Tisha b’Av

Maquette van het tempelcomplex met de burcht Antonia rechts (Israel Museum, Jeruzalem)

[Dertiende deel van een reeks over de Joodse Opstand in 66-70 n.Chr. Het eerste deel was hier.]

Op de honderdste dag van de belegering van Jeruzalem (plattegrond), 24 juli, waren de Romeinse belegeringsdammen zo dicht bij het tempelterras gekomen dat de Joden zelf een van de zuilengangen aan de vlammen prijsgaven. Drie dagen later volgde een tweede, maar het hielp niet veel. De Romeinen naderden gestaag, en op 8 augustus bereikten ze het tempelplein. Josephus meldt dat de hoogste officieren op de volgende dag met elkaar overlegden en dat Titus besloot dat de Romeinen de tempel niet in brand zouden steken. Maar op 10 augustus 70 gebeurde tijdens een gevecht het onvermijdelijke:

Zonder op een bevel te wachten en zonder zich te bekommeren om de gevolgen van zijn daad greep een soldaat, als door een bovenmenselijke hand gestuurd, een stuk hout. Hij klom op de schouders van een medesoldaat en slingerde het brandende projectiel tegen een gouden deurtje dat toegang verschafte tot de tempelvertrekken aan de noordkant. Zodra ze het vuur zagen oplaaien, steeg er onder de Joden een navenant geschreeuw op. Ze renden erop af om de zaak te redden zonder ook maar één moment aan het gevaar voor hun eigen leven te denken of hun krachten te sparen, nu ze zagen dat het gebouw dat ze altijd zo energiek hadden bewaakt, met verwoesting werd bedreigd.

Titus lag net in zijn tent uit te rusten, toen er haastig iemand naar hem toe kwam om hem het bericht vertellen. Hij sprong onmiddellijk op en rende naar de tempel om het vuur tot staan te brengen. (Josephus, Joodse Oorlog 6.252-254; vert. Wes/Meijer)

Dit verhaal, met de suggestie dat God de tempel zelf in brand zou hebben gestoken, is vrijwel zeker onwaar.

Josephus noemt overal de namen van soldaten die zich extra hadden onderscheiden, maar dit keer is hij ineens opvallend terughoudend. Er is bovendien een tweede bron over deze gebeurtenis, een fragment uit een verder verloren deel van de Historiën van de Romeinse auteur Tacitus, overgeleverd door de christelijke auteur Sulpicius Severus, die leefde in de vierde eeuw.

Titus aarzelde eerst en belegde een krijgsraad over de vraag of ze een zó mooie tempel moesten verwoesten. Het leek immers passend een gewijde tempel, ver verheven boven alles wat menselijk was, niet te vernietigen, al was het maar omdat dat zou getuigen van de gematigdheid der Romeinen en verwoesting een bewijs van wreedheid was. Maar anderen waren het er niet mee eens, waaronder Titus zelf. Zij redeneerden dat de vernietiging van de tempel prioriteit moest hebben om het geloof van de Joden en de christenen te verdelgen. Want hoewel deze godsdiensten verschilden, hadden ze dezelfde oorsprong. De christenen kwamen voort uit de Joden: en als de wortel eenmaal was uitgetrokken, zou de tak makkelijk kunnen worden gedood. (Sulpicius Severus, Chronica 2.30.4.)

De passage kan niet zijn verzonnen door Sulpicius. De uitdrukking “tak” om christenen te beschrijven is ontleend aan de Joodse messiaanse geschriften en speelt geen rol in de vierde-eeuwse christelijke literatuur. Hoewel de passage van Tacitus te kort is om helemaal zeker te zijn, heeft het er de schijn van dat hij de Romeinse generaals cynisch een Joodse beeldspraak laat benutten. Jeruzalem zou óók branden als wraak op de Joodse sekte der christenen, die immers zes jaar daarvoor Rome in brand zou hebben gestoken.

Josephus had goede redenen om op dit punt de waarheid geweld aan te doen. Hij was een aristocraat en oordeelde dat het gewone volk gelaten het land moest bewerken, belasting moest betalen en zich moest onthouden van theologische speculaties en politieke activiteiten. Ze begrepen immers niet hoe de wereld in elkaar stak. Een klein volk als het Joodse had zich maar bij de macht van sterkere volkeren neer te leggen, zoals het ook machteloos was geweest tegenover de Babyloniërs, de Perzen en de Macedoniërs. De Joodse koning Hizkia daarentegen, die de hoogheid van de Assyriër Sanherib had erkend door tribuut te betalen, was gespaard toen deze Jeruzalem had willen innemen, een feit waaraan Josephus subtiel herinnerde door erop te wijzen dat Titus op dezelfde plek als de Assyriërs zijn kamp had opgeslagen – ik verwees er al eerder naar.

