De archeologische nieuwsmachine

De legioenbasis, gezien vanaf Megiddo

Toen keizer Augustus stierf, had het Romeinse Rijk vijfentwintig legioenen. Dat aantal zou nog wat groeien: dertig ten tijde van Trajanus, drieeëndertig ten tijde van Septimius Severus, en daarna nog meer, zij het dat deze eenheden steeds kleiner werden. Over het algemeen bleven legioenen op dezelfde plaats: in Bonn en Xanten lagen eeuwenlang het Eerste Minervia en het Dertigste Ulpia Victrix. Legioenbases zijn daardoor zeldzaam, maar ze documenteren eeuwen geschiedenis.

Daarom was het groot nieuws toen de Israëlische Archeologische Dienst onlangs bekend maakte de basis van het Zesde Legioen Ferrata te hebben gevonden, niet ver van Megiddo. Een leuke vondst, die het zoveelste hoofdstuk toevoegt aan de toch al interessante militaire geschiedenis van de plaats: Megiddo speelde een rol in de campagnes van Toetmozes III, de koningen van Israël bouwden er een garnizoenstad, koning Josia ontmoette hier farao Necho, en in de recentere geschiedenis is hier gevochten door Napoleon en generaal Allenby. En nu is er dus ook bewijs dat de Romeinen hier een legerbasis hadden.

Leuk, maar het probleem is: dit was allang bekend. Hier is een rapport uit 2006. Ik ben er in 2011 langs gereden en baalde ervan dat ik geen tijd had iets dichterbij te komen, wat overigens ook als ik meer tijd had gehad lastig zou zijn geweest, omdat een deel van het terrein momenteel is overbouwd met een gevangenis. Maar goed, hier ziet u het terrein, vanaf de heuvel Megiddo, met de gevangenis in de achtergrond. O, ik vergat nog te zeggen dat de plek de afgelopen achttien eeuwen Legioen heeft geheten, was verbasterde tot Lejjun.

Kortom, de ontdekking vormt geen enkel nieuws, maar het is toch in allerlei kranten terecht gekomen. Dat kan ik de journalisten eigenlijk nog wel vergeven, want ze werken met deadlines en letterenfaculteiten hebben doorgaans geen afdeling wetenschapscommunicatie waar informatie kan worden geverifieerd. Het is dus vrij makkelijk om nieuws als nieuws te verkopen en in de krant te krijgen, zeker als je de signaalwoorden kent waarop journalisten reageren. Ik raad u aan dit artikel even te lezen als u de ambitie heeft de pers te manipuleren.

Ik had het bovenstaande al geschreven toen dit bericht vanmiddag binnenkwam: een van de paleizen van koning David is opgegraven. Lulkoek. Er is een groot gebouw gevonden uit ruwweg de juiste tijd, maar dat is ongeveer alles wat er is. Ik ben ook niet de eerste die kwaad is om deze desinformatie, kijk maar hier.

Punt één. Dit zijn dus geen academische voorlichters die op hol zijn geslagen. Evenmin zijn het journalisten die zich vergissen. Deze aankondigingen komen van de opgravers. De desinformatie wordt welbewust door de wetenschappers zélf verspreid. Archeologen weten dat je nooit een persbericht maar één keer naar buiten moet brengen als je ook twee keer naar geld kunt vissen.

Punt twee. De gevolgen zijn langzamerhand te merken: het draagvlak voor de archeologie begint af te nemen. Mensen geloven de claims van archeologen niet langer en accepteren niet meer dat er enorme bedragen worden uitgegeven aan wetenschappelijk onderzoek. Uit de Vlaamse stad Lier komt het inmiddels beruchte verhaal dat een miljoen werd uitgegeven aan een opgraving die in feite niets opleverde. De bekende Belgische politicus Louis Tobback heeft de archeologie min of meer de oorlog verklaard.

En in eigen land: ik heb ooit iemand gesproken die woonde boven een archeologische vindplaats en daardoor zijn huis, waar ooit op kosten van de eigenaar onderzoek zal worden gedaan, niet kan verkopen. Nu had hij geen haast met verhuizen, en had hij nog een oliekachel staan waarmee hij van tijd tot tijd wat olie door de fundamenten liet lekken om er zeker van te zijn dat de archeologen niets van waarde zouden kunnen vinden. Ik waag te betwijfelen of deze methode werkt, maar het zegt veel, heel erg veel, over het afnemend draagvlak.

