Overigens ben ik mening dat Carthago vernietigd moet worden

De zogenaamde Cato uit Otricoli (Torlonia-collectie, Rome)

‘Overigens ben ik van mening dat Carthago vernietigd moet worden’ is een bekend gezegde van Marcus Porcius Cato (234-149 v. Chr.) vlak voor de Derde Punische Oorlog (149-146 v. Chr.). Deze eindigde inderdaad met de verwoesting van Carthago. Maar heeft Cato dat echt zo gezegd? Van Cato zelf zijn geen redevoeringen bewaard gebleven. En van het in het Grieks geschreven geschiedeniswerk van Polybios (203-120 v.Chr.), een tijdgenoot van Cato, zijn slechts fragmenten bewaard gebleven, maar het gedeelte over de Derde Punische Oorlog is daar helaas niet bij.

Cicero

De oudste bron voor deze uitspraak van Cato is Marcus Tullius Cicero (106-43 v. Chr.) in zijn werk Cato Maior de senectute, waarin hij Cato zelf aan het woord laat over het ouder worden. Hierin zegt hij op een gegeven moment:

Ik verklaar al lang de oorlog aan de stad Carthago, die reeds sinds geruime tijd op onheil uit is; ik houd niet op bang te zijn voor Carthago totdat ik verneem dat zij is vernietigd (excisam esse). (Cato 18)

Twee dingen komen ons  bekend voor: Cato wil dat Carthago verwoest wordt, en hij zegt dat steeds weer. Hieruit blijkt dat al in Cicero’s tijd dit als een wens van Cato werd gezien. Cicero gebruikt hier echter niet het woord delere maar excidere, dat weliswaar ongeveer hetzelfde betekent, maar niet letterlijk hetzelfde woord is. Verder valt op dat het woordje ceterum (‘overigens’ of ‘voorts’) ontbreekt.

Livius

In het geschiedeniswerk van Titus Livius (ca. 59 v. Chr.-17 n. Chr.) wordt de periode van de Derde Punische Oorlog ook besproken, maar helaas zijn de betreffende boeken verloren gegaan. Het waren oorspronkelijk 142 boeken, die echter niet allemaal meer overgeschreven werden en daarom niet allemaal bewaard gebleven zijn. We hebben van het deel over de Derde Punische Oorlog alleen een samenvatting uit de Late Oudheid over, waarin staat:

Tussen Marcus Porcius Cato en Scipio Nasica (…) vond een debat met tegengestelde meningen plaats, waarin Cato vóór en Nasica tegen een oorlog en het vernietigen en verwoesten van Carthago pleitte (ut tolleretur delereturque Carthago). (Periochae 49.2)

Hier zien we het werkwoord waar we naar op zoek zijn: delere. Echter naast tollere, en zoals gezegd in een samenvatting uit de Late Oudheid. We weten dus niet zeker of deze woorden ook door Livius zelf gebruikt werden, laat staan door Cato. Het woordje ceterum ontbreekt.

Velleius Paterculus

Velleius Paterculus (ca. 19 v.-ca. 31 n. Chr.) schreef een geschiedeniswerk van Rome tot de regering van Tiberius. Dit werk in twee delen is wel helemaal overgeleverd. Hij geeft een hele korte verwijzing naar Cato’s opmerking:

Cato, de voortdurende voorstander van haar vernietiging (diruendae), stierf drie jaar voor de val van Carthago (Carthago deleretur), tijdens het consulaat van Lucius Censorinus en Manius Manilius. (1.13.1)

We zien hier het gezochte werkwoord delere terug, maar alleen in een algemene verwijzing naar de verwoesting van Carthago. Wel komt Cato hier weer naar voren als iemand die voortdurend deze verwoesting wilde, maar met een ander werkwoord (diruere).

Plinius de Oudere

Een mooie anekdote vinden we bij Plinius de Oudere (ca. 23-79 n. Chr.), die in zijn werk over de natuur verschillende vijgen aan het bespreken is:

Maar de soort die Cato de Afrikaanse vijg noemde, herinnert ons eraan dat hij die vrucht voor een opmerkelijke demonstratie gebruikte. Verteerd door een dodelijke haat jegens Carthago en bezorgd over de veiligheid van zijn nakomelingen, riep hij bij elke vergadering van de senaat dat Carthago verwoest moet worden (cum clamaret omni senatu Carthaginem delendam). En op en dag bracht hij een vroegrijpe vijg uit die provincie mee, en terwijl hij hem aan de senatoren toonde, zei hij: ‘Ik vraag u, wanneer denkt u dat deze vrucht van de boom is geplukt?’ Iedereen was het er over eens dat hij vers was, dus zei hij: ‘O ja, hij is eergisteren in Carthago geplukt – zo dicht is de vijand bij onze muren!’ En prompt begonnen zij aan de Derde Punische Oorlog, waarin Carthago ten val werd gebracht.

