Ik blogde twee weken geleden over de vlucht naar Egypte na de Kindermoord in Betlehem. Het hartverscheurende verhaal over de vermoorde baby’s en peuters veronderstelt dat koning Herodes wist dat er een kind geboren zou worden dat ooit als koning zou regeren over de Joden. Volgens de evangelist Matteüs vernam Herodes dat van de oosterse wijzen, die een wonderbaarlijke ster hadden gevolgd.nootMatteüs 2.2-3.
Omdat het schokkende verhaal een bovennatuurlijk teken bevat en bovendien aan elkaar hangt van de citaten uit de oudere joodse religieuze literatuur, kun je redeneren dat het allemaal is verzonnen. Misschien is dat ook wel zo. Van de andere kant: het uitmoorden van alle baby’s en peuters uit een klein stadje was niet beneden koning Herodes, die ook zijn eigen zoon uit de weg liet ruimen. Hij was volkomen scrupuleloos. De Kindermoord mag dan niet zijn vermeld in een andere bron, de gebeurtenis past verdraaid goed bij wat we weten over de paranoïde heerser.
Een week of twee geleden begon ik een blogje met de constatering dat in het Nieuwe Testament tweeëntwintig mensen worden vermeld voor wie ook buiten-Bijbels bewijs bestaat. Inmiddels weet ik dat het er meer zijn, zevenendertig namelijk, en ik zal nog een overzicht geven, maar vandaag wil ik alvast een van die mensen behandelen: Judas de Galileeër.
Judas de Galileeër
Hij wordt in het Nieuwe Testament één keer genoemd. In het Sanhedrin is er, kort na de kruisiging van Jezus, beraad over de nieuwe sekte, die zich niet heeft laten onderdrukken. Petrus heeft herhaald dat God Jezus een plaats heeft gegeven in de hemel, wat tot grote verontwaardiging leidt, tot de farizese leider Gamaliël het woord neemt. Hij verwijst naar een rebel, Theudas, die enig succes had gehad maar wiens beweging uiteindelijk op niets uitliep.
Na hem was er Judas de Galileeër, die ten tijde van de volkstelling met zijn volgelingen in opstand kwam. Ook hij ging ten onder, en al zijn volgelingen werden uiteengedreven.noot Handelingen 5.37; NBV21.
Maquette van Jeruzalem tijdens de Joodse Opstand (Museumpark Orientalis)
[Tweede deel van een reeks over de Joodse Opstand in 66-70 na Chr. Het eerste deel was hier.]
Tot nu toe was de Joodse Opstand tegen de Romeinen een plaatselijke aangelegenheid geweest, beperkt tot Jeruzalem, maar de zaak werd gecompliceerd toen de Sicariërs zich in de strijd mengden. Zij vonden hun deels Joodse, deels niet-Joodse aanhang op het platteland en stonden onder leiding van afstammelingen van Judas de Galileeër, die in 6 na Chr. leiding had gegeven aan het verzet tegen de annexatie. Zijn zonen Jakob en Simon hadden in 47 een soortgelijke opstand met de dood moeten bekopen, en in 66 was een zekere Menachem aan de beurt, een tot dan toe onopvallende schriftgeleerde.
Hij overviel het arsenaal in Masada, bewapende zijn aanhangers met Romeinse wapens en trok naar Jeruzalem, waar hij de laatste Romeinse hulptroepen in het nauw dreef en een klimaat creëerde waarin de hogepriester kon worden gelyncht. Onmiddellijk daarna zou hij het, volgens Josephus, hoog in de bol hebben gekregen. De commandant van de tempelwacht, Eleazar, was woedend en riep de families van de stedelijke elite bij elkaar.
Een christelijke maaltijd op een tweede- of derde-eeuwse wandschildering uit de catacomben van Callixtus, Rome. Er zijn diverse wandschilderingen van dit type, waarbij steeds zeven mensen de maaltijd gebruiken en zijn gezeten in een halve cirkel.
Mijn leermeester, professor Pieter Willem de Neeve, was geïnteresseerd in antieke landbouw en kampte met het probleem dat we over de middelgrote en kleine Romeinse boerenstand weinig bronnen hebben. De boeren waren immers ongeletterd en de bronnen zijn geschreven door rijke, vooringenomen mannen. Ze noteerden ook al niet wat destijds vanzelfsprekend was. We kunnen daarom de voor ons gezochte feiten niet vinden door de bronnen na te vertellen. Das wahre Faktum steht nicht in den Quellen.