11 gedachtes over “De archeologische nieuwsmachine

  1. Een probleem, denk ik (als archeoloog), is dat er gewoon teveel archeologen zijn die allemaal graag werk willen hebben. En wil je werk hebben (en houden), dan moet je wel net doen of je iets doet dat bijdraagt aan onze kennis over het verleden. Dat komt doorgaans neer op jokken of, laten we het wat aardiger noemen, het aandikken van de waarde van je eigen onderzoek.

    In feite zijn de meeste onderzoeken simpel overbodig, vooral wat het dure — maar prestigieuze — veldwerk betreft. Echt waardevol onderzoek, dat daadwerkelijk iets nieuws bijdraagt, dát is iets waar het aan schort. Ga maar eens na hoeveel opgravingen er in Nederland worden uitgevoerd: welke daarvan hebben nu echt nieuwe inzichten opgeleverd? Dat zijn er niet zoveel, denk ik. Maar mogelijk schiet hier de communicatie met het publiek tekort.

    Hetzelfde geldt voor opgravingen in het buitenland. Er zijn heel veel internationale instituten actief in het buitenland (Italië, Griekenland, Egypte, enz.) die allemaal veldwerk verrichten. Dat is immers leuk en je kunt er een mooi verhaal van maken, al moet je er een fantastische wending aangeven of oud nieuws weer als nieuw presenteren. Veel van die opgravingen worden gedaan op sites die de lokale overheden vaak, in mijn ervaring, als niet al te belangrijk beschouwen: leuk oefenmateriaal voor studenten. Men wil als overheid immers de écht belangrijke sites zélf opgraven, óf er een instituut op zetten dat veel aanzien geniet (en dat zijn er niet zo veel).

    Maak maar eens een praatje met een veldleider of opgravingsdirecteur. Die zullen je met graagte vertellen dat hun onderzoek baanbrekend is en vooral moet worden gesubsidieerd. Dit doorgaans in tegenstelling tot het onderzoek van hun collega drie kilometer verderop, natuurlijk. Want dat onderzoek is een verspilling van overheidsgeld of waardevolle subsidies.

    De ontdekkingen die er écht toe doen, zijn zeldzaam. Natuurlijk kan niet elke opgraving leiden tot opzienbare ontdekkingen. Maar ik denk wel dat men wat kritischer kan zijn. Niet elke site hoeft opgegraven te worden; niet elke regio hoeft onderwerp te zijn van veldverkenningen. Maar het brede publiek ziet hoeveel archeologen er actief zijn en hoe weinig dit lijkt op te leveren. Het is daarom geen wonder dat het draagvlak voor de archeologie afneemt.

        1. Wat Jona al zei. Je kunt van tevoren al aardig inschatten of een site de moeite van het opgraven waard is. Dat betekent niet je nooit voor verrassingen kunt komen te staan, maar het geeft op zijn minst een indicatie. Daarnaast kun je bij twijfel altijd eerst een prospectieonderzoek doen.

          Het is dan wel zaak om even helemaal eerlijk te zijn wat betreft het te verwachten resultaat. Helaas is de markt (zullen we maar zeggen) erop ingericht om ook kwalitatief dubieuze sites toch maar op te graven. Immers, wat heeft men aan buitenlandse scholen, commerciële archeologische bedrijven, etc., als ze in de regel niet opgraven en de ter beschikking gestelde subsidies niet opmaken?

  2. Dat olievat is leuk gevonden, maar het helpt inderdaad niet. Het enige wat je ermee bereikt is dat organisch materiaal vervuild raakt en niet meer C14-gedateerd kan worden, maar dergelijke dateringen zijn eerder uitzondering dan regel en er zijn duizend andere manieren om te dateren.
    Verder zal het er alleen maar voor zorgen dat een eventuele opdraving alleen maar duurder wordt, want uitgevoerd moet worden onder saneringsomstandigheden. Archeologen kunnen tegenwoordig ook opgraven in witte pakken, met adembeschermers en handschoenen. Niet leuk, wel lucratief.
    Maar het belangrijkste vind ik nog wel dit: met 1 liter olie maak je 1000 liter grondwater ongeschikt voor consumptie.