Hier zien we de twee punten waar we naar op zoek waren: het werkwoord delere uit de mond van Cato en het feit dat hij voortdurend op zijn thema terugkwam, te pas en te onpas. Deze woorden staan in de indirecte rede, niet in de directe. Het woordje ceterum ontbreekt ook hier.

Griekse bronnen

Zoals gezegd zijn de relevante delen van Polybios niet bewaard gebleven. Wel hebben we bronnen die waarschijnlijk op hem teruggaan.

Van Diodoros van Sicilië (ca. 90-ca. 30 v. Chr.), die een wereldgeschiedenis heeft geschreven, ontbreken ook de relevante delen. Wel is er een samenvatting uit de Byzantijnse tijd bewaard gebleven. Hier staat in het Grieks dat Cato steeds weer zei dat ‘Carthago niet meer zou moeten bestaan‘. In het Grieks staat het werkwoord dat ‘zijn‘ betekent, dus geen werkwoord dat met verwoesten te maken heeft.

Bij Plutarchus (ca. 46-ca. 120 n. Chr.) vinden we dezelfde anekdote als bij Plinius in het Grieks terug in zijn beschrijving van het leven van Cato (Cato maior 27). Hier staat ook het werkwoord ‘zijn’, dit keer in de directe rede: ‘Ik ben ook van mening dat Carthago niet meer moet bestaan.’ Opvallend is hier het woordje καὶ, dat voor het woord Carthago staat. Plutarchus kan niet bedoeld hebben dat Carthago ‘ook’ vernietigd moet worden: er is geen andere stad in de context die vernietigd zou moeten worden. Het woordje καὶ moet betrekking hebben op de woorden ervoor: ‘ik ben ook van mening’.

Kortom

Kortom: de anekdote heeft al een lange traditie, al kunnen we deze niet direct tot Cato terug volgen, maar dat is vaak zo bij bronnen uit de Oudheid. Wel lijkt het erop dat de bronnen gedeeltelijk onafhankelijk van elkaar zijn, wat het waarschijnlijker maakt dat het verhaal echt is. Het werkwoord delere zien we pas later opduiken. Eerst werden er andere werkwoorden gebruikt. En nergens vinden we precies de tekst Carthago delenda est of ceterum censeo Carthaginem delendam esse. Hoe zit het daar dan mee?

Carthago delenda est

Opvallend is dat Carthago delenda est vooral in de Engelstalige wereld voorkomt. Eigenlijk is het gewoon de omzetting van de indirecte rede zoals we die hierboven steeds gezien hebben in de directe. Bekend werd de uitspraak in 1673 ten tijde van de Derde Engelse Oorlog (1672-1674). Lord Chancellor Anthony Ashley Cooper sprak op 4 februari 1673 in het Engelse parlement:

But you judg’d aright, that at any rate, delenda est Carthago, that government was to be brought down. And therefore the King may well say to you, it is your war!

Hij vergelijkt Holland hier met Carthago: als het parlement de oorlog met Holland wil, moet het er ook voor betalen. De leden van het parlement kenden hun klassieken, en Anthony Ashley Cooper kon er dus van uitgaan dat iedereen wist dat Cato hardnekkig het einde van Carthago wilde zien zoals het parlement het einde van Holland.

De Engelse toneelschrijver John Dryden schreef in hetzelfde jaar het stuk Amboyna, or the Cruelties of the Dutch to the English Merchants. Hierin vinden we in de epiloog de volgende passage:

As Cato fruits of Afric did display,
Let us before our eyes their Indies lay:
All loyal English will like him conclude,—
Let Cæsar live, and Carthage be subdued.

Hier verwijst Carthago weer naar Holland.

De boekhandelaar Baltes Boeckholdt uit Amsterdam reageerde hier nog in hetzelfde jaar op met een boekje met de titel Delenda Carthago, ofte Carthago moet werden uytgeroeyt. Anders Dat Nederlandt verwoest werdt na het voorbeelt van Carthago; des selfs schrickelijke verwoestinge en rampsalifh eynde. Hierin beschrijft hij uitvoerig de Derde Punische Oorlog die eindigde met de verwoesting van Carthago. Dit einde wilde hij duidelijk niet voor Holland hebben.