Mannen als Eleazar de Tempelwacht, Menachem de Sicariër, Eleazar de Zeloot, Johannes van Gischala en Simon bar Giora hadden de les van de geschiedenis niet willen leren en daardoor de goddelijke toorn afgeroepen over zichzelf en het volk. God was het, volgens Josephus, God was het Zelf die Zich van de Romeinen bediende om met vuur de tempel te reinigen en de door zoveel misdaden bezoedelde stad te verdelgen.

In dit licht moet ook het afgelopen donderdag beschreven verhaal over de moeder die haar eigen baby opat worden gelezen. Wellicht zijn de Joden inderdaad vervallen tot kannibalisme, maar het is uitgesloten dat Josephus toen hij de lugubere anekdote opschreef, niet heeft gedacht aan de profetie van Jeremia dat Jeruzalem zou worden verwoest en de bewoners hun kinderen zouden opeten (Jeremia 19.6-9). Josephus kon dit verhaal, waar of onwaar, niet laten liggen, omdat het bewees dat bijbelse voorspellingen in vervulling waren gegaan. Voor hem was de brand van de tempel een godsoordeel over het zondige Jeruzalem.

Joden herdenken nog elk jaar de verwoesting van de tempel op die tiende augustus 70. In de Joodse kalender gebeurde dat op de negende van de maand Av en zo heet de gedenkdag dan ook: Tisha b’Av. (Toevallig valt 9 Av dit jaar op 10 augustus.)

[Wordt vervolgd]

24 gedachtes over “Tisha b’Av

  1. René

    De krijgsraad moet een emotioneel moment zijn geweest voor Tiberius Julius Alexander. Zou Josephus hier ook bij aanwezig zijn geweest?

  2. Bonne Rook

    Jezus Christus noemde “het teken van Jona”. Dit was niet alleen de drie dagen en nachten in de vis, maar ook de veertig dagen en “de stad zal omgekeerd worden”. Profetisch geldt een dag voor een jaar. Veertig jaar na deze waarschuwing werd de stad Jeruzalem omgekeerd.

    1. gmknepper

      Dat is onjuist. Als Mattheüs (ik neem aan dat u daarnaar verwijst) in 12.39 het Jezus laat hebben over “het teken van Jona” legt hij in het daaropvolgende vers precies uit wat hij daarmee bedoelt. De uitdrukking heeft niet betrekking op de val van Jeruzalem, maar: ” (…) want zoals Jona drie dagen en nachten in de buik van het zeemonster zat, zo zal de zoon van de mens (= Jezus, GK) drie dagen en nachten in het binnenste van de aarde blijven”.

      1. Bonne Rook

        En dan lezen we in vers 41 dat de mannen van Nineve zich bekeerd hebben op de prediking van Jona: Bekeert u, want nog veertig dagen dan zal de stad omgekeerd worden.

        1. gmknepper

          Ook dat is onjuist: in vs. 41 komen noch het begrip “veertig dagen”, noch een verwijzing naar de “omkering van de stad” voor. En zelfs al waren in vs. 41 beide begrippen wél voorgekomen, dan blijft nog steeds staan dat de betekenis van de uitdrukking “het teken van Jona” (vs. 39) wordt uitgelegd in vs 40: er wordt mee verwezen naar Jezus’ verblijf in het binnenste van de aarde.

  3. Ben Spaans

    Nou, waarom zou iemand in de vierde eeuw niet christenen als tak van het Jodendom kunnen aanduiden? En als je deze passage leest krijg je de indruk dat de Romeinen op dat moment meer tegen christenen dan tegen Joden aan het vechten waren, wat toch wel erg onwaarschijnlijk is. Dus de passage roept alleen maar meer vragen op.

    Een zijsprong, de MB is zo enthousiast over Uit de diepten van de Hel van Marcel Hulspas. Weet je dat deze op pag. 41-42 de christenvervolging in 64. n. Chr. door Nero betwijfelt?

  4. Theo Joppe

    Ik betwijfel ten zeerste of dit een authentiek Tacitus-fragment is. Tacitus was helemaal niet geïnteresseerd in het gedoe tussen proto-christenen en Joden, waar deze passage de nadruk op legt. Christenen speelden in het Joodse conflict in het geheel geen rol.