    MNb: als ik je vraag goed begrijp gaat het er niet om hoe je weet waar welke archeologie in de grond zit, maar hoe je bepaalt of die archeologie ‘de moeite waard’ is. Het korte antwoord is: dat weet je niet, dat vindt je, het is dus een kwestie van smaak, zie Louis Tobback.

    Jona: de enige reden waarom het draagvlak voor de archeologie erodeert is financieel: het kost gewoon teveel geld en wat er ook uit komt, dat is het in de ogen van sommigen nooit waard. Archeologische voorlichting (daar bestaan ook eerlijke vormen van) stuit overal en altijd op weerzinwekkend succes. Iedereen vindt het leuk, open dagen op opgravingen waar voor de leek niets te zien is lopen storm. Alleen zij die ervoor moeten betalen zien vaak de merites niet, ook niet als ze er zijn, zie Louis Tobback.

    1. Richard, je schrijft: “MNb: als ik je vraag goed begrijp gaat het er niet om hoe je weet waar welke archeologie in de grond zit, maar hoe je bepaalt of die archeologie ‘de moeite waard’ is. Het korte antwoord is: dat weet je niet, dat vindt je, het is dus een kwestie van smaak, zie Louis Tobback.”

      Dat vind ik niet echt hout snijden. Je weet nooit zeker wat er in de grond zit, maar je kunt wel beredeneren wat je zou kunnen verwachten. Het uitvoeren van goedkoper prospectieonderzoek (geofysisch, booronderzoek, desnoods een proefsleuf, enz.) kan je bovendien helpen met te bepalen of je daadwerkelijk moet beginnen aan een grootschalige opgraving. Dat gebeurde volgens mij vroeger (jaren vijftig, zestig) vaker dan tegenwoordig, en geldelijk gewin speelt ongetwijfeld een rol.

      Je kunt volgens mij niet spreken van “een kwestie van smaak” wat dit betreft. Je moet de kosten/baten afwegen en daarbij het algemeen nut in gedachten houden (het voorbeeld dat Jona aanhaalt van de man die nu poogt het archeologisch bestand te saboteren hoort daar ook bij).

      Dan kun je gerust wel eens zeggen, bijvoorbeeld, dat het niet nodig is om weer enkele tonnen aan euro’s uit te geven om de zoveelste bronstijdboerderij op te graven, of om een enkel Merovingisch graf te bergen. Laten we bijvoorbeeld eerst eens goed analyseren (en publiceren!) wat we al hebben. Projecten zoals Odyssee (NWO) zijn wat dat betreft nog maar een druppel op een gloeiende plaat.

      Dat is echter een gedachtengang die doorgaans vreemd is onder archeologen. Ten dele komt dat mogelijk óók voort uit de angst iets belangrijks te missen als niet alles wordt opgegraven.

      1. MNb

        Ik dacht inderdaad in termen van “bijdragend aan onze kennis van het betreffende tijdvak”. Ik kan me goed voorstellen dat het vierhonderdste Romeinse badhuis alleen echt de moeite waard is als het boven de grote rivieren staat.

      2. Josho: dat bedoelde ik dus niet. Ik meende dat MNb het had over de vraag naar wat archeologen ‘waardering’ noemen en niet ‘prospectief onderzoek’.
        In de prospectie-fase kun je inderdaad redelijk nauwkeurig voorspellen waar iets zou kunnen zitten en ook of het er zit. Ik snap trouwens niet hoe je kunt denken dat prospectief onderzoek tegenwoordig minder vaak wordt uitgevoerd dan vroeger. Eén van de meest gehoorde argumenten tegen archeologisch onderzoek die je momenteel hoort is dat 70/80% van alle onderzoek niks oplevert. Maar dat is ook logisch: 80/90% van alle onderzoek is prospectie, bedoeld om vast te stellen of er iets zit, en het is dus heel normaal dat daar soms niks bij gevonden wordt.
        Anyway, ‘waardering’ is heel andere koek. Dat is toch echt een kwestie van smaak. En daar spelen inderdaad ook zaken een rol bij als: is het 50e badhuis net zo belangrijk als het 1e?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s