Hoe een historicus dan te werk gaat, toont De Neeve in zijn inaugurele rede De boeren bedreigd: eerst maak je expliciet wat je verwacht (en daartoe haalde hij de locatietheorie van Von Thünen uit de kast) en pas daarna kijk je naar de bronnen, zodat je herkent waar ze onvolledig en bevooroordeeld zijn. Dat kan óók betekenen dat je ontdekt dat je eigen aannames niet kloppen en dan heb je je eigen denken beter doorgrond. “Expliciet maken wat je verwacht” kan hierbij slaan op het gebruik van modellen uit de sociale wetenschappen of het zoeken naar parallellen uit andere voorindustriële samenlevingen. Het voordeel van het aangeven van je verwachtingen is niet alleen dat je zo scherper kijkt naar je bronnen maar ook dat je reconstructie sterker is dan de N=1 die een alleen op bronnen gebaseerde reconstructie nu eenmaal is.
Als je het hebt over het ontstaan van het christendom, moet je het ook zo aanpakken. Eerst moet je expliciet vaststellen wat je zoekt, omdat je anders je impliciete aannames, gebaseerd op modern christendom, zult projecteren op de tekortschietende teksten en je vooral zult kijken naar wat je herkent. Dus: wat verwacht je van het vroegste christendom? We zijn in de fortuinlijke situatie dat we een goed beeld hebben van de beginsituatie: het jodendom.
Je kunt een boom opzetten over de vraag of “het” Jodendom heeft bestaan. Er lijkt namelijk niet één thema te zijn geweest waarover de Joden het eens waren. Wat hield het nu precies in dat ze het “uitverkoren volk” waren? Welke Bijbelboeken waren canoniek? Moest je die normatieve teksten letterlijk nemen of waren er andere leesstrategieën? Was er leven na de dood? Allemaal vragen waarover de toenmalige schriftgeleerden discussieerden. Het is niet vreemd dat er boeken zijn met in de titel het meervoud “Judaisms”.
Mij lijkt de aanname dat er Jodendommen zijn geweest, wat overdreven. De Joden mochten het dan oneens zijn over de omvang van de canon, ze waren het erover eens dát God zich liet kennen via een boek, een ongebruikelijk idee. Dat een volk uitverkoren was, dat was ook al zoiets: Joden konden het erover oneens zijn wat die uitverkiezing inhield, maar ze wisten dát ze bij God een streepje voor hadden. Niettemin: de verdeeldheid was een gegeven en als Jezus de stichter was van een religieuze stroming, heeft hij aan deze discussies deelgenomen. Ik stipte gisteren enkele van zijn opvattingen aan.
Volgende week houdt Donald Trump tijdens zijn staatsbezoek aan Israël een toespraak in Masada, een fort dat de Romeinen ooit hebben belegerd. Aangezien de media een toespraak door de president van de Verenigde Staten laten afhandelen door de redactie buitenland en niet door de wetenschapsredactie, mogen we aannemen dat een berucht kwakhistorisch verhaal kritiekloos zal worden gereproduceerd: dat de Romeinen te Masada een einde maakten aan het laatste Joodse verzet.
Maar zo simpel is het niet. Bij wijze van voorwaartse verdediging tegen de naderende desinformatie: wat weten we wél over Masada?
Wat was Masada?
Masada was een op een rotsplateau gelegen paleis-fort van koning Herodes de Grote, die kort voor onze jaartelling regeerde over Judaea. In het jaar 66 na Chr., toen het (inmiddels door Rome geannexeerde) gebied in opstand kwam, bezette een groep Sicariërs Masada. Nadat een poging ook de macht in Jeruzalem over te nemen was uitgelopen op een debacle, hielden zij zich verder afzijdig van de grote opstand tegen de Romeinen.
Een tijdje geleden was er een heus wetenschappelijk congres over de historische achtergronden van Monty Pythons Life of Brian. Ik heb de congresbundel niet gelezen, maar het thema is interessant: welke kennis was er in 1979 over Judea, hoe verwerkten de Pythons die in hun film en hoe kijken we nu naar het vroege Judea?
Allerlei scènes zijn goed gekozen. Discussies over sandalen en kalebassen lijken verdacht veel op de toenmalige halachische debatten, terwijl de Pythons het verzet tegen Rome presenteren als hopeloos verdeeld. Daarvoor valt beslist iets te zeggen.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.