Er is nog een leuke anekdote over Anthony Ashley Cooper. Hij moest in 1682 zijn land ontvluchten en kwam in Amsterdam terecht. Toen hij om burgerrecht vroeg, kwam er als antwoord: ‘a Carthagine nondum deleta salutem accipe’ (‘groeten van het nog niet verwoeste Carthago’) of in een andere versie: ‘Carthago, non adhuc deleta, comitem de Shaftesbury in gremio suo recipere vult’ (‘Carthago, dat nog niet verwoest is, wil de graaf van Shaftesbury graag opnemen’). Of dit waar is, valt te betwijfelen, maar het is mooi bedacht!

Ceterum censeo

Maar waar is nu het deel met ceterum censeo gebleven? Dit blijkt vooral in de Duitstalige wereld bekend te zijn. Zoals net gezegd, staat er bij Plutarchus  ‘Ik ben ook van mening dat Carthago niet meer moet bestaan.’ In een Duitse vertaling uit 1777 van Gottlob Benedict von Schirach klinkt dat zo:

Übrigens bin ich der Meinung, daß man Carthago zerstören müsse (p. 446).

Hier zien we het woord ‘übrigens’ verschijnen. Of dit de eerste keer is, dat dit woord in het citaat verschijnt, weet ik niet. Het lijkt bijna al in zijn tijd een gevleugelde uitdrukking te zijn, aangezien ook Scipio antwoordt:

Übrigens bin ich der Meinung, daß Carthago bleiben muss.

In het Grieks staat echter hier geen καὶ of een vergelijkbaar woord. In een voetnoot wijst Von Schirach er nog op, dat senatoren altijd aan het eind van een rede nog wat anders mochten zeggen.

Het vroegste voorbeeld met ceterum censeo in het Latijn dat ik kon vinden, staat in een boek vol oefeningen voor het vertalen van het Duits in het Latijn (Stilübungen) uit 1816 geschreven door Joseph Lamb (Practische Anleitung zum Übersetzen aus dem Deutschen ins Lateinische). Eerst staan er de Duitse teksten om te vertalen, aan het eind van het boek volgen Latijnse vertalingen, die je dan kon vergelijken met je eigen vertaling. Onder nummer 96 vinden we de bekende anekdote uit Plinius met de vijg als nieuw verhaaltje, samengesteld uit de bovengenoemde bronnen. Cato zegt eerst ‘man müsse es zerstören’, wat vertaald wordt met dirui eam oportere. Dan gaat het verhaal verder dat hij na elke redevoering in de senaat aan het eind zei: ‘Übrigens meine ich, man müsse Karthago vernichten.’ Wat in de vertaling vertaald wordt met: ceterum censeo Carthaginem esse delendam. Of dit echt de eerste vermelding is, weet ik niet.

‘Ceterum’ lijkt dus als vertaling van het Griekse woordje καὶ, dat bij Plutarchus voorkomt, via het Duitse ‘übrigens’ te zijn ontstaan. Vanaf begin 19e eeuw begon de uitdrukking een eigen leven te leden en zijn eigenlijk de woorden ceterum censeo genoeg om te verwijzen naar iets wat iemand hardnekkig blijft volhouden. Al heeft Cato dit nooit zo gezegd.

[Een gastbijdrage van Josine Schrickx. Dank je wel Josine!]

6 gedachtes over “Overigens ben ik mening dat Carthago vernietigd moet worden

  1. Huibert Schijf

    Een interessant stuk van iemand die deskundig is. Een Nederlandse die in Duitsland een mooie carrière heeft opgebouwd. Kijk uit naar andere bijdrages van haar hand.

      1. Karel van Nimwegen

        Je had toch wel een goed team met Grondslagen.net! Jammer dat de musea er niet tijdig bij konden zijn. Het had verschil maken kunnen.

  2. Frans Buijs

    De traditie werd voortgezet door Marianne Thieme die al haar toespraken in de Tweede Kamer afsloot met: “overigens zijn wij van mening dat er een einde moet komen aan de bioindustrie.” Ze stond hiermee dus in de Duitse traditie.
    Wat ik niet helemaal terugvind in dit stuk is dat -volgens de overlevering- Cato al zijn toespraken met deze opmerking afrondde. En als het zo moeilijk is om te achterhalen wat hij werkelijk heeft gezegd, waar komt dan het idee vandaan dat hij het iedere keer zei? Alleen maar omdat hij er, weer volgens de overlevering, op bleef hameren?

Reacties zijn gesloten.