De Bergrede (10): Smaad

Sarcofaag uit het mausoleum van de Anicii (Louvre, Parijs)

Na een onderbreking van drie weken herneem ik nu mijn reeks over de Bergrede. Korte inhoud van het voorafgaande: de Bergrede is door de auteur van het Matteüsevangelie gecomponeerd aan de hand van uitspraken uit de Q-bron en biedt, na een proloog (“de zaligsprekingen”) een wetsuitleg waarin Jezus zijn mensen oproept tot volmaaktheid, die haalbaar is in het naderende Koninkrijk Gods. Op de achtergrond spelen enerzijds de concrete repressie die de mensen ten tijde van Domitianus hebben ervaren en anderzijds Jezus’ positie als messias.

Naar de rechter!

De wetsuitleg heeft ruwweg dezelfde vorm als de halachische discussies in de Dode-Zee-rol die bekendstaat als 4QMMT ofwel Enige Werken der Wet: (een uitleg van) een wetstekst wordt neergezet en becommentarieerd. In de Bergrede zijn die commentaren aanscherpingen:

Jullie hebben gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd: “Pleeg geen moord. Wie moordt, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht.” Dit zeg ik daarover: ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht. Wie hen voor nietsnut uitmaakt, zal zich moeten verantwoorden voor het Sanhedrin. Wie “Dwaas!” zegt, zal voor het vuur van de Gehenna komen te staan. (Matteüs 5.21-22, nieuwste Nieuwe Bijbelvertaling)

Het is aannemelijk dat dit retorische overdrijvingen zijn, ongeveer zoals ik zou kunnen zeggen dat iemand die in de stiltecoupé zit te kletsen gevangenisstraf verdient. Twee Joodse termen verdienen toelichting. De eerste is het Sanhedrin, het hooggerechtshof, dat vergaderde in een hal op de plaats van de huidige Al-Aqsa-moskee. De hyperbool ligt er duimendik bovenop.

Naar de hel!

Het tweede is het Gehenna ofwel het Dal van Hinnom, recht ten zuiden van Jeruzalem. Hier waren in de zevende eeuw v.Chr. kinderoffers gebracht (2 Koningen 23.10): een gebruik dat in het Nabije Oosten later in onbruik was geraakt (maar in Karthago had voortbestaan). De rabbijnse traditie legt een verband met de kloof waarin Korach en de zijnen ten onder waren gegaan: een plek waar gloeiendhete rook uit de grond kwam en waar mensen in vleespotten werden gekookt (Numeri 16; Babylonische Talmoed, Sanhedrin 110a-b).

Wanneer je dus je offergave naar het altaar brengt en je je daar herinnert dat je broeder of zuster jou iets verwijt, laat je gave dan bij het altaar achter; ga je eerst met die ander verzoenen en kom daarna je offer brengen. Leg een geschil snel bij, terwijl je nog met je tegenstander onderweg bent, anders levert hij je uit aan de rechter, draagt de rechter je over aan de gerechtsdienaar en word je gevangengezet. Ik verzeker je: dan kom je niet vrij voor je ook de laatste cent betaald hebt. (Matteüs 5.21-26)

Dit is een interessante passage! Mattheüs schreef ten tijde van keizer Domitianus, toen de tempel in Jeruzalem er al zeker een decennium niet meer was. Offeren bij het altaar was dus onmogelijk. Deze woorden documenteren óf een vroeg stadium van de overlevering óf een eindtijdverwachting. In beide gevallen komen ze uit een christendom dat nog binnen het jodendom stond en van een auteur die vertrouwd was met de topografie van Jeruzalem.

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

2 gedachtes over “De Bergrede (10): Smaad

  1. Gert M. Knepper

    Je zegt te citeren uit de ‘nieuwste Nieuwe Bijbelvertaling’ maar in werkelijkheid citeer je gewoon uit de NBV. Tijdens jouw verblijf tussen de moslims verscheen hier de NBV21, die ook in bovenstaande citaten soms licht afwijkt van de NBV.

    1. Frans Buijs

      Ja, er werd zelfs een aflevering van Op1 aan gewijd waarin over van alles en nog wat werd gepraat behalve over de nieuwe bijbelvertaling zelf.

Reacties zijn gesloten.