    Het lijkt me meer een vierde/vijfde eeuwse christelijke projectie. Het probleem was natuurlijk dat de Romeinen wél de Tempel van Jeruzalem hadden verwoest en geplunderd — hoe dat te vergoelijken in een Romeins rijk dat net christelijk was geworden? Vandaar deze totaal onhistorische krijgsraad, over een onderwerp waar de Romeinen in werkelijkheid niet mee zullen hebben gezeten. Het platbranden en plunderen van tempels was standaard in dit soort belegeringen, zeker na zo’n lang beleg.

    Maar, ik geniet wel van deze stukjes! Geniet nog even van je vakantie.

    1. Het punt is dat de wortel/tak-metafoor zo verschrikkelijk specifiek verwijst naar de joodse discussies van die tijd. Of het Tacitus is, staat te bezien, maar een voor Tacitus leesbare bron lijkt hier een joodse beeldspraak te hebben gekend.

    1. Theo Joppe

      Zeker, maar daar komt nog bij dat men in de Oudheid geheel rhetorisch getraind was. Daarbij hoorde standaard het ‘eikos’-principe: “wat zou die personage hebben gezegd in die situatie?” Dat hoorde standaard bij het schoolcurriculum. Vandaar dat er zoveel onechte citaten en redevoeringen over zijn. Originaliteit werd niet echt op prijs gesteld.

      1. Ben Spaans

        De hele serie over de Joodse Opstand heeft me het laatste zetje gegeven om het pas uitgekomen boek aan te schaffen van de Israëlische archeologe Jodi Magness over Masada (Princeton 2019) https://press.princeton.edu/titles/13482.html
        Het boek gaat breed, dus onder meer Josephus en de val van Jeruzalem komen aan de orde. Ook de passage van Sculpicius wordt behandeld, en de nodige reserve aangehouden. Sculpicius verwijst niet zelf naar Tacitus, het was een 19e eeuwse geleerde Jacob Bernays die dit opperde en deze heeft school gemaakt, maar er blijven problemen. Magness verwijst hiervoor naar een een S. Masson, ‘A history of the Jewish War’, (Cambridge 2016).

        Vorige week bekeek ik ook het al dan niet vermeende Tacitus fragment op Lacus Curtius en de nadruk op christenen riep al vragen op, en ik sta blijkbaar niet alleen. De ‘schuld’ van Titus is hier minder een probleem dan de wel erg grote nadruk op christenen in de passage.

  5. vgent

    Je schrijft dat Tisha b’Av (9 Av) dit jaar op 10 augustus valt maar je vergeet de regel dat als het op een zaterdag valt het dan een dag doorschuift, d.w.z. het wordt op 10 Av herdacht (er zijn een paar meer van zulke dagen in de Joodse kalender die dan een dag doorschuiven).

    Verder viel 9 Av in het jaar 70 niet op 10 augustus maar op 4 augustus in de Romeinse kalender – hierbij is wel uitgegaan van de huidige regels voor de berekening van de Joodse kalender, dus heel precies weten we het eigenlijk niet.

    1. Bonne Rook

      Neem het boek Jona erbij. Daarin staat de prediking. Veertig dagen. Jona was een profeet en prediker. Jezus verwijst ook naar de mannen van Nineve, die dit geslacht zullen veroordelen.

      1. gmknepper

        Als met “het teken van Jona” Jona’s prediking over de veertig dagen bedoeld zou zijn, zou dat een wel heel weinig toepasselijke verwijzing zijn: ondanks Jona’s profetie is Ninive na veertig dagen juist NIET verwoest. Ik vrees toch echt dat u uw darling bij gebrek aan argumenten zult moeten killen; als voorschot daarop zou ik deze gedachtenwisseling hierbij graag willen beëindigen. Dank!

        1. Bonne Rook

          Goed.
          Nog een laatste opmerking:
          Jezus vergeleek zich met Jona.
          Ninive bekeerde zich op de prediking van Jona en werd na veertig dagen niet verwoest.
          Jeruzalem bekeerde zich niet op de prediking van Jezus en werd na veertig jaren verwoest.

    2. Bonne Rook

      Verschuivingsregels zijn door de kalender van Hillel gekomen. De kalender van de Tweede Tempelperiode kent geen verschuivingen. Deze wordt nu nog gebruikt door de Samaritanen.
      De joodse kalender wemelt van de fouten en voldoet aan Lukas 11:52.

  6. ceesvanveelen

    Je schrijft: “De uitdrukking “tak” om christenen te beschrijven is ontleend aan de Joodse messiaanse geschriften en speelt geen rol in de vierde-eeuwse christelijke literatuur.” De wortel en tak metafoor komt ook voor in de brief van Paulus aan de Romeinen, hoofdstuk 11. Daar noemt hij de christenen in Rome een tak, geënt op de wortel, Israël.

Reacties zijn gesloten.