Qumranologie en krijgsgeschiedenis

Het “verbrande huis” in Jeruzalem: een van de herinneringen aan de verwoesting van Jeruzalem in 70.

Al snel na de ontdekking van de Dode Zee-rollen – in elf grotten bij een “Qumran” genoemde ruïne – was duidelijk dat de uitgave van dit materiaal een te groot project was voor de academische instituten in de jonge staat Israël. Het was logisch dat andere geleerden werden uitgenodigd om het onderzoeksteam te versterken. Vanaf het begin was de qumranologie, zoals de bestudering van de Dode Zee-rollen wordt genoemd, een internationale en multidisciplinaire aangelegenheid.

Desondanks verliep de publicatie van de rollen frustrerend langzaam. Daar is niets vreemds aan overigens. Er is een parallel in het British Museum, waar tienduizenden kleitabletten uit Babylonië liggen te wachten tot er iemand naar komt kijken. De vondsten uit de grotten bij de Dode Zee zijn niet anders: er zijn duizenden fragmenten gevonden, die uiteindelijk bleken te behoren tot ongeveer 970 boekrollen.

Normaalgesproken bekommert niemand zich over langzame geleerden, maar in Qumran waren de verwachtingen zó hoog gespannen dat velen gefrustreerd waren over de trage publicatie. Er circuleerden allerlei complottheorieën, die er zonder uitzondering op neerkwamen dat een onaangename waarheid over het christendom was ontdekt, die zonder uitzondering het Vaticaan castten in de rol van boosdoener, en die zonder uitzondering gekker en gekker werden. Mijn favoriet is dat er Chinezen woonden aan de oevers van de Dode Zee. Wijzen uit het oosten, weet u wel.

Het duurde tot 2009 tot alle het materiaal was uitgegeven. Het werd toen duidelijk dat het materiaal dat het eerst was gepubliceerd, geschreven door aanhangers van een sekte met een dualistisch wereldbeeld, nogal atypisch was geweest voor het geheel. Nu alle teksten bekend waren, was het onaannemelijk dat het tot één grote, sektarische bibliotheek had behoord. De aanvankelijke identificatie van de ruïne bij Qumran als een klooster geldt momenteel als achterhaald. Een andere ontwikkeling is dat de qumranologie inmiddels begint bij te dragen aan andere vakterreinen.

Zoals krijgsgeschiedenis. Niemand zal uiteraard beweren dat de Dode Zee-rollen ooit de Joodse Oorlog van Flavius Josephus kunnen vervangen als belangrijkste bron voor het conflict tussen Rome en de Joden. De bewering dat wie over dit militaire conflict schrijft, in feite bezig is met het navertellen van de Joodse historicus, zal nooit klinken als een valse overdrijving. De rollen helpen echter wel om zijn vooringenomenheid en focus te begrijpen. Het wordt steeds duidelijker dat zijn typologie van drie soorten jodendom (sadduceeën, essenen en farizeeën) en een aan het jodendom vreemde “vierde filosofie” van agressieve nationalisten, niet zo verhelderend is als we zouden denken. De rollen leveren bewijs voor een religieus landschap dat veel complexer en fascinerender is dan we verwachtten.

Een voorbeeld van de bijdragen van de qumranologie aan de krijgsgeschiedenis is de bundel The Jewish Revolt against Rome: zestien artikelen over het Joods-Romeinse conflict, onder redactie van de Groningse qumranoloog Mladen Popovic. Er zitten echt leuke artikelen tussen. Brian Schultz gaat in op de ideeën over de Eindtijd-oorlog die wordt beschreven in de beroemde Oorlogsrol, en toont aan dat de identificatie van de aartsvijand, de “Kittim”, verschuift van Grieken naar Romeinen. Misschien niet heel verrassend, maar het toont hoe de Dode Zee-rollen ook voor krijgshistorici relevant kunnen zijn.

Josephus’ verslag krijgt zo steeds meer reliëf. Werner Eck stelt vast dat de auteur van de Joodse Oorlog alleen bestuurders uit de Romeinse ridderstand verwijten maakt en nooit wijst op fouten, gemaakt door senatoren. Dit suggereert dat leden van de senatoriële elite het werk lazen en dat bewijst dat er grenzen waren aan de wijze waarop Josephus de feiten kon verdraaien. Pieter van der Horst zoekt naar het aspect van de “vierde filosofie” dat zó vreemd was dat Josephus haar onjoods vond, en concludeert dat het moet gaan om het verzet tegen belastingheffing. Jodi Magness toont dat Josephus’ verslag van de belegering van Masada redelijk accuraat moet zijn – iets wat de opgravers destijds zonder ook maar een greintje bewijs hebben aangenomen.

De belangrijkste (en langste) bijdrage is “What is history? Using Josephs for the Judaean-Roman War” door Steve Mason. Hij behandelt de welbekende paradox van de oude geschiedenis: we zijn gedwongen ons beeld van het verre verleden te baseren op geschreven bronnen, maar die zijn verdacht, juist omdat ze zijn geschreven. De Oudheid was immers een “face-to-face society” waarin informatie vooral mondeling werd overgedragen. Je schreef alleen op wat niet algemeen bekend was – en dat betekent dat het gaat om het extreme, het bijzondere, het uitzonderlijke en atypische. Josephus schreef interessante boeken, maar stelt andere vragen dan die wij beantwoord willen zien.

Dit is, uiteraard, hét theoretische probleem van de oudheidkunde. De opkomst van de archeologie heeft het in sommige situaties helpen oplossen, maar als het gaat om evenementiële geschiedenis (zoals een oorlog) staart het probleem ons nog steeds aan. Elke bron moet extreem kritisch worden gelezen, met een scepsis die ook sceptisch tegenover zichzelf is. Mason biedt geen gemakkelijke antwoorden maar het artikel illustreert de problemen en toont enkele bescheiden wegen voorwaarts. Het zou apart gepubliceerd moeten worden en zo verplichte kost moeten zijn voor elke eerstejaarsstudent.

Slotopmerking: hoewel The Jewish Revolt against Rome niet vrij is van academisch geneuzel – de ondertitel is Interdisciplinary Perspectives – zijn er geen claims over nieuwe paradigma’s. Zelfbewierokende opmerkingen over “groundbreaking”, “seminal”, “innovative” dan wel “game-changing insights” blijven de lezer genadiglijk bespaard. Een aanbevolen boek.

Een gedachte over “Qumranologie en krijgsgeschiedenis

  1. Mohammed Boubkari

    Naar mijn weten stond het gebied destijds 1948 – 1967 onder controle van een ander jonge staat genaamd: Jordanië.

Reacties zijn gesloten.