op de Berg aan zijn volgelingen stelde met de dagelijkse praktijken van zijn volgelingen de afgelopen 2000 jaar leert dat dat vermoedelijk wel door zeker vervangen mag worden.
    Kritiek op gods grondpersoneel dient om dat aan te tonen én om hun onverdraaglijke hoogmoed jegens de veronderstelde morele superioriteit van hun wereldbeschouwing te temperen. Dat lukt overigens doorgaans maar zelden. Niettemin is uit deze typisch christelijke paradox – nederigheid prediken leidt tot hoogmoed – heel goed de emotionele afkeer van atheïsten als ik te verklaren.
    Al met al ben ik inmiddels een jaar of 35 bezig na te gaan welke normen en waarden die ik als kind heb meegekregen van christelijke oorsprong zijn en daarom eens grondig tegen het licht moeten worden gehouden.

    Afijn, ook hier gaat het over de inhoud en niet over perverse predikers:

    http://choiceindying.com/2012/04/21/on-the-perfection-of-jesus-moral-teaching/

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s